Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-4268 Zaaknummer: C/09/667942 Datum beschikking: 24 juli 2025 Alimentatie Beschikking op het op 7 juni 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.G. Jagesar te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. D.Z. Peters te ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens verzoekschrift; het verweer tegen het zelfstandig verzoek; het F9-formulier van de vrouw van 12 juni 2025, met bijlage; het F9-formulier van de man van 16 juni 2025, met bijlagen; het F9-formulier van de man van 17 juni 2025, met bijlage. Op 26 juni 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de man, bijgestaan door mr. J.B. Peters als waarnemend advocaat en een tolk: L. Makkadam. Feiten - Partijen zijn gehuwd geweest van [datum] 2001 tot [datum] 2020. - Zij zijn de ouders van het volgende, nog minderjarige kind: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] (roepnaam: [minderjarige] ); - Zij hebben daarnaast nog twee, inmiddels meerderjarige kinderen: [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ; [naam 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2006 te [geboorteplaats 2] ; - Bij beschikking van deze rechtbank van 16 november 2021 is – voor zover van belang – bepaald dat de man gehouden is om aan de vrouw ten behoeve van [minderjarige] en (de destijds minderjarige) [naam 2] een kinderalimentatie van € 50,- per maand te betalen; - Bij beschikking van het Gerechtshof Den Haag van 28 februari 2024 is – voor zover van belang –: de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige] ; de vader het recht op omgang gedurende één jaar ontzegd. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw luidt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 16 november 2021 – om met ingang van 13 november 2023, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, de kinderalimentatie op € 625,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans op zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de man zelfstandig verzocht: de door de man te betalen bijdrage aan kinderalimentatie op nihil te stellen, althans te verlagen; te bepalen of voor recht te verklaren dat over de periode tot de datum van de beschikking sprake is van rechtsverwerking ten aanzien van de kinderalimentatie, zodat de vrouw de tot aan de beschikking verschuldigde kinderalimentatie niet mag innen bij de man; een en ander met kosten rechtens. De vrouw heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Wijziging van omstandigheden Een rechterlijke beslissing met betrekking tot kinderalimentatie kan worden gewijzigd op de grond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor het aanvankelijk vastgestelde bedrag niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet (artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Het moet hierbij gaan om een wijziging van de omstandigheden, zoals die door de rechter op het moment van de beslissing is vastgesteld, dan wel van de omstandigheden waarvan partijen op dat moment zijn uitgegaan. Door beide partijen is gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De vrouw beroept zich erop dat de man inmiddels aanvullende inkomsten heeft uit zijn werk als ZZP’er en/of in de verhuisbranche, waardoor hij een hogere bijdrage aan kinderalimentatie kan voldoen dan € 50,- per maand. De man heeft zijnerzijds juist gesteld dat aan de zijde van de vrouw sprake is van een wijziging van omstandigheden. Naar zijn weten heeft de vrouw inkomsten uit een rijschool die ze met anderen runt en is zij daarnaast inmiddels gehuwd met haar nieuwe partner. Hierdoor is ook haar echtgenoot onderhoudsplichtig geworden jegens [minderjarige] , zodat de door de man te betalen kinderalimentatie op nihil gesteld moet worden. De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel partijen over en weer stellen dat het inkomen van de ander is toegenomen en/of dat zij naast hun uitkering extra inkomsten hebben, is hier aan beide zijden niet van gebleken. Partijen hebben ook nagelaten om deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de ander, te onderbouwen. Evenmin is gebleken dat de vrouw gehuwd is met haar huidige partner. Dit leidt ertoe dat geen sprake is van een wijziging van omstandigheden. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken afwijzen. Voor zover de vrouw nog heeft gesteld dat de meerderjarigheid van [naam 2] en het opschorten van de omgangsregeling ertoe leiden dat de man een hogere bijdrage voor [minderjarige] moet voldoen, geldt dat die wijzigingsgronden niet kunnen leiden tot een andere bijdrage aan kinderalimentatie, omdat er – mede gelet op het voorgaande – van uit moet worden gegaan dat de draagkracht van de man nog altijd minimaal is. Om ervoor te zorgen dat de vrouw de bijdrage kan innen via het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO), zal de rechtbank voor de volledigheid (opnieuw) in het dictum opnemen dat de (minimale) bijdrage van € 50,- die in 2021 is vastgesteld voor tezamen [naam 2] als [minderjarige] , betekent dat de man € 25,- per kind per maand verschuldigd is. Rechtsverwerking Door de man is daarnaast verzocht om vast te stellen dat over de periode 1 mei 2022 tot aan de datum van de beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie sprake is van rechtsverwerking. Een beroep op rechtsverwerking kan slechts slagen indien de schuldeiser (in dit geval de vrouw) zich op een zodanige wijze heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Hiervoor bestaat slechts in uitzonderlijke situatie ruimte, enkel tijdsverloop of stilzitten van de schuldeiser is onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij (in dit geval) bij de man het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de vrouw haar aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de man in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de vrouw haar aanspraak alsnog geldend zou maken. Naar oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van rechtsverwerking. Hoewel de vrouw de bijdragen van de man in 2022 diverse keren heeft teruggestort, mocht de man hieruit niet afleiden dat de vrouw geen aanspraak (meer) zou maken op kinderalimentatie. Dat de man (via zijn advocaat) om opheldering heeft gevraagd en een reactie van de vrouw is uitgebleven, leidt niet tot een andere conclusie. De vrouw is immers een procedure inzake alimentatie in [land] gestart om een hogere bijdrage te verkrijgen (hetgeen ook de reden was om de bedragen terug te storten, zo is op de zitting door de vrouw toegelicht). De man heeft verweer gevoerd in die procedure, zodat hij ermee bekend was dat de vrouw nog altijd een bijdrage aan kinderalimentatie wenste. Het verzoek van de man zal daarom worden afgewezen. Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank: stelt vast dat in de beschikking van 16 november 2021 is bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 16 november 2021 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen [naam 2] en [minderjarige] van € 50,- (dus € 25,- per kind per maand) zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 24 juli 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.