RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL23.27461 en NL24.11965 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaken tussen [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres (gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden), en de minister van Asiel en Migratie. Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiseres is het met deze besluiten niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. 1.
- De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiseres toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit aan haar heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop
- De minister heeft eiseres bij besluit van 30 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 september
- Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld (NL23.27461). Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL23.27462). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 30 augustus 2023 ingetrokken. Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres op 15 februari 2024 laten weten dat zij het beroep handhaaft. 2.
- Op 21 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin aan eiseres is meegedeeld dat de aan haar toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld (NL24.11965) en heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.14458). 2.
- Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek met zaaknummer NL23.27462 toegewezen en bepaald dat eiseres moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op haar van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. 2.
- Met de brief van 24 juli 2025 heeft de minister toegelicht dat aan eiseres geen vervangend terugkeerbesluit wordt opgelegd. Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken. 2.
- Op verzoek van de rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres op 21 oktober 2025, in reactie op het besluit van de minister van 3 oktober 2025, laten weten dat zij het beroep handhaaft. Eiseres wil graag een uitspraak op haar beroep ontvangen, omdat zij tot die tijd nog kan blijven werken. Zij trekt het beroep daarom niet in. 2.
- De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank Feiten en inleidende opmerkingen
- Eiseres komt uit Marokko. Zij had in Oekraïne een tijdelijk verblijfsrecht op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft zij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 31 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld. 3.
- De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 30 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart
- Bij brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiseres gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart
- Eiseres heeft haar beroep echter gehandhaafd. 3.
- De minister heeft op 21 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eisers met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiseres ook beroep ingesteld. 3.
- Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 en 25 april 2024 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij heeft besloten om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. 3.
- Bij brief van 3 oktober 2025 heeft de minister aan eiseres medegedeeld dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 is ingetrokken. Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
- De minister heeft het besluit van 30 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiseres toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2023 niet-ontvankelijk. Beroep tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024
- Het tegen het besluit van 30 augustus 2023 gehandhaafde beroep is naar het oordeel van de rechtbank ook gericht tegen het alsnog op 21 februari 2024 genomen terugkeerbesluit. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder overwogen dat dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 genomen terugkeerbesluit op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege bij de beoordeling van dat beroep moet worden betrokken. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel. Dit besluit van 21 februari 2024 heeft namelijk een gelijke strekking en is gebaseerd op dezelfde bevoegdheidsgrondslag en feitelijke grondslag als het eerdere besluit van 30 augustus 2023 en vertoont daarmee dus een onlosmakelijke samenhang. Die samenhang volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, waarin zowel op de verblijfsbeëindiging per 4 september 2023 als die per 4 maart 2024 wordt ingegaan. Verder heeft het besluit van 21 februari 2024 ook rechtsgevolg, omdat het de reikwijdte van het besluit van 30 augustus 2023, namelijk de datum waarop het rechtmatig verblijf van eiseres eindigt en vanaf wanneer een vertrekplicht ontstaat, wijzigt. Het tijdsverloop tussen het moment van intrekking (31 januari 2024) van het eerdere terugkeerbesluit en het vervangende terugkeerbesluit van 21 februari 2024 betekent niet dat artikel 6:19 van de Awb niet kan worden toegepast. Het aanmerken van het besluit van 21 februari 2024 als een 6:19-besluit dient ook de proceseconomie: de rechtszoekende kan zijn bezwaren tegen het nieuwe besluit in de al aanhangig gemaakte procedure naar voren brengen en hoeft dus ook geen afzonderlijk rechtsmiddel in te dienen. 5.
- De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit terugkeerbesluit van 21 februari
- De minister heeft dit prematuur genomen besluit, als gevolg van het arrest Kaduna en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ingetrokken en aan eiseres geen nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat zij toch een procesbelang heeft bij het tegen het besluit van 21 februari 2024 gerichte beroep. Het enkel handhaven van een beroep zodat zij, gelet op de bevriezingsmaatregel, de rechten horende bij tijdelijke bescherming kan blijven genieten, is daartoe onvoldoende. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Beroep met zaaknummer NL24.11965
- De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat het beroep met zaaknummer NL23.27461 tegen het besluit van 30 augustus 2023 ook betrekking heeft op het nadien genomen besluit van 21 februari 2024 (in zaaknummer NL24.11965). Het was dus niet nodig om tegen het besluit van 21 februari 2024 nog afzonderlijk beroep in te stellen. De rechtbank zal daarom geen uitspraak doen op dat beroep. Conclusie en gevolgen
- Het beroep tegen de besluiten van 30 augustus 2023 en 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk. 7.
- De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 bestaande uit een punt voor het beroep tegen het ingetrokken besluit van 30 augustus 2023 en een punt voor het ingetrokken besluit van 21 februari 2024, met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor 1 (gemiddeld). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het besluit van 30 augustus 2023 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.
- Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- ECLI:NL:RBDHA:2024:
- ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- HvJ 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna). ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:
- TK 2024-2025, 19637, nr.
- Rb. Den Haag, zp Amsterdam 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12445.