Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3130 Zaaknummer: C/09/684256 Datum beschikking: 14 augustus 2025 Voorziening in de voogdij Beschikking op het op 8 april 2025 ingekomen verzoekschrift van: [de pleegmoeder] , de pleegmoeder, tevens beoogd voogdes, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. S. Bhulai te ’s-Gravenhage. Als belanghebbenden wordt aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als informant wordt aangemerkt: [informant] , zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen of buiten Nederland. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift met bijlagen, onder meer bevattende een instemmingsverklaring van de vader van 10 februari 2025. Op 17 juli 2025 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk, J.W. de Man; [naam 1] , de cliëntondersteuner van de pleegmoeder; [naam 2] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De moeder en de vader zijn – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet op de zitting verschenen. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in raadkamer hun mening gegeven over het verzoek. Feiten - Uit de moeder zijn de volgende, nog minderjarige kinderen geboren: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1] ; - [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn erkend door de vader. - De moeder is van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] belast. - [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verblijven bij de pleegmoeder. Verzoek Het verzoek strekt ertoe de beoogd voogdes te belasten met de voogdij over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Beoordeling Wettelijk kader De pleegmoeder heeft haar verzoek gebaseerd op grond van artikel 1:299 in samenhang met artikel 1:295 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Deze artikelen zien echter op de situatie dat in het geheel niet in het gezag of de voogdij over de kinderen is voorzien. Daarvan is in dit geval geen sprake. Hoewel gebleken is dat de moeder haar gezag feitelijk al jarenlang niet uitoefent, is er wel degelijk in het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorzien. De rechtbank zal daarom de rechtsgronden aanvullen en ervan uitgaan dat de pleegmoeder haar verzoek baseert op artikel 1:253r in samenhang met artikel 1:253q BW. Op basis van deze artikelen kan een voogd over minderjarigen worden benoemd indien: de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om het gezag uit te oefenen; of het bestaan of de verblijfplaats van de ouders of één van hen die het gezag uitoefenen onbekend is. Inhoudelijke beoordeling Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, is de rechtbank het volgende gebleken De pleegmoeder is al sinds oktober 2016 nauw betrokken bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De moeder is sinds die tijd uit beeld. Zij is ook nu -hoewel behoorlijk opgeroepen- niet op de zitting verschenen. Sinds 5 juni 2023 wonen de kinderen bij de pleegmoeder. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noemen de pleegmoeder ‘mami’ en weten niet beter dan dat zij bij haar opgroeien. De moeder is al jarenlang niet betrokken bij de kinderen en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben geen beeld van haar. Zij geeft al lange tijd geen uitvoering aan haar gezag en informeert op geen enkele wijze naar de kinderen of hun ontwikkeling. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank haar niet in staat om nog langer het gezag over de kinderen uit te oefenen. De vader is wel in beeld, maar hij vervult geen verzorgende of opvoedende rol. Hij verblijft veelvuldig in het buitenland en is daarnaast ongeneeslijk ziek, zodat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen de belasting van de vader met het gezag over de minderjarigen. De rechtbank geeft daarbij wel mee dat beide kinderen hebben aangegeven dat zij het fijn zouden vinden om wat vaker contact te hebben met de vader. Hoewel het de pleegmoeder aanvankelijk met hulp van de cliëntondersteuner lukte om de meeste zaken voor de kinderen te regelen, loopt de zij inmiddels tegen steeds meer muren aan. De noodzakelijke beslissingen kunnen niet worden genomen en praktische zaken kunnen niet goed worden geregeld. Er moet daarom in de voogdij over de kinderen worden voorzien. Het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verzet zich niet tegen de verzochte voogdijbenoeming, hetgeen op de zitting ook is bevestigd door de Raad. De Raad heeft daarbij desgevraagd aangegeven dat zij een raadsonderzoek in dit geval niet noodzakelijk acht, althans dat het weinig toegevoegde waarde zal hebben, omdat de situatie zich al uitgekristalliseerd heeft. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Op grond van artikel 1:253r jo 1:253q lid 4 BW kan een verzoek op grond van voorgaande artikelen alleen worden gedaan op verzoek van een ouder, bloed- of aanverwanten van de minderjarigen, de Raad voor de Kinderbescherming, een gecertificeerde instelling of een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1:256 en 1:302 BW, of ambtshalve. Het verzoek kan dus formeel gezien niet door de pleegmoeder worden gedaan. Gelet op de specifieke omstandigheden van dit geval, ziet de rechtbank aanleiding om ambtshalve de pleegmoeder te benoemen tot voogdes over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . In het door haar ingediende verzoekschrift leest de rechtbank een bereidverklaring tot voogdij over de kinderen. Daarom zal als volgt worden beslist. Beslissing De rechtbank: benoemt tot (tijdelijk) voogdes: - [de pleegmoeder] , geboren op [geboortedatum 3] 1982 te [geboorteplaats 2] , [geboorteland] ; over de minderjarigen: [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] ; [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1] ; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 14 augustus 2025.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.