← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:22084

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.40530 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D. van Elp), en de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Kuster). Inleiding

  1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘nareis’. Bij het primaire besluit van 20 april 2023 heeft de minister de mvv- aanvraag van eiser afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij deze eerdere afwijzing gebleven. 1.
  2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.
  3. De minister heeft een verweerschrift ingediend. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, NL24.40531, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: dhr. [referent] als referent, mr. C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van eiser, J.A. Mati als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het bestreden besluit
  5. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2007 en is van Jemenitische nationaliteit. Eiser wenst verblijf in Nederland als het pleegkind van zijn meerderjarige neef, dhr. [referent] (referent). Referent is geboren op [geboortedatum 2] 1995, heeft de Jemenitische nationaliteit en beschikt sinds 2022 over een asielstatus in Nederland. De identiteit van eiser en referent en de familierechtelijke relatie tussen hen is met stukken aangetoond. 2.
  6. De minister heeft het bezwaar in het bestreden besluit afgewezen als ongegrond, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een pleegkindrelatie tussen referent en eiser. Daarbij is overwogen dat uit de verklaringen van de biologische ouders niet blijkt dat zij niet voor eiser kunnen of willen zorgen, dat referent pas laat melding heeft gemaakt van de gestelde pleegrelatie en dat ondersteunende documenten en bewijs ontbreken of onvoldoende overtuigen. Ook is het voogdijdocument pas na aankomst in Nederland verkregen en biedt dit, net als de overgelegde stukken, onvoldoende grond voor het aannemen van feitelijk of juridisch pleegouderschap. Daarnaast stelt de minister dat de gezondheidssituatie van referents dochter en de gestelde afhankelijk van eiser evenmin leiden tot een ander oordeel. De minister stelt verder dat geen belangenafweging in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) hoefde plaats te vinden, nu geen sprake is van een reguliere aanvraag maar van een nareisaanvraag, waarin artikel 8 van het EVRM niet ambtshalve wordt getoetst. Tot slot is de hoorplicht nagekomen door het stellen van schriftelijke vragen in bezwaar. Juridische kader
  7. Uit artikel 29, tweede en vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin van een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, mits voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) dient daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij de minister in te dienen. 3.
  8. Eén van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (het peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. Op grond van paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc betrekt de minister bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen referent en het gestelde pleegkind in ieder geval: - de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders; - de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent; - de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent; - in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en - of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen. Standpunt van eiser en de minister in beroep
  9. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat de minister ten onrechte geen pleegouder-pleegkindrelatie tussen hem en referent heeft aangenomen en daarmee geen feitelijk gezinsleven. Eiser stelt dat uit de verklaringen van de biologische ouders, de verklaring van hemzelf en het feit dat hij momenteel door referent financieel wordt ondersteund, blijkt dat referent feitelijk en juridisch verantwoordelijk is voor eiser. Ook wordt aangevoerd dat het niet noemen van eiser bij het eerste gehoor van referent tijdens de asielprocedure verklaarbaar is: referent begreep destijds niet dat specifiek naar deze relatie werd gevraagd. Tijdens het nader gehoor heeft hij hierover wel openheid van zaken gegeven. Verder is er een verklaring van overdracht van gezag door de ouders overgelegd en betwist eiser dat dit document zonder waarde is. Volgens eiser blijkt uit de omstandigheden dat referent feitelijk als zijn pleegvader optreedt. De minister heeft hiermee onvoldoende oog gehad voor de daadwerkelijke situatie en ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van een pleegkindrelatie in de zin van het nareisbeleid. 4.
  10. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om ambtshalve een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken. Hij verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 22 december 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4804), waarin de Afdeling heeft overwogen dat van deze ambtshalve toetsing alleen mag worden afgezien indien dit deugdelijk is gemotiveerd. Eiser vindt dat de minister dat niet heeft gedaan. Bovendien wordt aangevoerd dat referent ernstige zorgen heeft over de situatie van eiser in Jemen, met name nu diens verblijf bij de ouders van referent onzeker is. De broer van referent heeft namelijk een verzoek tot nareis van de ouders ingediend, zodat zij mogelijk naar Nederland zullen komen. De vrees is dat eiser alleen zal achterblijven in Jemen, wat des te meer maakt dat artikel 8 van het EVRM had moeten worden beoordeeld in de besluitvorming. 4.
  11. De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting gereageerd op de beroepsgronden en tot ongegrondverklaring van de beroepsgronden geconcludeerd. Het oordeel van de rechtbank
  12. De beroepsgronden die eiser heeft ingediend zien op een zevental onderdelen die door de minister zijn besproken in het bestreden besluit. De rechtbank zal deze onderdelen in haar beoordeling hierna bespreken in de volgorde zoals de minister deze in het bestreden besluit heeft gehanteerd. De duur en de reden van de opname van eiser in het gezin van referent 5.
  13. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat de opname van eiser in het gezin van referent niet heeft plaatsgevonden omdat de biologische ouders van eiser niet in staat of niet bereid waren om voor hem te zorgen. Uit het gehoor van de ouders van 9 maart 2023 blijkt dat eiser bij referent is gaan wonen omdat hij dit zelf wilde, toen zijn ouders besloten naar Saoedi-Arabië te verhuizen. Dit is de enige reden die is genoemd voor het verblijf bij referent. Uit niets blijkt dat de ouders op het peilmoment (21 augustus 2024) de verzorging of opvoeding niet langer konden of wilden uitoefenen waardoor eiser bij referent moest gaan wonen. Dit is van belang omdat bij de beoordeling van een pleegouder-pleegkindrelatie in het kader van het nareisbeleid doorslaggevend is of de ouders feitelijk de verantwoordelijk niet (meer) konden of wilden dragen en of referent deze verantwoordelijkheid op zich heeft genomen. Dat eiser stelt dat in zulke gevallen de mening van het kind centraal zouden moeten staan, of dat bij twijfel de belangen van het kind zwaarder moeten meewegen, volgt de rechtbank niet. Het beleid voorziet niet in een afweging bij twijfel, zoals door eiser is betoogd. De verklaringen van eiser en zijn ouders die in de beroepsfase zijn overgelegd dateren van ná het peilmoment en zijn daarom terecht door de minister buiten beschouwing gelaten. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft geconcludeerd dat uit de duur en de reden van opname van eiser bij referent niet volgt dat sprake is van een pleegouder-pleegkindrelatie als bedoeld in het beleid. In hoeverre de biologische ouders van eiser in staat zijn voor hem te zorgen 5.
  14. Ook ten aanzien van de feitelijke zorgcapaciteit van de ouders heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat onvoldoende is gebleken dat zij op het peilmoment niet in staat waren om voor eiser te zorgen. De stelling dat referent financieel verantwoordelijk voor eiser was en zijn studiegeld betaalde, is niet voldoende om te concluderen dat de ouders niet in staat of niet bereid waren zorg te dragen voor eiser. In het gehoor van 9 maart 2023 heeft de moeder van eiser immers verklaard dat zij in staat zou zijn om opnieuw voor eiser te zorgen als hij zou terugkeren. Eiser heeft ervoor gekozen bij referent te verblijven; dit gebeurde niet omdat zijn ouders niet in staat waren om voor hem te zorgen. De keuze van eiser om niet mee te gaan naar Saoedi-Arabië en bij referent te blijven, weerspiegelt niet een onvermogen van de ouders, maar een persoonlijke voorkeur van eiser. De verklaring dat eiser niet mee kon naar Saoedi-Arabië vanwege het ontbreken van registratie, betekent op zichzelf nog niet dat de ouders hun verantwoordelijkheid niet wilden of konden dragen. Het in het beroep overgelegde familieboekje is pas ná het peilmoment ingebracht en kan, zoals de minister terecht heeft gesteld, niet worden betrokken bij de beoordeling van de situatie ten tijde van de aanvraag. In hoeverre de biologische ouders van eiser betrokken zijn gebleven bij de opvoeding 5.
  15. Zoals al is overwogen in 5.1 en 5.2 is heeft de minister terecht geconcludeerd dat niet is gebleken dat de ouders hun verantwoordelijkheid ten aanzien van eiser niet wilden of konden uitvoeren. Integendeel, uit het gehoor van 9 maart 2023 geeft de moeder van eiser aan dat zij regelmatig met hem belt, met hem spreekt over persoonlijke onderwerpen en zich uitspreekt over haar wens dat hij bij haar komt wonen. Dat eiser iets anders wil dan zijn ouders, betekent niet dat zij niet langer betrokken zijn bij zijn opvoeding. Gezien het voorgaande heeft de minister terecht overwogen dat er wel degelijk blijk van betrokkenheid is van de ouders bij de opvoeding van eiser. Of referent de voogdij van eiser heeft gekregen 5.
  16. De minister heeft zich voorts op het standpunt mogen stellen dat referent op het peilmoment niet over de voogdij van eiser beschikte, formeel, noch feitelijk. De overgelegde voogdijverklaring, gedateerd op 6 december 2022 en geldig tot 26 november 2023, is pas opgesteld nadat referent al naar Nederland was vertrokken. Daarmee ziet deze verklaring op een periode waarin referent niet meer in Jemen verbleef. De minister heeft dan ook terecht geoordeeld dat dit stuk geen relevante informatie bevat over de situatie op het peilmoment. Daarbij komt dat de geldigheidsduur inmiddels is verstreken en dat er geen ander document is overgelegd waaruit blijkt dat referent voorafgaand aan zijn vertrek (formeel) met het gezag over eiser was belast. De minister heeft in dit verband mogen betrekken dat er geen advies kon worden uitgebracht over de voogdijverklaring door Bureau Documenten. Voor zover eiser stelt dat dit gebrek aan onderzoek met zich brengt dat dan moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie, heeft de minister dit standpunt naast zich mogen neerleggen. Ook uit de feitelijke omstandigheden heeft de minister mogen overwegen dat niet volgt dat referent ten tijde van het peilmoment als voogd van eiser optrad. De rechtbank verwijst hiervoor ook naar hetgeen al is overwogen onder 5.1 t/m 5.
  17. Dat Bureau Documenten de verklaring niet heeft kunnen beoordelen, maakt dat niet anders. De beoordeling van de pleegsituatie 5.
  18. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een pleegouder- pleegkindrelatie als bedoeld in het beleid. Daarbij weegt de rechtbank mee dat referent tijdens het eerste gehoor in zijn asielprocedure geen melding heeft gemaakt van eiser, terwijl er wel expliciet naar familieleden, waaronder pleegkinderen, is gevraagd. Eiser is pas ter sprake gekomen in het nader gehoor. De minister overweegt terecht dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde pleegrelatie en de reden waarom eiser bij referent verbleef. Belangenafweging (artikel 8 van het EVRM) 5.
  19. Uit de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 22 december 2023 volgt dat in een nareisaanvraag, vanwege de gestelde familiebanden tussen een referent en een vreemdeling, altijd een impliciet beroep op artikel 8 van het EVRM besloten ligt. Daarom moet de minister in een nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij in die zaak geen gebruik maakt van zijn ambtshalve bevoegdheid om aan artikel 8 van het EVRM te toetsen. 5.
  20. Voor zover er al sprake zou zijn van familieleven, is de rechtbank in het licht van deze uitspraak van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM heeft getoetst. Ter zitting heeft de minister erop gewezen dat de motivering in lijn is met de daaraan te stellen eisen zoals neergelegd in het beleid, doelend op het informatiebericht dat naar aanleiding van de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling is opgesteld. In lijn met dit informatiebericht heeft verweerder geen ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM uitgevoerd, omdat eiser niet aan de voorwaarden van nareis voldoet. Er is namelijk niet aannemelijk gemaakt dat eiser op het peilmoment feitelijk tot het gezin van referent behoorde. Verder mocht de minister daarbij betrekken dat voor de nareisprocedure geen leges hoeven te worden betaald en dat deze procedure snel moet zijn, terwijl de reguliere artikel 8 van het EVRM procedure meer tijd en capaciteit kost en daarvoor leges betaald moet worden. Nu er sprake is van grote achterstanden in de nareiszaken wil de minister voorkomen dat nareizigers nog langer moeten wachten op een besluit, omdat het doortoetsen aan artikel 8 van het EVRM veel tijd en capaciteit kost. Tenslotte mocht de minister aan eiser tegenwerpen dat het recht op gezinshereniging in de praktijk niet moeilijk of onmogelijk is gemaakt, zoals eiser stelt, omdat eiser een aparte reguliere aanvraag kan indienen. Deze rechtbank heeft dit al eerder overwogen in haar uitspraak van 21 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1246). Bijzondere omstandigheden (artikel 4:84 van de Awb) 5.
  21. De rechtbank is voorts van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit verband heeft eiser gewezen op het verzoek om nareis van de ouders van referent, dat de broer van referent heeft gedaan. Als dat wordt toegewezen, zou eiser niet langer bij hen kunnen verblijven. De rechtbank is echter met de minister van oordeel dat de eventuele komst van de ouders van referent naar Nederland op het moment van de besluitvorming niet vaststond en ook niet voorzienbaar was. Het is dan ook een toekomstige, onzekere gebeurtenis. De rechtbank is van oordeel dat als die situatie zich al zou voordoen, dat niet zonder meer leidt tot de conclusie dat eiser op grond daarvan in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op basis van nareis. Immers, de vraag is in dat geval hoe de situatie dan zou zijn en of dat maakt of er sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden dat eiser een geslaagd beroep op artikel 4:84 van de Awb kan doen. Het betoog faalt dan ook. Conclusie en gevolgen
  22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister op goede gronden het bezwaar ongegrond heeft mogen verklaren en eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 juli 2025 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.