← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:22088

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.28256 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. W.C. Boelens), en de Minister van Asiel en Migratiei, verweerder (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel). Procesverloop Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 20 juni 2024 over het weigeren van een verblijfsrecht voor een tijdelijk humanitair verblijfsdoel (het bestreden besluit). De minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Inleiding

  1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1969 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sinds 1998 in Nederland. Hij heeft een Nederlandse partner en twee minderjarige Nederlandse kinderen.
  2. Sinds 1998 heeft eiser verschillende procedures bij de IND doorlopen. In september 1998 heeft hij zijn eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 26 juli 2001 afgewezen. In dit besluit is aan eiser artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen, omdat eiser in de periode van 1987 tot 1992 als beroepsofficier in Afghanistan deel uitmaakte van de KhAD/WAD. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft in de uitspraak van 9 april 2004 geoordeeld dat aan eiser terecht artikel 1F is tegengeworpen. Wel heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, omdat de minister niet had getoetst of artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich tegen de uitzetting van eiser verzette. Eiser heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij besluit van 28 maart 2006 is de aanvraag opnieuw afgewezen en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser dient terug te keren naar Afghanistan. Daarnaast werd eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij uitspraak van 26 januari 2007 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 12 februari 2008 heeft de minister het bezwaar van eiser tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard. Op 28 augustus 2012 heeft de minister voormeld besluit ingetrokken, de ongewenstverklaring opgeheven en aan eiser een inreisverbod van tien jaar opgelegd. Daarbij is overwogen dat eiser sinds 10 december 2007 aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich wegens zijn geloofsafvalligheid verzet tegen uitzetting naar Afghanistan. Dit staat in rechte vast. Bij uitspraak van 24 december 2013 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van eiser tegen het inreisverbod ongegrond verklaard. In de uitspraak van 24 juni 2014 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.
  3. Op 8 mei 2017 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij tijdens zijn eerste asielaanvraag heeft gelogen over zijn werkzaamheden bij de KhAD/WAD. Volgens eiser was hij slechts een eenvoudig soldaat en kon hem dus niet artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag worden tegengeworpen. De minister heeft deze aanvraag in een besluit van 8 september 2017 afgewezen, omdat eisers gewijzigde asielrelaas niet geloofwaardig werd bevonden. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2020 in rechte vast komen te staan.
  4. Eiser heeft daarna op 19 april 2021 verzocht om opheffing van het voor hem geldende inreisverbod en een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER met een beroep op het arrest Chavez-Vilchezii, voor verblijf bij zijn minderjarige kinderen. Bij besluit van 9 juni 2022 is deze aanvraag en het verzoek tot opheffing van het inreisverbod afgewezen. Bij het besluit op het bezwaar van 2 februari 2023 heeft de minister overwogen dat eiser (in beginsel) voldoet aan de voorwaarden voor verblijf op grond van het Chavez-Vilchez en het daarop gebaseerde beleid van de minister in paragraaf B10/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), maar desondanks niet voor de afgifte van het verblijfsdocument in aanmerking komt vanwege de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Op 9 oktober 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het beroep van eiser ongegrond verklaard. Er is daarna hoger beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening bij de Afdeling. De voorlopige voorziening is op 15 december 2023 afgewezen. Het hoger beroep loopt nog. Het bestreden besluit
  5. Bij aanvraag van 20 november 2023 heeft eiser gevraagd om een reguliere verblijfsvergunning voor een tijdelijk humanitair verblijfsdoel, te weten het buitenschuld niet kunnen vertrekken zoals bedoeld in artikel 3.48, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
  6. Bij het bestreden besluit van 20 juni 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser op grond van zijn 1F-status een gevaar vormt voor de openbare orde, als bedoeld in artikel 16, eerste lid en onder d, van de Vw. Volgens de minister hoeft in het kader van deze reguliere aanvraag geen duurzaamheids- en proportionaliteitstoets (D&P-toets) op grond van paragraaf C2/7.10.7.6 van de Vc te worden uitgevoerd, nu die toets alleen wordt toegepast binnen de asielprocedure. Verder stelt de minister dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, zodat er geen aanleiding bestaat voor een inhoudelijke beoordeling van de opheffing van het inreisverbod. Duurzaamheids- en proportionaliteitstoets (D&P-toets)
  7. De rechtbank oordeelt als volgt. Volgens eiser volgt uit artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn, in samenhang met artikel 13 en 14 van de Vw en artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de minister gehouden is een Unierechtelijke en nationaalrechtelijke effectiviteits- en proportionaliteitstoets uit voeren, welke is geïmplementeerd in nationaal recht via de D&P- toets. Eiser meent dat de minister ten onrechte heeft nagelaten deze D&P-toets uit te voeren in de onderhavige procedure. De enkele verwijzing van de minister naar de asielprocedure acht eiser in dit geval onvoldoende, nu vaststaat dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar Afghanistan en de minister daarom geen aparte beoordeling meer hoeft te verrichten alvorens tot de D&P-toets over te gaan.
  8. De minister heeft de bevoegdheid om op aanvraag een verblijfsvergunning regulier voor een bepaalde tijd te verlenen met als verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’.iii Een dergelijke aanvraag kan worden afgewezen als de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde is.iv De minister heeft in dit geval van die bevoegdheid gebruik kunnen maken vanwege het bestaan van ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Dit is immers in rechte vast komen te staan in de eerder doorlopen asielprocedure. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van eiser niet is gebleken van andere bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan, bij afweging van alle betrokken belangen, aanleiding bestaat de aanvraag toch in te willigen.
  9. De minister verleent daarnaast in voorkomend geval ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ aan een vreemdeling wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen.v De beoordeling hiervan vindt plaats in het kader van de asielprocedure, nadat is vastgesteld dat artikel 1F aan de vreemdeling wordt tegengeworpen. In de door partijen aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2011vi leest de rechtbank dat de Afdeling heeft bevestigd dat de minister bevoegd is om de D&P-toets ook in de reguliere procedure toe te passen, maar dat de minister er beleidsmatig voor heeft gekozen deze toets uitsluitend uit te voeren binnen de asielprocedure. De minister is dus niet verplicht om deze toets ook in andere procedures toe te passen.
  10. De rechtbank stelt vast dat het in deze procedure een reguliere aanvraag betreft en geen asielaanvraag. Gelet op de Afdelingsuitspraak van 15 juli 2011 en zijn beleid is de minister niet gehouden om de D&P-toets uit te voeren binnen een reguliere procedure. Dat eiser het onwenselijk acht een nieuwe asielaanvraag in te dienen om die toets alsnog te laten plaatsvinden, maakt dat niet anders. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de minister in dit geval gehouden was om, in afwijking van het geldende beleid, de D&P-toets toe te passen binnen deze reguliere procedure. De beroepsgrond slaagt niet. Verzoek om opheffing van het inreisverbod
  11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om het aan hem opgelegde inreisverbod op te heffen, nu uitzetting naar Afghanistan duurzaam onmogelijk is. Eiser beroept zich in dit verband op het arrest AA van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 6 juli 2023vii, waarin volgens hem is bepaald dat geen terugkeerbesluit mag worden gehandhaafd indien terugkeer naar het land van bestemming in strijd zou zijn met het non-refoulementsbeginsel. Daardoor kan volgens eiser in het inreisverbod ook niet in stand worden gehouden. Daarnaast stelt eiser dat de minister heeft nagelaten een geactualiseerd terugkeerbesluit te nemen, waarin een alternatief land van bestemming is opgenomen. Ter zitting verwijst eiser in dit kader naar het arrest Ararat van het Hof van 17 oktober 2024.viii
  12. De rechtbank stelt vast dat in deze procedure het verzoek tot opheffing van het aan eiser opgelegde inreisverbod ter beoordeling voorligt. Voor zover eiser aanvoert dat het terugkeerbesluit van 28 maart 2006 onrechtmatig is, of dat dit had moeten worden geactualiseerd met een alternatief land van bestemming, geldt dat dit besluit al geruime tijd in rechte vaststaat. Een verzoekt tot heroverweging of intrekking van dat terugkeerbesluit dient via een afzonderlijke procedure te worden ingediend en valt buiten de reikwijdte van deze procedure, waarin uitsluitend het inreisverbod aan de orde is. De door eiser aangehaalde arresten van het Hof zien op situaties waarin een terugkeerbesluit nog moet worden vastgesteld. De minister heeft ter zitting terecht overwogen dat er geen (nieuwe) vaststelling van een terugkeerbesluit plaatsvindt bij een verzoek tot opheffing van het inreisverbod. Om die reden zijn de aangehaalde arresten van het Hof dan ook niet van toepassing op eiser in deze procedure.
  13. De rechtbank is van oordeel dat de minister het verzoek van eiser tot opheffing van het inreisverbod terecht heeft afgewezen. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden ten opzichte van het eerdere verzoek tot opheffing van hetzelfde inreisverbod in
  14. Daarbij komt dat het eerdere opheffingsverzoek met betrekking tot ditzelfde inreisverbod op dit moment nog aanhangig is in hoger beroep bij de Afdeling. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van eiser inhoudelijk te beoordelen. De minister heeft het verzoek dan ook mogen afwijzen. Conclusie en gevolgen
  15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 08 augustus 2025 Documentcode: [Documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. i Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister. ii ECLI:EU:C:2017:
  16. iii Artikel 14, eerste lid, onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 3.4, eerste lid van de Vb. iv Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, in samenhang met artikel 3.77, eerste lid, van de Vb. v Artikel 14, eerste lid, onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 3.6b, onder a, en artikel 3.48, tweede lid, onder b, van de Vb en artikel 3.24aa, eerste lid, onder e, van het Vreemdelingen Voorschrift
  17. vi ECLI:NL:RVS:2011:BR3776, r.o. 2.4.3 t/m 2.4.
  18. vii ECLI:NL:EU:C:2023:
  19. viii ECLI:EU:C:2024:892.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.