← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:22149

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: AWB 25/18528 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R.M. Vaalburg), en het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder (gemachtigde: mr. L.A. van Els – van den Berg). Inleiding

  1. Verzoeker heeft de Pakistaanse nationaliteit en aan hem is een asielvergunning voor bepaalde tijd verleend welke tot 6 mei 2029 geldig is. Op 29 augustus 2015 is verzoeker in het [locatie] medegedeeld dat opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) zullen worden beëindigd omdat aan verzoeker een verblijfsstatus is toegekend en verzoeker daarom definitief bij zijn (toenmalige) partner zou worden gehuisvest. Verzoeker is daarbij een termijn verleend tot 9 september 2025 om datgene wat in verband met deze huisvesting noodzakelijk was te regelen. Vervolgens is verzoeker op 10 september 2025 door verweerder uitgeschreven en zijn opvang en verstrekkingen aan verzoeker beëindigd. 1.
  2. Verzoeker kan zich niet met deze beëindiging van opvang en verstrekkingen verenigen en heeft tegen deze feitelijke handeling op 19 september 2025 bezwaar gemaakt op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoeker kan – anders dan verweerder meent – niet bij zijn partner gaan wonen nu deze de relatie met eiser (inmiddels) heeft verbroken. Verzoeker is feitelijk dakloos geraakt en verzoekt daarom bij wijze van voorlopige voorziening om terugplaatsing in een [locatie] . 1.
  3. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen als het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is, omdat het bezwaar van verzoeker niet gericht is tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel komt. Overwegingen Is het bezwaar gericht tegen een appellabel besluit?
  5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de aanzegging van beëindiging van opvang en verstrekkingen op grond van de Rva 2005 niet in een beëindigingsbesluit opvang heeft neergelegd. Dit betekent dat op grond van vaste rechtspraak dat de uitschrijving van verzoeker per 10 september 2025 niet op rechtsgevolg is gericht. Een besluit, waarbij aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend heeft, gelet op artikel 44, eerste lid, van de Vw, de beëindiging van de verstrekkingen van rechtswege tot gevolg. Dat rechtsgevolg treedt, gelet op die bepaling, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva 2005, in op de dag waarop naar het oordeel van verweerder passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. Met de aanzegging heeft verweerder aan verzoeker uitsluitend mededeling gedaan van de, uit het besluit van de Minister van Asiel en Migratie van 5 augustus 2025 voortvloeiende, van rechtswege ingetreden of intredende gevolgen. Dat verweerder aan verzoeker heeft meegedeeld dat huisvesting bij zijn (toenmalige) partner door verweerder en de gemeente [plaats] passend wordt geacht, brengt niet mee dat nieuwe rechtsgevolgen in het leven zijn geroepen. Met het beschikbaar zijn van die, naar het oordeel van verweerder passende, huisvesting op de datum van de vergunningverlening, namelijk 5 augustus 2025, is voor verzoeker de aanspraak op verstrekkingen van rechtswege geëindigd.
  6. Voor zover de vreemdeling in de periode van 5 augustus 2025 tot 10 september 2025 verstrekkingen heeft gehad, moeten die verstrekkingen als buitenwettelijk en onverplicht worden beschouwd. Verweerder was daarom niet gehouden de beëindiging daarvan in een besluit neer te leggen. Nu verweerder in hiervoor genoemde periode geen verantwoordelijkheid meer had voor de opvang en bemiddeling van verzoeker naar passende huisvesting, komt aan dit enkele tijdsverloop geen beslissende betekenis toe. Dit geldt, anders dan verzoeker betoogt, ook voor de veranderde omstandigheid dat de relatie van verzoeker in september 2025 feitelijk is verbroken. In die tijd viel de vreemdeling voor de bemiddeling naar huisvesting al onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit leidt tot de slotsom dat de aanzegging geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
  7. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de aanzegging evenmin een rechtens relevante handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa inhoudt. Voor zover de aanzegging over het verlaten van de centrale opvanglocatie gaat, strekt deze louter tot uitvoering van de onder
  8. en
  9. genoemde rechtsgevolgen. Daarom is de aanzegging in zoverre slechts een informatieve mededeling over de mogelijkheden van passende huisvesting na het verblijf in de centrale opvanglocatie. Voor zover de aanzegging moet worden opgevat als een aankondiging van een ontruimingsprocedure, heeft deze een civielrechtelijk karakter. Conclusie en gevolgen
  10. Omdat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, is er geen bezwaar waarmee het verzoek om voorlopige voorziening samenhangt. Nu deze connexiteit ontbreekt, zal het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M.A.F.C. Lienaerts, griffier, op 23 september
  11. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) 28 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5528.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.