Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 23-7114 (echtscheiding), FA RK 24-2969 (verdeling) Zaaknummer: C/09/654601 (echtscheiding), C/09/665237 (verdeling) Datum beschikking: 22 augustus 2025 Nevenvoorzieningen bij echtscheiding Beschikking op het op 28 september 2023 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. K. van Doorn te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. Ramsaroep te Den Haag (voorheen: mr. R.G. Jagesar). Procedure Bij beschikking van 3 april 2025 van deze rechtbank is: de echtscheiding uitgesproken tussen partijen, gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] ; de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man bepaald; een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] twee uur per week onder begeleiding fysiek contact heeft met de vrouw; bepaald dat de vrouw binnen zeven dagen het schoolboekje, het boekje van het consultatiebureau, de bibliotheekpas en de [gemeente-pas] van [minderjarige] moet afgeven aan de man; het verzoek van de vrouw met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning afgewezen; iedere verdere beslissing aangehouden inzake de verzoeken ten aanzien van: de definitieve zorgregeling; de afgifte van de sleutels; de kinderalimentatie en de kinderbijslag; de partneralimentatie; het toezenden van de bankafschriften; de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, en de overige vergoedingsrechten, en is aan de vrouw de gelegenheid gegeven om zich uit te laten over voornoemde verzoeken. De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook: het F9-bericht van de man van 29 juli 2025, met bijlagen; het F9-bericht van de vrouw van 29 juli 2025, met bijlagen; het F9-bericht van de vrouw van 30 juli 2025, met bijlagen; het F9-bericht van de man van 31 juli 2025, met bijlagen. Op 8 augustus 2025 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming; [naam 2] namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (de gecertificeerde instelling). Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen: het F9-formulier van de vrouw van 11 augustus 2025, met bijlagen; het F9-formulier van de vrouw van 12 augustus 2025, met bijlagen; de F9-formulieren van de man van 12 augustus 2025, met bijlagen. Aanvullende verzoeken De vrouw heeft aanvullend verzocht een passende onbegeleide zorgregeling vast te stellen. De man heeft gewijzigd/aanvullend verzocht: te bepalen dat de minderjarige per week twee uur fysiek contact onder begeleiding met de vrouw heeft, dan wel een zorg- en contactregeling vast te stellen die de rechtbank juist acht; de vrouw te veroordelen om uiterlijk 1 september 2025, althans binnen twee weken na de verdelingsbeschikking, de genoemde inboedelgoederen onder randnummer 77 op één vooraf afgesproken datum op te halen waarbij minimaal één andere persoon aanwezig zal zijn en de verdeling van de verdere tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen als genoemd onder randnummers 63 tot en met 81 van het aanvullend verzoekschrift, althans een verdeling c.q. regeling vast te stellen die de rechtbank juist acht; de vrouw te veroordelen om binnen een termijn van zeven dagen na de echtscheidingsbeschikking de bankafschriften van alle op haar naam staande bankrekening op de peildatum aan de man toe te zenden, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling en een dwangsom die de rechtbank juist acht vast te stellen; de vrouw te veroordelen om binnen een termijn van zeven dagen na de echtscheidingsbeschikking een berekening van de waarde van de onderneming op de peildatum aan de man te overleggen met alle relevante onderliggende bewijsstukken, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat zij in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,-, althans een regeling en een dwangsom die de rechtbank juist acht vast te stellen; te bepalen dat de vrouw binnen twee weken na de verdelingsbeschikking haar medewerking verleent aan de beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering bij de Goudse Levensverzekering met het polisnummer [nummer 1] , bij gebreke waarvan deze beschikking (ex artikel 3:300 BW) in de plaats zal treden van de vereiste medewerking, toestemming, wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw, althans een regeling die de rechtbank juist acht vast te stellen. Beoordeling De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist. I. Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken In de voornoemde beschikking van 3 april 2025 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij [minderjarige] steeds twee uur per week contact heeft met de vrouw, onder begeleiding van “ [zorginstelling] ”. Uit de recent overgelegde stukken en de verklaring van de (vervangende) jeugdbeschermer op de zitting leidt de rechtbank af dat de situatie vrijwel onveranderd is ten opzichte van deze uitspraak. Het begeleid contact tussen de vrouw en [minderjarige] verloopt beter, maar er blijven zorgen bestaan. De vrouw houdt zich regelmatig niet aan veiligheidsafspraken en feedback wordt door de vrouw beperkt opgepakt. De gecertificeerde instelling heeft daarnaast ook zorgen over de visie van de vrouw, nu de vrouw onder meer blijft aandringen op een vakantie met [minderjarige] naar [land] (onder schooltijd van [minderjarige] ), terwijl dat niet in het belang van [minderjarige] is. De gecertificeerde instelling – en met haar de man – is daarom van mening dat de voorlopige zorgregeling zoals deze is vastgesteld in de beschikking van 3 april 2025 voortgezet moet worden. De vrouw kan zich hierin niet vinden. Zij heeft het gevoel dat zij door een eenmalig incident, waarbij ze verward op straat is aangetroffen, onder een vergrootglas is komen te liggen en sindsdien zij ten onrechte wordt gediskwalificeerd als moeder. Uit het door haar overgelegde verslag van de psycholoog volgt dat er geen enkele indicatie is dat er bij de vrouw sprake is van psychotische verschijnselen. De vrouw heeft inmiddels haar leven op de rit (waaronder ook een eigen woning) en wenst daarom een ‘gewone’ zorgregeling met haar dochter, zonder begeleiding. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de onmacht die vrouw op dit moment lijkt te ervaren rondom het contact met [minderjarige] en het toezicht dat hierop plaatsvindt, ziet de rechtbank ook dat de zorgen onveranderd zijn. Zoals ook uit de stukken volgt, houdt de vrouw zich niet aan (veiligheids-)afspraken en blijft ze voorstellen doen die op dit moment duidelijk niet haalbaar zijn en naar het oordeel van de rechtbank ook niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank is daarom van oordeel dat het contact (voor
- nu)onder begeleiding moet blijven plaatsvinden. Aangezien de duur van het contactmoment recent is uitgebreid naar drie uur (in verband met het inhalen van gemiste contactmomenten tijdens de vakantie van [minderjarige] ) en niet is gebleken dat dit niet naar behoren verloopt, zal de rechtbank bepalen dat het contact in de komende tijd steeds voor drie uur plaatsvindt, onder begeleiding. Daarbij benadrukt de rechtbank dat het uiteindelijke doel is om toe te werken naar een onbegeleide zorgregeling, waarbij [minderjarige] - op onbelaste wijze - regelmatig contact heeft met haar beide ouders. De rechtbank zal de regie voor de uitbreiding van de zorgregeling en de vraag wanneer ruimte bestaat voor onbegeleid contact neerleggen bij de gecertificeerde instelling die betrokken is in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank wil daarbij echter wel een vinger aan de pols houden. Zij zal iedere verdere beslissing omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken daarom (opnieuw) aanhouden. Daarbij verdient het de voorkeur om dit te zijner tijd tegelijkertijd te behandelen met een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het verzoek zal daarom worden aangehouden tot 1 november 2025, zodat eventueel een gecombineerde behandeling kan plaatsvinden. Naast de fysieke contactmomenten zal de rechtbank ook vastleggen dat de vrouw voorlopig twee keer per week (video)belt met [minderjarige] , zoals nu ook het geval is. Daarbij geldt wel dat dit belcontact enkel tussen de vrouw en [minderjarige] zal zijn, en de vrouw geen andere familieleden of bekenden hierbij zal betrekken, conform de veiligheidsafspraak. Alimentatie en kinderbijslag Het is partijen gelukt om op de zitting overeenstemming te bereiken over de kinder- en partneralimentatie. Zij hebben in dat kader de over en weer gedane verzoeken tot kinderalimentatie ingetrokken, zodat de rechtbank hierop niet meer hoeft te beslissen. Ten aanzien van de partneralimentatie hebben partijen afgesproken dat de man aan de vrouw de in de procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen van 17 mei 2024 vastgesteld bijdrage zal blijven voldoen. Geïndexeerd naar 2025 is dit een bedrag van € 150,- per maand. De rechtbank zal deze overeenstemming vastleggen en het anders of meer verzochte afwijzen. Tot slot zijn partijen overeengekomen dat de vrouw de door haar ontvangen kinderbijslag over de periode oktober 2023 tot april 2024 en de kinder- en partneralimentatie over de periode maart tot en met mei 2024 niet aan de man hoeft (terug) te betalen. De rechtbank beschouwt daarom de verzoeken van de man hiertoe als ingetrokken en zal daar niet meer op beslissen. Afwikkeling huwelijksgoederenregime Beperkte gemeenschap van goederen Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2019 te [plaats] . Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben opgemaakt. Zij zijn na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond. De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen. Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 28 september 2023, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Overeenstemming Partijen zijn erin geslaagd om gedurende de zitting overeenstemming te bereiken over de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime, met dien verstande dat de man zijn verzoek ten aanzien van de inzage in de bankafschriften van alle op naam van de vrouw staande bankrekening op de peildatum, op last van een dwangsom, nog wel heeft gehandhaafd. Partijen zijn daarbij ten aanzien van de verdeling en de vergoedingsrechten van de man het volgende overeengekomen. a. De echtelijke woning De man zal in de gelegenheid worden gesteld om de echtelijke woning over te nemen. Zij hebben daarbij afgesproken dat de man uiterlijk 11 augustus 2025 drie taxateurs zal uitkiezen en aan de vrouw zal voorleggen. De vrouw zal vervolgens binnen een week (dus uiterlijk 18 augustus) uit de drie opties één taxateur kiezen. Na de taxatie zal de man drie maanden in de gelegenheid worden gesteld om de woning over te nemen. Lukt dat niet, dan zal de woning worden verkocht aan een derde. Op het moment dat de woning wordt geleverd bij de notaris – aan de man of aan een derde – dan zal de vrouw alle sleutels van de woning overhandigen. De man zal daarbij de kosten van de taxatie en de notariskosten op zich nemen. De rechtbank zal, conform de wens van partijen, de wijze van verdeling van de woning vaststellen conform het in het dictum vermelde ‘spoorboekje’. Nu partijen een afspraak hebben gemaakt over de afgifte van de sleutels, heeft de man geen belang meer bij zijn verzoek hierover. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. De inboedel Partijen zullen de inboedel van de echtelijke woning in onderling overleg verdelen. Zij hebben daarbij afgesproken dat ze een datum zullen kiezen, waarop de verdeling feitelijk zal gaan plaatsvinden in de echtelijke woning, in aanwezigheid van één of twee andere personen per partij. De rechtbank zal dit vastleggen en het meer of anders verzochte afwijzen. De onderneming van de vrouw Inzake de onderneming van de vrouw hebben partijen afgesproken dat de activa uit de onderneming zullen worden toebedeeld aan de vrouw voor een waarde van € 5.500,-. De vrouw betaalt de helft hiervan (€ 2.750,-) aan de man. Tot de activa behoren de naaimachines, de stoffen en de overige voorraad en de kleding. Daarnaast zal de helft van het banksaldo van de zakelijke bankrekening bij KNAB met rekeningnummer [rekeningnummer 1] op de peildatum aan elk van partijen toekomen. Uit de door de vrouw na de zitting overgelegde stukken volgt dat dit saldo op de peildatum € 9.450,- bedroeg. De bankrekening is inmiddels opgeheven, maar de vrouw zal de helft van het saldo op de peildatum aan de man voldoen, aldus een bedrag van € 4.725,-. Deze afspraak zal worden opgenomen in het dictum. Met het bereiken van de overeenstemming over de onderneming, heeft de man niet langer een belang bij zijn verzoek om inzage in de waarde daarvan. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen. De auto Partijen zijn overeengekomen dat de auto (een Toyota met kenteken [kenteken] ) zal worden toebedeeld aan de vrouw, een en ander zonder nadere verrekening. De rechtbank zal dit vastleggen. De bankrekeningen Partijen zijn overeengekomen dat de saldi op de peildatum van de op naam van partijen of één van hen gestelde bankrekeningen – na vermindering met een eventueel saldo van die rekening bij de aanvang van het huwelijk – bij helfte zullen worden gedeeld. Met de man is de rechtbank van oordeel dat daarbij het beginsaldo op de peildatum als uitgangspunt heeft te gelden en niet het eindsaldo, zoals door de vrouw is aangegeven. Dit betreffen de volgende bankrekeningen op naam van de man: bankrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 2] , waarvan het (afgerond) saldo bij de aanvang van het huwelijk € 441,- bedroeg en op de peildatum € 7.261,-; bankrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 3] , die bij de aanvang van het huwelijk nog niet bestond en waarvan het saldo op de peildatum € 0,56 bedroeg; bankrekening bij BUNQ eindigend op [rekeningnummer 4] , die bij de aanvang van het huwelijk nog niet bestond en waarvan het saldo (afgerond) op de peildatum € 20.106,- bedroeg; bankrekening bij de GIRO, die bij de aanvang van het huwelijk nog niet bestond en waarop het saldo op de peildatum nihil was; een creditcard van American Express met een kaartnummer eindigend op [nummer 2] , waarbij het debetsaldo (afgerond) op de peildatum € 78,- bedroeg. En de volgende bankrekening op naam van de vrouw: bankrekening bij ING-bank, eindend op [rekeningnummer 5] , met een (afgerond) saldo bij aanvang van het huwelijk van € 1.979,- en een (afgerond) saldo op de peildatum van € 3.132; een aan voornoemde bankrekening gekoppelde spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 6] , met een (afgerond) saldo bij de aanvang van het huwelijk van € 200,- en een (afgerond) saldo op de peildatum van € 5.009,- (het eindsaldo van € 4.009,- op de peildatum vermeerderd met de overboeking van € 1.000,- op de peildatum); een aan voornoemde bankrekening gekoppelde spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 7] , die bij de aanvang van het huwelijk nog niet bestond en waarvan het (afgerond) saldo op de peildatum € 628,- bedroeg; een aan voornoemde bankrekening gekoppelde spaarrekening, eindigend op [rekeningnummer 8] , waarin het (afgerond) saldo bij aanvang van het huwelijk en op de peildatum € 17,- bedroeg. De man heeft gesteld dat de vrouw in ieder geval ook nog een bankrekening bij ING heeft, omdat er op 26 april 2019 een bedrag is overgemaakt van een Oranje Spaarrekening met kenmerk eindigend op [rekeningnummer 9] . Mogelijk heeft de vrouw daarnaast nog meer bankrekeningen waarin zij geen inzicht heeft gegeven, aldus de man. De man houdt daarom vast aan zijn verzoek tot inzage in de bankafschriften van alle op naam van de vrouw staande bankrekeningen op de peildatum, een en ander op last van een dwangsom. De rechtbank overweegt als volgt. De door de man genoemde Oranje Spaarrekening met kenmerk eindigend op [rekeningnummer 9] komt niet voor op de gezamenlijke aangifte inkomstenbelasting van partijen van 2022. Gelet daarop gaat de rechtbank ervan uit dat deze bankrekening reeds toen, en daarmee ook op de peildatum, niet meer bestond. Nu de man daarnaast geen andere (voldoende concrete) omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat de vrouw op de peildatum nog een of meer bankrekeningen op haar naam had staan, zal de rechtbank dit verzoek van de man als onvoldoende onderbouwd afwijzen. Conform de afspraak van partijen zullen de bankrekeningen worden voortgezet door degene op wiens naam ze zijn gesteld. Het voorgaande leidt ertoe dat in het kader van de verdeling van de saldi van de bankrekeningen de man een bedrag van € 10.129,- aan de vrouw dient te voldoen. Schadevrije jaren Ten aanzien van de bij de autoverzekering opgebouwde schadevrije jaren zijn partijen overeengekomen dat de vrouw medewerking zal verlenen aan het overdragen van drie schadevrije jaren aan de man. Partijen hebben op de zitting het hiertoe benodigde formulier ondertekend. De man heeft daarop zijn verzoek ingetrokken, zodat de rechtbank hierop niet meer hoeft te beslissen. Hypotheekaflossingen De man heeft verzocht om de vaststelling van een vergoedingsrecht op basis van de door hem volledig betaalde hypotheeklasten van de echtelijke woning in de afgelopen periode. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en aangevoerd dat zij in dat geval recht heeft op een gebruiksvergoeding, omdat de man het exclusieve gebruiksrecht had van de echtelijke woning. Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat beiden tegen elkaar zullen worden weggestreept en dat zij in dit kader niets meer van elkaar te vorderen hebben. De rechtbank beschouwt het verzoek van de man daarom als ingetrokken en zal hierop niet meer beslissen. Contant geld De man heeft op de zitting zijn verzoek ten aanzien van het contante geldbedrag van € 1.500,- ingetrokken. De rechtbank hoeft hierover daarom geen beslissing meer te nemen. i. Overlijdensrisicoverzekering Partijen hebben op de zitting ten aanzien van de overlijdensrisicoverzekering afgesproken dat deze binnen één week na de zitting zal worden beëindigd. Uit het uitblijven van een nader bericht hierover van partijen, leidt de rechtbank af dat de overlijdensrisicoverzekering inmiddels is opgezegd en zal de rechtbank het verzoek bij gebrek aan een belang afwijzen. Vergoedingsrechten Tot slot zijn partijen erin geslaagd om tot overeenstemming te komen over de door de man verzochte vergoedingsrechten. Zij zijn daarbij overeengekomen dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 102.000,- uit de schenking die hij bij de aanschaf van de woning onder uitsluiting van zijn ouders heeft ontvangen. Daarnaast zijn partijen overeengekomen dat de vrouw een bedrag van € 14.500,- aan de man zal betalen in verband met door hem vanuit privévermogen (huurinkomsten uit panden die buiten de gemeenschap vallen) betaalde lasten. Dat leidt ertoe dat de vrouw in totaal een bedrag van € 65.500,-, zal vergoeden aan de man. Partijen zijn daarbij overeengekomen dat de vrouw dit bedrag zal voldoen uit het deel van de overwaarde van de woning dat aan haar toekomt ten tijde van de levering van de woning aan de man of een derde bij de notaris. De rechtbank zal deze overeenstemming in het dictum vastleggen. Beslissing De rechtbank: bepaalt dat de minderjarige: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats] , voorlopig contact met de vrouw zal hebben: gedurende drie uur per week fysiek contact, onder begeleiding; twee keer per week via (video)bellen, waarbij partijen in onderling overleg en in samenspraak met de gecertificeerde instelling bepalen wanneer deze gesprekken plaatsvinden, waarbij de verdere regie over (de uitbreiding van) de zorgregeling wordt neergelegd bij de in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken gecertificeerde instelling; bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 150,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; stelt de (wijze van) de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: - met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening(en): 1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
- a)de man dient uiterlijk 11 augustus 2025 aan de vrouw drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de vrouw er vervolgens binnen één week (uiterlijk 18 augustus 2025) één kiest. Partijen verstrekken vervolgens een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning kan overnemen. De man zal de kosten van de taxatie op zich nemen;
- b)de man dient binnen drie maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
- c)de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen (een en ander met inachtneming van de hierna vermelde afspraak van partijen over de voldoening van het vergoedingsrecht van de man). De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(
- en)ten tijde van de overdracht;
- d)de kosten van de notariële overdracht worden door de man als kosten koper voldaan;
- e)partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; 2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
- a)partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
- b)de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen (een en ander met inachtneming van de hierna vermelde afspraak van partijen over de voldoening van het vergoedingsrecht van de man). De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening(
- en)ten tijde van de overdracht;
- c)partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; - met betrekking tot de inboedel van de echtelijke woning: stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat zij de inboedel in onderling overleg zullen verdelen, waarbij partijen op een in onderling overleg nader te kiezen datum, elk in aanwezigheid van één of twee andere personen naar keuze, de inboedel feitelijk zullen verdelen; - met betrekking tot de activa van de onderneming: stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de activa (bestaande uit de naaimachines, stoffen en andere voorraad en de kleding) aan de vrouw wordt toebedeeld voor een waarde van € 5.500,-, waarbij de vrouw gehouden is om de helft van dit bedrag, aldus € 2.750,-, aan de man te voldoen; stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw de helft van het saldo op de peildatum van de tot de onderneming behorende bankrekening bij KNAB, eindigend op 916 ten bedrage van € 9.450,- aan de man zal voldoen, te weten een bedrag van € 4.725,-; - met betrekking tot de auto van het merk Toyota met kenteken [kenteken] : stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de auto wordt toebedeeld aan de vrouw, een en ander zonder nadere verrekening; - met betrekking tot de op naam van partijen gestelde bankrekeningen: deelt toe aan de man: - de bankrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 2] ; - de bankrekening bij ABN AMRO eindigend op [rekeningnummer 3] ; - de bankrekening bij BUNQ eindigend op [rekeningnummer 4] ; - de bankrekening bij de Giro; - de bankrekening behorend bij de creditcard van American Express, met een kaartnummer eindigend op [nummer 2] , deelt toe aan de vrouw: - de bankrekening bij ING eindigend op [rekeningnummer 5] ; - de gekoppelde spaarrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 6] ; - de gekoppelde spaarrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 7] ; - de gekoppelde spaarrekening bij ING, eindigend op [rekeningnummer 8] , waarbij geldt dat de man in het kader van de verdeling van de saldi op de peildatum (na aftrek van de eventuele saldi op het moment van aanvang van het huwelijk) een bedrag van totaal € 10.129,- aan de vrouw zal voldoen; stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man ten tijde van de overdracht van echtelijke woning bij de notaris een bedrag van € 65.500,- zal vergoeden in verband met het vergoedingsrecht van de man; verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders door partijen verzochte ten aanzien van de alimentatie en de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime (waaronder tevens begrepen de vergoedingsrechten); bepaalt dat de behandeling van de verzoeken tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken pro forma wordt aangehouden tot 1 november 2025, in afwachting van het verloop van de begeleide omgang en overige hulpverlening; bepaalt dat partijen en de gecertificeerde instelling zich uiterlijk op de genoemde pro forma-datum uitlaten over de stand van zaken en het gewenste verdere verloop van de procedure. Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 augustus 2025.