← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:22177

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL24.50832 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman), en de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij referente. 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 23 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De rechtbank heeft het beroep op 14 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referente), de gestelde halfbroer van eiser, B. Ogbamichael als tolk, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  5. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 en heeft de Eritrese nationaliteit. Eiser verblijft in Egypte en wenst verblijf bij zijn gestelde moeder (referente). Referente heeft twee kinderen, de gestelde halfbroers van eiser, die bij haar in Nederland verblijven. 2.
  6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser met het besluit van 23 januari 2024 (het primaire besluit) afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor de afgifte van een mvv met het doel verblijf als familie- of gezinslid bij referente. Volgens verweerder is namelijk niet voldaan aan het middelenvereiste en is ook niet gebleken dat eiser het biologische of juridische kind van referente is en feitelijk bij haar gezin hoort. Verweerder heeft afgezien van het aanbieden van een DNA-onderzoek, omdat niet aan de overige toelatingsvoorwaarden is voldaan. Referente voldoet immers niet aan het middelenvereiste en zij is hiervan ook niet vrijgesteld. Er is volgens verweerder daarbij geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe nopen om af te wijken van de beleidsregels. Verweerder heeft verder geconcludeerd dat tussen eiser en referente geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De in het primaire besluit gemaakte belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser is verweerder bij haar afwijzing gebleven. Wat vindt eiser in beroep?
  7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser stelt dat er tussen hem en referente een familierechtelijke relatie bestaat, en dat het door hem overgelegde Egyptische DNA-onderzoek dit aantoont. Ook voldeed referente tijdens de aanvraagprocedure enige tijd aan het middelenvereiste, toen zij nog samen was met haar ex-echtgenoot. Referente was verder vrijgesteld van de sollicitatie- en arbeidsplicht. Inmiddels verricht referente arbeid in loondienst en heeft zij een contract met een kans op verlenging. Volgens eiser is er daarnaast sprake van bijzondere omstandigheden die maken dat verweerder van het beleid dient af te wijken. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM onvolledig is. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan eiser het middelenvereiste mocht tegenwerpen. Het beroep is echter toch gegrond, omdat verweerder haar besluit niet goed heeft gemotiveerd op het punt van de familierechtelijke relatie. Verweerder zal daarom een nieuwe beslissing moeten nemen. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Middelenvereiste en bijzondere omstandigheden
  9. Op grond van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb wordt een verblijfsvergunning verleend indien de referent duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. De referent wordt vrijgesteld van het middelenvereiste als hij een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) krijgt en blijvend niet aan de sollicitatieplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw kan voldoen. Om vrijstelling te krijgen van de sollicitatieplicht moet de vreemdeling op grond van paragraaf B7/2.1.
  10. van de Vc met stukken onderbouwen dat hij sinds vijf jaar volledig is vrijgesteld van de sollicitatieplicht, én dat het niet te verwachten is dat hij binnen één jaar gedeeltelijk of volledig kan gaan werken. 5.
  11. Verweerder heeft mogen stellen dat referente niet aan het middelenvereiste voldoet, nu zij een uitkering krachtens de Pw krijgt en inkomsten uit die uitkering niet worden aangemerkt als zelfstandige middelen. De inkomsten die referente ontvangt uit haar arbeid in loondienst maken dit niet anders, nu ter zitting is gebleken dat deze niet boven de bijstandsnorm uitkomen. Voor zover eiser stelt dat referente op een eerder moment wel een maand aan het middelenvereiste heeft voldaan op basis van het inkomen van haar ex-echtgenoot, heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat dit niet is onderbouwd. Bovendien heeft verweerder er op kunnen wijzen dat, zelfs als er al sprake was van een maand zelfstandig en voldoende inkomen, daarmee alsnog niet zonder meer is voldaan aan de duurzaamheidseis. 5.
  12. Verweerder heeft eiser verder tegen kunnen werpen dat niet is gebleken dat referente vijf jaar was vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Eiser heeft de gestelde mededeling van de medewerker van de Sociale Dienst van de [gemeente] , dat referente tot het vierde levensjaar van haar jongste kind niet hoefde te solliciteren en geen baan hoefde aan te nemen, niet met stukken onderbouwd. Voor zover er al sprake zou zijn van een vrijstelling van de sollicitatieplicht, is daarmee ook alsnog niet aan de vijfjaarstermijn voldaan. Daarbij heeft verweerder mogen opmerken dat uit de brief van de [gemeente] waarin staat dat met referente is afgesproken dat op dat moment niet zal worden bemiddeld richting werk, omdat referente de komende maanden actief zal werken aan de Nederlandse taal, niet blijkt van een vrijstelling van de sollicitatieplicht. 5.
  13. Verweerder heeft zich verder op het standpunt mogen stellen dat de stelling van referente dat zij afgelopen vier jaar moeite heeft gedaan om aan het middelenvereiste te voldoen, maar dat dat tot op heden niet gelukt is, niet maakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die verweerder aanleiding hadden moeten geven om van het beleid af te wijken. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser bij het indienen van een nieuwe aanvraag meerderjarig is en het gestelde gedrag van referentes ex-echtgenoot. Familierechtelijke relatie
  14. Op grond van artikel 3.13, eerste lid, in samenhang met artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb wordt - voor zover relevant - de verblijfsvergunning regulier onder een beperking verband houdend met gezinshereniging verleend aan het minderjarige biologische of juridische kind van de vreemdeling, dat naar het oordeel van verweerder feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat. Wat is de betekenis van de doopakte en het door eiser overgelegde DNA-onderzoek? 6.
  15. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser de biologische band en daarmee de familierechtelijke band met referente niet heeft aangetoond. Eiser heeft geen geboorteakte overgelegd en verweerder heeft aan de doopakte van eiser niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Daartoe heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat de doopakte naar het oordeel van Bureau Documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Ook anderszins is niet gebleken dat eiser en referente een familierechtelijke band hebben. In de werkinstructie (WI) 2022/7 is opgenomen dat als de vreemdeling zelf DNA-onderzoek heeft laten verrichten en de positieve uitslag hiervan ter onderbouwing van de familierechtelijke relatie wil inbrengen, het onderzoek moet zijn verricht door een geaccrediteerd laboratorium conform het overzicht van geaccrediteerde laboratoria door de Raad voor Accreditatie. DNA-onderzoeken die zijn verricht door andere laboratoria worden niet geaccepteerd. Verweerder heeft mogen stellen dat met het door eiser overgelegde DNA-onderzoek de familierechtelijke relatie tussen hem en referente niet is aangetoond, omdat dit niet door een geaccrediteerd laboratorium is uitgevoerd. Bovendien heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat de conclusie uit het onderzoek niet-eenduidig is. Eiser heeft ter zitting voldoende kunnen toelichten dat het foutief schrijven van de naam van eiser in het DNA-onderzoek te maken heeft met de Arabische schrijfwijze van zijn naam, maar dit neemt de overige tegenwerpingen van verweerder over het DNA-onderzoek niet weg. Had verweerder zelf een DNA-onderzoek moeten aanbieden? 6.
  16. Verweerder heeft toegelicht dat zij, in lijn met WI 2022/7, zelf alleen DNA-onderzoek aanbiedt wanneer de vreemdeling aan alle overige voorwaarden van de aanvraag voldoet. Om die reden heeft verweerder in dit geval geen DNA-onderzoek aan eiser aangeboden, omdat eiser niet voldoet aan het nationaalrechtelijke middelenvereiste. 6.
  17. In WI 2022/7 staat dat er in principe geen DNA-onderzoek wordt opgestart wanneer de aanvraag kan worden afgewezen. Dit moet, zo heeft verweerder op zitting bevestigd, zo worden gelezen dat bedoeld is “wanneer de aanvraag op andere gronden kan worden afgewezen”. Hieraan is volgens verweerder voldaan wanneer – zoals in dit geval – niet aan één van de nationaalrechtelijke vereisten voor verlening van een mvv is voldaan. 6.
  18. De rechtbank kan verweerder, gelet op wat hiervoor is overwogen, volgen dat niet is voldaan aan het nationaalrechtelijke middelenvereiste. Anders dan verweerder betoogt, volgt uit WI 2022/7 echter niet zonder meer dat daarmee in dit geval van het aanbieden van een DNA-onderzoek kon worden afgezien. Ook wanneer niet aan het nationaalrechtelijke middelenvereiste is voldaan, kan verweerder immers toch gehouden zijn om een mvv te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM. In het kader van die beoordeling is van groot belang of er sprake is van een familieband. Mede gelet ook op de inspanningen die referente heeft verricht om de familierechtelijke relatie aan te tonen, zij is hiervoor naar Egypte gereisd, en gezien ook de grote belangen van eiser en referente, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval met zijn verwijzing naar WI 2022/7 onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zij eiser geen DNA-onderzoek heeft aangeboden in het kader van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM. Conclusie en gevolgen
  19. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek. Daarom is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb en kan dit niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen. Dit betekent overigens niet dat verweerder zonder meer gehouden is een mvv te verlenen. 7.
  20. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. De kosten stelt de rechtbank, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden.
  21. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigd het bestreden besluit; draagt verweerder op binnen 10 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de vergoeding van de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1814,-; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €187,- aan eiser te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De voorwaarden voor dit verblijfsdoel staan in de artikel 16 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). En zijn verder uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb. Artikel 3.22, eerste lid, van het Vb. Artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.