← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:22178

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.36436 en NL24.36439 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) [eiseres 1] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres) [eiseres 2] , V-nummer: [v-nummer 3] , eiseres 2/verzoekster 2 (hierna: eiseres 2) [eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 4] eiser 2/verzoeker 2 (hierna: eiser 2) hierna tezamen te noemen: eisers (gemachtigde: mr. M.S. Nizamoeddin), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de vaststelling van verweerder dat zij geen verblijfsrecht in Nederland hebben op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming(de Richtlijn) en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers. 1.
  2. Met het besluit van 24 mei 2024 heeft verweerder medegedeeld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 27 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is verweerder bij het primaire besluit gebleven.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw N. Goncharova als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  4. Eisers vormen samen een gezin. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1975 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1979, zij hebben de Oezbeekse nationaliteit. Samen hebben zij twee kinderen, namelijk eiseres 2 en eiser
  5. Eiseres 2 is geboren op [geboortedatum 3] 2007 en heeft de Oezbeekse nationaliteit. Eiser 2 is geboren op [geboortedatum 4] 2009, hij heeft de Oekraïense nationaliteit. Op 26 april 2024 hebben eisers kenbaar gemaakt aanspraak te willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
  6. Verweerder heeft aan eisers medegedeeld dat eisers geen aanspraak kunnen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn. Redengevend hiervoor is dat eisers na 23 februari 2022 naar hun land van herkomst zijn teruggekeerd. Eisers verbleven in Oekraïne en hebben vanaf 3 maart 2022 voor twee maanden in Oezbekistan verbleven. Eisers hebben volgens verweerder ook niet gesteld dat zij onder een van de andere doelgroepen voor tijdelijke bescherming vallen zoals bedoeld in het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Wat vinden eisers in beroep?
  7. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren – kort samengevat – het volgende aan. Het besluit is onzorgvuldig, omdat verweerder de situatie van eisers onvoldoende heeft betrokken in het besluit. Eisers keerden terug naar Oezbekistan om een veilig onderkomen te vinden en zijn hier niet in geslaagd, waardoor ze genoodzaakt waren terug te keren naar Oekraïne. Verweerder heeft eisers hier ten onrechte niet over gehoord en zich onvoldoende ingespannen om nader te onderzoeken waarom eisers zijn teruggekeerd naar Oekraïne. Het gezin is sinds 24 februari 2024 ontheemd geraakt volgens artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/82 en verwijzen in dit kader ook naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober
  8. Verder is onvoldoende betrokken dat de jongste zoon in Oekraïne is geboren en over de Oekraïense nationaliteit beschikt. Daarnaast heeft verweerder bij het toepassen van de werkinstructie 2022/17 een te strikte uitleg van de Richtlijn gehanteerd. Daardoor heeft verweerder in strijd met de EU-grondrechten en het evenredigheidsbeginsel gehandeld. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Het beroep is daarom ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel gekomen is.
  10. Op grond van de Richtlijn kan de Raad van de Europese Unie (de Raad) bij een massale toestroom van ontheemden een besluit aannemen, waarin wordt bepaald dat bepaalde categorieën ontheemden in de lidstaten tijdelijke bescherming krijgen op grond van de Richtlijn. Nederland heeft de Richtlijn bij wet van 16 december 2004 in het nationale recht geïmplementeerd. De Raad heeft vervolgens met het Uitvoeringsbesluit bepaald dat de volgende categorieën personen die sinds 24 februari 2022 ontheemd zijn geraakt als gevolg van de militaire invasie van Oekraïne overeenkomstig de Richtlijn tijdelijke bescherming krijgen. Dat gaat om Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven, daarnaast gaat het om onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne (derdelanders) die voor 24 februari 2022 in Oekraïne internationale bescherming of gelijkwaardige nationale bescherming genoten en tot slot gaat het ook om gezinsleden van voorgenoemde personen. Daarnaast is bepaalt dat de lidstaten dit toepassen op staatlozen en onderdanen van andere derde landen dan Oekraïne die kunnen aantonen dat zij vóór 24 februari 2022 legaal in Oekraïne verbleven op basis van een geldige permanente verblijfsvergunning, en die niet in staat zijn in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van oorsprong terug te keren. De Europese Commissie heeft zich ook hierover uitgelaten in de Mededeling over operationele richtsnoeren voor de uitvoering van het Uitvoeringsbesluit. Ook heeft Nederland het Uitvoeringsbesluit geïmplementeerd in artikel 3.9a van het VV, daarin is onder meer bepaalt dat tijdelijke bescherming wordt toegekend aan vreemdelingen die op 23 februari 2022 beschikken over een geldige Oekraïense permanente verblijfsvergunning, van wie het aannemelijk is dat zij na 26 november 2021 uit Oekraïne zijn vertrokken en die niet na 23 februari 2022 naar het land van herkomst zijn teruggekeerd. Als er aan een van deze vereisten niet wordt voldaan, dan wordt er geen tijdelijke bescherming toegekend.
  11. Niet in geschil is dat eisers als gezin na 23 februari 2022 naar hun land van herkomst (Oezbekistan) zijn teruggekeerd. Eisers hebben vanaf 3 maart 2022 voor twee maanden (tot 6 mei 2022) in Oezbekistan verbleven en dit wordt niet door eisers betwist. Eisers behoren daarom niet tot de categorieën ontheemden zoals omschreven in de Richtlijn, het Uitvoeringsbesluit en het VV. Daarbij is niet gebleken dat er feiten en omstandigheden in de weg zaten om zich in Oezbekistan te vestigen. Het enkele betoog dat terugkeer geen succes was, is hiertoe onvoldoende. Verder kan de omstandigheid dat de jongste zoon in Oekraïne is geboren en de nationaliteit van dat land heeft hier niet aan afdoen, nu de zoon minderjarig is en met de overige eisers als een gezin opereert. Gelet hierop kan niet worden geoordeeld dat verweerder de feiten en omstandigheden onvoldoende heeft meegewogen of een te strikte toepassing heeft gegeven aan de Richtlijn.
  12. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 oktober 2023 slaagt niet. Dat verweerder concludeert dat eisers niet onder de richtlijn vallen omdat zij zich naar het land van herkomst hebben bewogen is anders dan de situatie waarin Oekraïners zich voor de peildatum bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hebben gemeld en vervolgens beoordeeld dient te worden of op basis van summiere informatie beoordeeld kon worden of zij ‘ontheemd zijn’ of niet, zoals in voorgenoemde zaak het geval was.
  13. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder de hoorplicht niet heeft geschonden. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. De rechtbank oordeelt dat verweerder mocht vinden dat van die twijfel geen sprake was. Niet is gebleken dat het beeld dat verweerder had bij het nemen van het bestreden besluit niet compleet of onjuist was, waardoor verweerder eisers had moeten horen voordat hij zijn besluit zou nemen. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
  15. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.
  16. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Zie artikel 3.9a, eerste lid, sub c, onder 2, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV). Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  17. Wet van 16 december 2004 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ter implementatie van de richtlijn nr. 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van consequentie van de opvang van deze personen (PbEG L212), Staatsblad, 28 december 2004,
  18. Artikel 2, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit. Artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Pagina 5 en 6 van de Mededeling van de Commissie over operationele richtsnoeren voor de uitvoering van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan (2022/C 126 I/01) (de Mededeling van de Commissie). Artikel 3.1a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 3.9a, eerste lid, onder c, van het VV. ECLI:NL:RBDHA:2023:
  19. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
  20. Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.