RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14325 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi), en de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder. Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf. 1.
- Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 27 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres (via videoverbinding), de gemachtigde van eiseres, referent, de zoon van eiseres en referent, en A. Fawzy als tolk. Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet aanwezig te kunnen zijn vanwege capaciteitsgebrek. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Egyptische nationaliteit. Eiseres wenst een visum kort verblijf om haar echtgenoot (hierna: referent) en twee minderjarige kinderen in Nederland te bezoeken.
- Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf niet zijn aangetoond en er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de Schengenlidstaten voor afloop van het visum te verlaten. Verweerder vindt de sociale en economische binding van eiseres met haar land van herkomst onvoldoende om zeker te zijn van tijdige terugkeer. Wat vindt eiseres in beroep?
- Allereerst heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Daarnaast werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiseres geringe sociale en economische binding heeft met Egypte. Eiseres woont met haar moeder samen en heeft meerdere broers, zussen, neven en nichten in Egypte. Ook heeft eiseres haar sociale leven in Egypte met vrienden, kennissen en collega’s. Eiseres meent dat sociale binding met Egypte niet slechts aannemelijk is indien haar echtgenoot en kinderen in Egypte zouden wonen. Dat brengt immers mee dat eiseres haar kinderen niet kan bezoeken en de kinderen het grondgebied van de Europese Unie zouden moeten verlaten om contact te hebben met hun moeder. Er is sprake van economische binding omdat de werkgeversverklaring aantoont dat eiseres in loondienst werkt. Tot slot betoogt eiseres dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiseres in het verleden niet vrijwillig uit Nederland is vertrokken. Wat is het oordeel van de rechtbank?
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen. Sociale en economische binding
- Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiseres om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Egypte dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is. 6.
- De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er onvoldoende sociale en economische binding van eiseres met Egypte is gebleken. 6.
- Met betrekking tot de sociale binding heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiseres geen sociale band met Egypte heeft voor wat betreft het eigen gezin, omdat haar echtgenoot en twee minderjarige kinderen in Nederland wonen. Verweerder heeft daarbij de sociale binding van eiseres met Egypte mogen afwegen tegen de sociale binding van eiseres met Nederland. Verweerder heeft kunnen concluderen dat het hebben van veel familieleden en vrienden in Egypte onvoldoende is om te spreken van sociale binding die een tijdige terugkeer waarborgt, omdat niet is gesteld of gebleken van een (bijzondere) zorgplicht en/of verantwoordelijkheid van eiseres tegenover hen of andersom. Verweerder heeft daarnaast kunnen tegenwerpen dat niet is gebleken dat de moeder van eiseres hulpbehoevend is en dat eiseres haar daadwerkelijk verzorgt. 6.
- Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende economische binding heeft met Egypte. Het is aan eiseres om dit met stukken te onderbouwen. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiseres onvoldoende objectief verifieerbare stukken heeft overgelegd om de gestelde werkzaamheden als docent Arabische taal bij het Egyptische Ministerie van Onderwijs aan te tonen. Uit de door eiseres overgelegde werkgeversverklaring blijkt niet wat de werkovereenkomst zou inhouden, hoeveel uur eiseres werkt en dat het gestelde salaris daadwerkelijk ontvangen wordt. Ook zijn er bijvoorbeeld geen bankafschriften overgelegd die het ontvangen van het gestelde salaris aantonen. 6.
- Gelet op het voorgaande heeft verweerder kunnen concluderen dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij dusdanige sociale en economische binding heeft met Egypte dat haar tijdige terugkeer daarnaar gewaarborgd is. Eerdere legale of illegale verblijven
- Bij de beoordeling of redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van de aangevraagde visa, moet verweerder echter, naast de sociale en economische binding, ook rekening houden met onder meer het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven. 7.
- Verweerder stelt in het bestreden besluit dat eiseres in het verleden niet vrijwillig uit Nederland is vertrokken. Eiseres stelt daarentegen dat zij in het verleden wel vrijwillig naar Egypte is teruggekeerd en zij heeft de omstandigheden van haar eerdere verblijven in en vertrekken uit Nederland ter zitting ook uitgebreid toegelicht. Bij de rechtbank is hierdoor twijfel ontstaan over het standpunt van verweerder. In het bestreden besluit heeft verweerder zelf ook aangegeven dat verschillend is verklaard over de voorgaande bezoeken van eiseres en dat hierom wordt getwijfeld aan de reisduur en het reisdoel van eiseres. Een hoorzitting was bij uitstek geschikt geweest om eiseres te bevragen over haar voorgaande verblijven in Nederland en om daarmee mogelijk die twijfel weg te nemen. Verweerder mag alleen van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden, en de rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake was nu de omstandigheden van de eerdere verblijven van eiseres in Nederland en haar vertrek uit Nederland voor verweerder kennelijk onduidelijk waren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen van eiseres in bezwaar. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond, omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Dat betekent dat het besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
- Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,-.
- Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van €194,- moet vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres; veroordeelt verweerder tot betaling van € 194,- aan griffierechten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie het arrest van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:
- 1 punt voor het beroepschrift en1 punt voor het verschijnen ter zitting met waarde € 907,- per punt, wegingsfactor 1.