Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2025:22183
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.7915 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres], eiseres V-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. M.S. Yap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Visschers).
Procesverloop In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een machtiging voor voorlopig verblijf (mvv).
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 15 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] als tolk, [naam 2] (referent), en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank 1. Eiseres is geboren op [datum] 1976 en heeft de Servische nationaliteit. Zij heeft op 12 december 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [naam 2] (referent).
De rechtbank overweegt als volgt.
Middelenvereiste 5. Op grond van artikel 3.22, eerste lid, van het Vb wordt een verblijfsvergunning verleend indien de vreemdeling, of in dit geval de referent, duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Een referent wordt vrijgesteld van het middelenvereiste als hij een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) krijgt en blijvend niet aan de sollicitatieplicht als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw kan voldoen. Om vrijstelling te krijgen van de sollicitatieplicht op grond van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw moet de referent op grond van paragraaf B7/2.1.1. van de Vc met stukken onderbouwen dat hij sinds vijf jaar volledig is vrijgesteld van de sollicitatieplicht én dat het niet te verwachten is dat hij binnen één jaar gedeeltelijk of volledig kan gaan werken.
Uit die informatie volgt dat namelijk dat referent in 2024 is aangemeld voor een traject bij [organisatie 2] en dat [organisatie 1] is gevraagd mee te denken en te zoeken naar een betaalde baan. Hieruit blijkt niet dat eiser in het doelgroepenregister is opgenomen van het UWV, op basis waarvan een vreemdeling onder de banenafspraak valt. Gelet op de ex tunc toetsing die geldt in reguliere vreemdelingenzaken kunnen de in de beroepsfase overgelegde arbeidscontracten van [B.V.] niet worden betrokken in de onderhavige procedure. De rechtbank beoordeelt slecht de feiten die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit. Tot slot zijn van referents gestelde gezondheidssituatie geen documenten overgelegd.
Door eiseres zijn daarnaast geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd die op grond van artikel 8:84 van de Awb nopen tot een afwijking.
Artikel 8 van het EVRM 8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet ten onrechte in het nadeel van eiseres en referent heeft laten uitvallen. Zo heeft verweerder in het nadeel van eiseres en referent mogen betrekken dat het hier gaat om een eerste toelating en dat de relatie tussen eiseres en referent is ontstaan op het moment dat eiseres geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Ook heeft verweerder het economisch belang van Nederland niet ten onrechte in het nadeel van eiseres en referent mogen meewegen, omdat referent op het moment van het bestreden besluit een bijstandsuitkering ontving en daarmee een beroep deed op de openbare kas. Vestiging van eiseres in Nederland legt daarmee ook een beslag op de publieke gefinancierde voorzieningen zoals de gezondheidszorg en de infrastructuur. Zo is eiseres ziek en doet zij een beroep op de medische gezondheidszorg. Verweerder heeft eveneens mee kunnen wegen dat uit het BMA-advies van 5 april 2024 volgt dat de benodigde zorg voor eiseres in Servië beschikbaar is. Door eiseres zijn voorgaande punten van de belangenafweging niet bestreden. De stelling van eiseres en referent dat referent hier in Nederland nog familie heeft en zij daarom niet naar Servië kunnen, heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven doen leiden.
Artikel 8 van het EVRM geeft geen recht op een vrije woonplaatskeuze. Het is de keuze van referent om bij zijn kinderen in Nederland te blijven of gezinsleven met eiseres in Servië uit te oefenen. Referent hoeft Nederland niet te verlaten. Verweerder heeft gelet hierop niet ten onrechte geconcludeerd dat in dit geval het belang van verweerder om een restrictief toelatingsbeleid te voeren en de overige algemene belangen van de Nederlandse samenleving zwaarder wegen dan het belang van eiseres om het gezinsleven met referent in Nederland uit te oefenen.
Hoorplicht 9. Eiseres wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij en referent ten onrechte niet zijn gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank stelt voorop dat horen in beginsel een essentieel onderdeel is van de procedure. Toch heeft verweerder in dit geval kunnen afzien van horen in bezwaar. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend standpunt. Daar is in dit geval aan voldaan. Eiseres heeft in bezwaar alleen (niet nader onderbouwde) feiten en omstandigheden aangevoerd die al zijn meegewogen in het primaire besluit. Een gehoor zou daarom niet tot een ander besluit hebben geleid. Verweerder heeft dan ook terecht bepaald dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.
Conclusie en gevolgen 10. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 november 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Vreemdelingenbesluit 2000.
Vreemdelingencirculaire 2000.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, van het Vb.
In de zin van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.