RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.55145 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. A. Agayev), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 9 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het vooronderzoek is op 17 november 2025 gesloten. Overwegingen Inleiding 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 oktober 2025 (in de zaak NL25.49621) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 oktober 2025 tot 17 november 2025. Zicht op uitzetting 3. Eiser stelt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria ontbreekt. 4. De rechtbank stelt voorop dat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de, niet bestreden, mededeling in de maatregel van bewaring dat uit informatie van DT&V blijkt dat Nigeria medewerking verleent aan gedwongen terugkeer, en naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2707, en 27 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2418. 5. De rechtbank merkt op dat het ontbreken van het zicht op uitzetting naar Nigeria eerder is aangevoerd in het beroep dat heeft geleid tot de uitspraak van 27 oktober 2025. De rechtbank verwijst in dit verband dan ook naar rechtsoverweging 4.1. van deze uitspraak. De situatie is ongewijzigd en ook het tijdsverloop sinds de uitspraak van 27 oktober 2025 is niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om anders over de beroepsgrond te oordelen. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat eiser verschillende verklaringen heeft afgelegd over zijn nationaliteit en geen activiteiten heeft ondernomen om alsnog aan identiteitsdocumenten te komen. Van eiser mag dit wel worden verwacht. Bovendien blijkt uit de voortgangsrapportage niet dat de Nigeriaanse autoriteiten de laissez passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.