Rechtbank DEN HAAG Team belastingrecht zaaknummer: SGR 23/4241 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. S.M. Bothof), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 22 mei 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december
- Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten
- Eiseres heeft op 30 november 2021, door verweerder ontvangen op 2 december 2021, aangifte Bpm gedaan ter zake van een Renault Capture 1.0 TCe Life (de auto).
- In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van de koerslijst Autotelexpro op € 2.
- De datum van eerste toelating is 22 juni 2021 en de datum van keuring door de RDW is 29 november 2021, waarbij de kilometerstand 53 km bedroeg.
- Verweerder heeft geconcludeerd dat de auto op grond van de feiten en omstandigheden als nieuw en ongebruikt dient te worden aangemerkt, waardoor een hoger bedrag aan Bpm is verschuldigd, namelijk € 4.
- Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 1.872 opgelegd. Geschil
- In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Beoordeling van het geschil
- Eiseres heeft in beroep slechts aangevoerd dat de verschuldigde Bpm ten onrechte niet is vastgesteld aan de hand van de herrekende Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode). Eiseres heeft ter zitting erkend dat op basis van de geldende jurisprudentie de auto voor de heffing van Bpm als nieuw dient te worden aangemerkt. Eiseres heeft hieraan toegevoegd dat zij het niet eens is met deze jurisprudentie. Feiten of omstandigheden op basis waarvan in dit geval de auto als gebruikt moet worden aangemerkt heeft eiseres niet gesteld. Dit betekent dat voor de heffing van de Bpm inderdaad, zoals verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag ook als uitgangspunt heeft genomen, dat moet worden uitgegaan van een nieuw en ongebruikt voertuig. Dat betekent dus dat er geen ruimte is voor een afschrijving op de Bpm vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Dat betekent dus ook dat eiseres haar beroepsgrond dat de verschuldigde Bpm moet worden bepaald aan de hand van de herrekende Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode) niet kan slagen. Die beroepsgrond is immers volledig gestoeld op de aanname dat wél op de verschuldigde Bpm kan worden afgeschreven vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Nu gesteld noch gebleken is dat de verschuldigde Bpm overigens onjuist (te hoog) is vastgesteld, betekent het vorenstaande dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog is vastgesteld. Immateriële schadevergoeding
- Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 15 augustus 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 22 mei
- De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2025 gedaan. Dat is dus ruim 29 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden. In zoverre zou recht kunnen bestaan op een isv.
- Echter, de rechtbank constateert dat in dit geval door eiseres (haar gemachtigde) voor een – volgens de huidige, binnen de branche algemeen bekende jurisprudentie – nieuwe auto een vermindering van de Bpm is geclaimd vanwege een waardevermindering wegens ouderdom van de auto. Dat is voor een nieuwe auto apert onmogelijk en dus onjuist en kenbaar onterecht. Overige tegen de hoogte van de Bpm gerichte grieven heeft eiseres niet naar voren gebracht. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank in feite sprake van tegen-beter-weten-in-procederen van de zijde van (de gemachtigde van) eiseres. Onder die omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om eiseres een isv toe te kennen. Om die reden wijst de rechtbank het verzoek van eiseres af. Proceskosten
- Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht). Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend. Verder vermeldt u ten minste het volgende: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).