RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL22.10496 (beroep) en NL22.10498 (voorlopige voorziening) [V-Nummer] uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [eiser] , eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen), en de minister van Asiel en Migratie , de minister (gemachtigde: mr. Ö. Sari). Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor het verblijfsdoel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ bij zijn vader, de heer [naam vader] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 13 mei 2022 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) verzocht om een voorlopige voorziening. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling Wat ging er aan deze procedure vooraf? 2.1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Egyptische nationaliteit. Zijn vader, referent, is bij beschikking van 15 maart 2019 in het bezit gesteld van een verblijfvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige (geldig van 15 maart 2019 tot 15 maart 2021, verlengd bij beschikking van 4 maart 2021 tot 15 maart 2025), nadat hij zich in Nederland heeft gevestigd met een door Italië afgegeven EU-verblijfvergunning als langdurige ingezetene. Eiser wil zich samen met de rest van het gezin, onder wie zijn moeder, minderjarige broertje en minderjarige zusje, in Nederland vestigen bij zijn vader. Om die reden heeft eiser op 15 januari 2021 een mvv aangevraagd voor verblijf bij zijn vader op grond van artikel 8 van het EVRM. 2.2. De minister heeft op 25 september 2025 aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat eiser inmiddels sinds 4 november 2024 in het bezit van een verblijfsvergunning is, geldig tot 4 november 2029. De minister verzet zich om die reden niet tegen de veroordeling in proceskosten wat betreft de voorlopige voorziening. Wat betreft de beroepszaak stelt de minister stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag niet meer tot gevolg heeft dat eiser en zijn vader (referent) worden gescheiden. Om die reden is er geen sprake meer van een inbreuk op het familie- en gezinsleven van eiser als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. 2.3. Eiser heeft aangegeven de voorlopige voorziening te willen intrekken, behoudens proceskostenveroordeling. Daarnaast geeft hij in een reactie op het verweerschrift aan dat de verlening van de verblijfsvergunning geen aanleiding vormt om het beroep in te trekken. Hij houdt belang bij de beoordeling van de rechtmatig van de weigering, inclusief een verlening van het verblijfsrecht, met terugwerkende kracht vanaf het moment van de aanvraag tot 4 november 2024, de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Eiser wijst erop dat hij daarmee een langere periode van rechtmatig verblijf heeft waardoor hij eerder in aanmerking kan komen voor verblijf voor onbepaalde tijd, dan wel de Nederlandse nationaliteit. Oordeel van de rechtbank 3.1. De rechtbank overweegt dat door het besluit van de minister om eiser per 4 november 2024 een verblijfsvergunning te verlenen, deze zaak alleen nog maar gaat over de ingangsdatum van het verblijfsrecht. In andere woorden, of eiser rechtmatig verblijf toekomt vanaf het moment van de aanvraag op 18 januari 2021 tot het moment van de vergunningverlening van 4 november 2024. De minister heeft betwist dat er sprake is van procesbelang, omdat eiser inmiddels een verblijfsvergunning heeft gekregen. In het geval de rechtbank van oordeel is dat er wel sprake is van procesbelang, meent de minister dat eiser meerderjarig is en niet voldoet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid omdat hij (deels) in zijn eigen onderhoud voorziet. Eiser is namelijk sinds 10 februari 2020 vennoot is van de [naam VOF] waarvan eisers vader de andere vennoot is. Deze omstandigheid (dat de jongvolwassen vreemdeling zelfstandig in eigen levensonderhoud kan voorzien) is al voldoende voor de conclusie dat eiser feitelijk niet meer behoort tot het gezin van de ouders en geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid. 3.2. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zwaar belang heeft toegekend aan de omstandigheid dat eiser in zijn eigen onderhoud zou kunnen voorzien. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt in het geheel niet dat het kunnen voorzien in eigen levenshoud een contra-indicatie vormt voor het aannemen van beschermingswaardig familieleven tussen de jongvolwassene en zijn ouders. Voorts is van belang dat het aandeel in de VOF aan eiser is geschonken. Hij zou niet in staat zijn geweest om zelfstandig, dus zonder hulp van zijn ouders, het aandeel in de VOF te verwerven. Het duidt juist op een sterke afhankelijkheid van het gezin waar hij onderdeel van uitmaakt dat hij op deze wijze een bron van inkomsten heeft verworven. Daarnaast betaalt eisers vader alles voor hem zoals, kost en inwoning, kleding, kosten voor medische zorg en taalcursussen. Gezien deze omstandigheden kan er niet worden gesteld dat geen sprake is van beschermingswaardig familieleven van eiser als jongvolwassene en het kerngezin waarmee hij altijd heeft samengewoond. Ook heeft de minister er ten onrechte van afgezien om eiser te horen naar aanleiding van het bezwaarschrift. Alleen al omdat eiser in bezwaar een beroep heeft gedaan op jurisprudentie die het standpunt van eiser op een wezenlijk punt steunt kan door de minister niet worden gesteld dat er sprake is van kennelijk ongegrond bezwaar. Daarnaast zou een hoorzitting bij uitstek gelegenheid hebben geboden om een beeld te krijgen van de afhankelijkheid van eiser ten opzichte van zijn vader. Is er sprake van procesbelang? 4. De rechtbank beoordeelt allereerst of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het voorliggend beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 mei 2018 volgt dat bij geschillen over de verlening van een verblijfsvergunning regulier, terwijl de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf heeft op grond van een hem verleende verblijfsvergunning, procesbelang in beginsel is gegeven, als de te verlenen verblijfsvergunning andere rechtsgevolgen of een eerdere ingangsdatum heeft dan de reeds verleende verblijfsvergunning en de vreemdeling daardoor in een gunstigere positie zou kunnen geraken. Door verlening van de door hem gewenste verblijfsvergunning met eerdere ingangsdatum kan eiser in een gunstigere positie komen doordat dit verblijfsrecht wordt verleend voor een langere duur en met een eerdere ingangsdatum. Het beroep is dan ook ontvankelijk. Moet het jongvolwassenenbeleid worden toegepast? 5.1. Uit paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgen vier cumulatieve voorwaarden voor het aannemen van familieleven tussen meerderjarige kinderen en hun ouder(s). Het meerderjarige kind moet jongvolwassen zijn, met de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.