RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 24/8 en 24/47 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaken tussen 1. Stichting [eiseres 1]te [vestigingsplaats 1] , eiseres 1, (gemachtigde: K.A.G. de Winter), 2. Stichting [eiseres 2]te [vestigingsplaats 1] , eiseres 2, (gemachtigde: P. Drijver), hierna ook gezamenlijk te noemen: eiseressen, en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (gemachtigde: mr. D.P.S. Roelands-Fransen). Als derde-partijen nemen aan de zaken deel: [bedrijf 1] B.V. uit [vestigingsplaats 2] , vergunninghoudster, en Stichting [bedrijf 2] te [vestigingsplaats 1] , belanghebbende (gemachtigde voor beide: mr. J.A. Mohuddy). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woongebouwen aan het [adres 1] en [adres 2] in Den Haag. Eiseressen zijn het daarmee niet eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn. Het bestreden besluit van 18 december 2023 wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan worden in stand gelaten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. In het besluit van 6 juni 2023 heeft het college de door vergunninghoudster aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van twee woongebouwen aan het [adres 1] en [adres 2] in Den Haag verleend. 2.1. Met het besluit van 18 december 2023 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiseressen is het college bij dat besluit gebleven. 2.2. Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij hebben ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. 2.3. Op 27 december 2023 heeft vergunninghouder voor de bouw van de twee woongebouwen opnieuw een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. 2.4. In de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 2.5. In het besluit van 10 maart 2025 heeft het college de op 27 december 2023 aangevraagde omgevingsvergunning verleend. 2.6. De rechtbank heeft de beroepen op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseres 1, gemachtigde van eiseres 2, gemachtigde van het college, bijgestaan door [naam 1] , en gemachtigde van de derde-partijen, bijgestaan door [naam 2] . Beoordeling door de rechtbank Overgangsrecht 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). 3.1. De aanvraag om een omgevingsvergunning die heeft geleid tot het besluit van 6 juni 2023 is ingediend op 11 november 2022 en de aanvraag om een omgevingsvergunning die heeft geleid tot het besluit van 10 maart 2025 is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat ten aanzien van beide aanvragen de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. De totstandkoming van het bestreden besluit en het besluit van 10 maart 2025 4. In het besluit van 10 november 2022 heeft de raad van de gemeente Den Haag het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] vastgesteld. 4.1. Vergunninghoudster heeft op 11 november 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van twee woongebouwen met 220 woningen en twee stallingsgarages in het gebied van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] . Dit bouwplan is voorzien ter plaatse van de inmiddels gesloopte woningen aan het [adres 1] [nummers 1] en [adres 2] [nummers 2] in Den Haag. De aanvraag betreft de activiteiten “het bouwen van een bouwwerk” en “het handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan”, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van de Wabo. 4.2. In het besluit van 6 juni 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de aangevraagde activiteiten. Het college is daarbij op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan. Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan voldoet aan het – op dat moment geldende – bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] met uitzondering van een aantal bouwdelen die de voorgeschreven bouwhoogte met maximaal 60 centimeter overschrijden. Daarmee voldoet de aanvraag niet aan artikel 6.2.1, onder c van de planregels. Het college heeft deze overschrijding van de toegestane bouwhoogte met toepassing van artikel 10.1, aanhef en onder a, van de planregels toegestaan, omdat de overschrijding marginaal is en geen nadelige invloed heeft op de ruimtelijke belevingswaarde van de gebouwen in deze stedelijke context. Het bouwplan is niet in strijd met het bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren. 4.3. In het bestreden besluit heeft het college het besluit van 6 juni 2023, conform het advies van de adviescommissie bezwaarschriften, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten. Het college heeft aan de motivering toegevoegd dat de overschrijding van de maximale bouwhoogte geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de privacy, het uitzicht en het woongenot van omwonenden en de door hen ervaren schaduwoverlast. 4.4. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 december 2023 is het besluit van 10 november 2022 tot het vaststellen van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] vernietigd. 4.5. Op 27 december 2023 heeft vergunninghoudster een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd voor hetzelfde bouwplan. De aanvraag betreft de activiteit “handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan” als vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. De aanvraag betreft het afwijken van de regels van het bestemmingsplan [adres 4] dat is herleefd door de vernietiging van het bestemmingsplan [adres 1] en [adres 3] . 4.6. Op 27 februari 2024 heeft [bedrijf 3] in opdracht van vergunninghoudster een rapport uitgebracht met als titel “Parkeren woningbouwontwikkeling [adres 1] ”. [bedrijf 3] concludeert na onderzoek dat voor het bouwplan ook zonder parkeerregulering in de omgeving, voor zowel de bewoners op eigen terrein als voor de bezoekers in de openbare ruimte in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. 4.7. In de uitspraak van 15 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 4.8. Op 16 september 2024 heeft [bedrijf 4] de raad van de gemeente Den Haag geadviseerd over het parkeeraspect bij vergunningverlening ten behoeve van het bouwplan. [bedrijf 4] concludeert kort samengevat dat met het rapport van [bedrijf 3] voldoende is aangetoond dat de bewoners op eigen terrein en de bezoekers in de openbare ruimte kunnen parkeren en dat ze daarvoor voldoende ruimte hebben. 4.9. Het college heeft ten aanzien van de aanvraag van 27 december 2023 een ontwerpbesluit genomen. Dit ontwerpbesluit is voorbereid via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Op 5 november 2024 is het ontwerpbesluit ter inzage gelegd. Eiseressen hebben zienswijzen tegen het ontwerpbesluit ingediend. 4.10. In het besluit van 10 maart 2025 heeft het college de op 27 december 2023 aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Sprake is van strijd met het bestemmingsplan Bouwlust, omdat de woningen zijn gesitueerd buiten het daarvoor bedoelde bouwvlak met een grotere goot- en bouwhoogte dan ter plaatse is toegestaan. Daarmee is sprake van strijd met artikel 21.2.1 onder a en onder d van de planregels. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend onder afwijking van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wabo. Ten aanzien van het parkeren geldt dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1, van de Wabo binnenplans is afgeweken. De parkeereis is vastgesteld op 157 parkeerplaatsen, waarvan 124 voor bewoners/gebruikers en 33 voor bezoekers. De aanvraag komt in aanmerking voor mogelijkheden tot reductie van de autoparkeervraag op grond van artikel 3:4 van de Nota parkeernormen Den Haag 2021. Onderbouwd is dat de aanvraag voorziet in 104 autoparkeerplaatsen op eigen terrein, waarvan 5 autoparkeerplaatsen voor deelauto’s, en daarmee voldoet aan de parkeereis. Daarmee is voldaan aan artikel 5.1, onder b, van de regels horend bij bestemmingsplan Parapluherziening (fiets)parkeren, aldus het besluit. De beroepsgronden 5. Eiseressen hebben hun beroepen ter zitting uitdrukkelijk beperkt tot drie punten. 5.1. Ten eerste voeren eiseressen aan dat de verleende vergunning er ten onrechte niet in voorziet dat de binnentuinen worden afgesloten, in het kader van de sociale veiligheid. Verder betogen zij dat ten onrechte, en in afwijking van de Nota van Uitgangspunten Dreven van april 2021, slaapkamers in plaats van woonkamers om de binnentuinen liggen en dat ook dat nadelig is voor de sociale veiligheid. 5.2. Ten tweede vinden zij het niet terecht dat geen parkeervergunningen in de openbare ruimte worden verstrekt aan bewoners van de te bouwen appartementen. Ze willen dat de opmerking in het besluit van 10 maart 2025 dat bewoners van de woningen niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning voor parkeren op de openbare weg wordt geschrapt. 5.3. Ten derde betogen zij dat de vergunning ten onrechte is verleend zonder dat vooraf duidelijkheid bestond over het afsluiten van langdurige contracten voor het aanbieden van bakfietsen en auto’s voor deelvervoer. Is het besluit van 10 maart 2025 een 6:19 besluit? 6. De rechtbank dient allereerst te beoordelen of het besluit van 10 maart 2025, naast het bestreden besluit, onderdeel uitmaakt van deze procedure. In dat kader moet worden beoordeeld of het besluit van 10 maart 2025 een besluit is als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 6.1. Een besluit is in beginsel slechts een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, indien (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.