beschikking RECHTBANK DEN HAAG Team handel zaaknummer / rekestnummer: C/09/ 682973 / HA RK 25-167 Beschikking van 1 december 2025 in de zaak van [verzoekster] B.V., te [vestigingsplaats 1] , verzoekster, advocaat mr. T.F.W. Overdijk, te Amsterdam, tegen: HVV-LELIE B.V., te Alphen aan den Rijn, [bedrijf 1] B.V., te [vestigingsplaats 2] , [naam 1] , te [woonplaats] , verweerders, advocaat mr. C.N. van den Heuvel, te Rotterdam, en 4 [bedrijf 2] B.V., te [vestigingsplaats 3] , verweerster, advocaat mr. P.E. Mazel, te Amsterdam. Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoekster] , HVV, [bedrijf 1] , [naam 1] en [bedrijf 2] genoemd. HVV, [bedrijf 1] en [naam 1] worden hierna gezamenlijk HVV c.s. genoemd. HVV c.s. en [bedrijf 2] worden hierna gezamenlijk gerekwestreerden genoemd. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: het verzoekschrift van [verzoekster] van 1 april 2025, met de producties 1-13; het verweerschrift van HVV c.s. van 2 juni 2025, met de producties 1-2; productie 14 van [verzoekster] ; spreekaantekeningen van [verzoekster] voor de mondelinge behandeling van 12 juni 2025; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 12 juni 2025; de aanvulling van het verzoek van [verzoekster] van 10 juli 2025, met productie 15; de verklaring ex artikel 1019i Rv van HVV c.s. van 29 augustus 2025; het verweerschrift van [bedrijf 2] van 31 augustus 2025, met productie 1-2; de verklaring ex artikel 1019i Rv van [bedrijf 2] van 29 augustus 2025; het aanvullend verweerschrift van HVV c.s. van 28 augustus 2025. 1.2. Op 20 oktober 2025 heeft de tweede mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Bij deze mondelinge behandeling waren aanwezig: namens [verzoekster] : de heer [naam 2] , directeur, bijgestaan door mr. Overdijk en mr. I.N.A. Denninger; namens HVV, [bedrijf 1] en in persoon: [naam 1] , bijgestaan door mr. Van den Heuvel en mr. M. van der Ven; namens [bedrijf 2] : de heer [naam 3] , directeur, bijgestaan door mr. Mazel. Tijdens de zitting zijn namens [verzoekster] en HVV c.s. pleitnotities overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de zitting is besproken. 1.3. Ten slotte is een datum bepaald voor de beschikking. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.1. [verzoekster] is houdster van een portefeuille communautaire en Nederlandse kwekersrechten voor lelierassen, waaronder het communautair kwekersrecht voor het lelieras ‘Zambesi’, onder nummer 36012. 2.2. [naam 1] is bestuurder van HVV en [bedrijf 1] . 2.3. HVV heeft geruime tijd bollen van verschillende lelierassen van [verzoekster] vermeerderd en geteeld. Voor het ras Zambesi had HVV op grond van een met [verzoekster] gesloten licentieovereenkomst een licentie om dit ras te telen. 2.4. HVV heeft deze licentie in drie gedeelten overgedragen aan de volgende derden: - in 2020 de helft van de licentie aan [naam 4] te [plaats 1] ; - in 2021 een kwart aan [bedrijf 3] B.V. te [plaats 2] ; - in 2022 het laatste kwart aan [bedrijf 2] . 2.5. Op 28 april 2022 hebben HVV en [verzoekster] een zogenoemde “Verklaring van overdracht / Afstandsverklaring” (hierna: afstandsverklaring) getekend, waarin onder meer is opgenomen dat de deeloverdrachten van de licentie hebben plaatsgevonden met ingang van het desbetreffende teeltjaar. 2.6. In de afstandsverklaring heeft HVV zich onder meer ertoe ertoe verplicht “om geen plant- en/of teeltmateriaal van het ras lelieras “Zambesi” OT 4020-232 ook niet onder een andere naam - te vermeerderen, in het verkeer te brengen, (verder) te verhandelen of anderszins ter beschikking aan te bieden of te stellen aan derden, of deze handelingen te laten verrichten”. 2.7. Op 3 mei 2022 heeft [bedrijf 2] met HVV een licentieovereenkomst voor het ras Zambesi gesloten. 2.8. Begin 2023 heeft [verzoekster] aan HVV een verklaring gevraagd over Zambezibollen die HVV in 2022 aan derden heeft verkocht. Hierop heeft [naam 1] namens HVV als volgt gereageerd in zijn e-mail van 8 februari 2023: “HVV-Lelie BV heeft in 2022 het laatste teeltrecht verkocht aan [bedrijf 2] in [plaats 3] , zoals u ook in uw bericht schrijft. Omdat [bedrijf 2] land van [bedrijf 1] B.V. pacht - de B.V. waar ik directeur van ben - heb ik nog steeds goed contact met [bedrijf 2] en weet ik waar zij Zambesi hebben geteeld. [bedrijf 2] zal aan [verzoekster] ook royalty’s hebben betaald. Omdat ik nog een paar leveringsverplichtingen had, had ik bij de verkoop bedongen dat ik bollen van [bedrijf 2] zou kunnen kopen, om ze vervolgens door te verkopen aan de partijen aan wie ik een leveringsverplichting had. [bedrijf 2] zal aan u kunnen bevestigen dat HVV-Lelie BV geen bollen heeft geteeld.” 2.9. Bij beschikking van 12 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van [verzoekster] verlof verleend om bewijsbeslag te leggen ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] . 2.10. Op 27 februari 2025 heeft [verzoekster] wederom verzocht bewijsbeslag te mogen leggen ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] . Dit verzoek is bij beschikking van 28 februari 2025 toegewezen. 2.11. In beide beschikkingen is de termijn voor het instellen van een eis in de hoofdzaak als bedoeld in art. 700 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaald op vier weken na het eerst gelegde beslag en de termijn als bedoeld in art. 1019i Rv bepaald op zes maanden na datum beschikking. 2.12. Op 5 maart 2025 heeft [verzoekster] op grond van de beschikkingen van 12 december 2024 en 27 februari 2025 ten laste van HVV c.s. en [bedrijf 2] bewijsbeslag laten leggen. 3Het geschil 3.1. [verzoekster] verzoekt dat de rechtbank bij beschikking: I HVV c.s. en [bedrijf 2] op de voet van art. 194 Rv beveelt aan [verzoekster] , dan wel aan een onafhankelijk vertegenwoordiger van [verzoekster] , inzage en afschrift te verstrekken van de in beslag genomen bescheiden, die relevant zijn, of kunnen zijn, in verband met de in dit verzoek bedoelde inbreuken op het kwekersrecht van [verzoekster] en/of de in het verzoek bedoelde tekortkomingen van HVV c.s. en [bedrijf 2] , waaronder mede verstaan de op gegevensdragers aangebrachte gegevens, alle gevoerde technische en (digitale) financiële administratie (inclusief de hieraan gerelateerde documenten zoals: • correspondentie in papieren vorm, alsmede elektronische berichten; • (digitale) e-mail(s)(gegevens) of andere correspondentie, waaronder begrepen maar niet beperkt tot welke zien op activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’; • (digitale) documenten met betrekking tot dezelfde onderwerpen als de hiervoor bedoelde e-mailgegevens en correspondentie; • (digitale) e-mail(s)(gegevens) of correspondentie en (digitale) documenten met betrekking tot de activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’ die HVV c.s. en [bedrijf 2] hebben verricht voor andere gerekwestreerden en voor andere vennootschappen; • (digitale) boekhoudgegevens over de inkomsten van inbreukmakende activiteiten; • (digitale) bankafschriften waaruit de inkomsten en uitgaven van HVV c.s. en [bedrijf 2] in verband met hun activiteiten met bollen van het ras ‘Zambesi’ blijken of kunnen blijken; II voor zover de onder I vermelde bescheiden van HVV c.s. en [bedrijf 2] , zoals bankafschriften, slechts elders (extern) digitaal toegankelijk zijn, HVV c.s. en [bedrijf 2] beveelt alle benodigde medewerking te verlenen ten behoeve van het verkrijgen van (digitale) toegang tot dergelijke extern beschikbare bescheiden, door het verstrekken van benodigde inloggegevens of andere gegevens, zodat ter plaatse een uitdraai van dergelijke bescheiden kan worden gemaakt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 25.000 voor elke overtreding van dit bevel; III de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaart op alle dagen en uren. 3.2. Aan haar verzoek legt [verzoekster] - samengevat - het volgende ten grondslag. HVV en [bedrijf 2] hebben onvoldoende opheldering gegeven over de herkomst van de Zambesi-bollen die HVV in 2022 heeft verhandeld. Het heeft er alle schijn van dat de bollen afkomstig zijn van eigen illegale (zonder licentie) teelt (waaronder begrepen contractteelt) door HVV en/of [bedrijf 2] . Hiermee hebben HVV en [bedrijf 2] een ernstige inbreuk gemaakt op het kwekersrecht van [verzoekster] en is HVV tekortgeschoten in de nakoming van de afstandsverklaring. Omdat [bedrijf 2] heeft geweigerd informatie te verstrekken over het plantgoed dat zij bij de overdracht van de kwart licentie van HVV heeft overgenomen moet er rekening mee worden gehouden dat [bedrijf 2] , als houder van een kwart licentie, een mogelijk grote hoeveelheid bollen van het ras Zambesi heeft vermeerderd waarover zij als licentienemer geen opgave heeft gedaan. Dit is een ernstige tekortkoming van [bedrijf 2] onder de licentieovereenkomst. Daarom heeft [verzoekster] voldoende belang bij inzage en afschrift van de beslagen gegevens over: de periode waarover HVV en [bedrijf 2] materiaal (componenten en/of oogstmateriaal) van het ras ‘Zambesi’ hebben vermeerderd, verkocht en/of geleverd; de exacte hoeveelheden bollen (componenten (plantgoed) en/of oogstmateriaal) van het ras ‘Zambesi’ die HVV en [bedrijf 2] in de periode vanaf 2019 hebben vermeerderd, hebben aangeboden, ingekocht, verkocht, geleverd, ingevoerd, uitgevoerd en in voorraad hebben en hebben gehad, inclusief de bijbehorende de aan- en verkoopprijzen, e.e.a. vergezeld van duidelijke kopieën van de op die handelingen betrekking hebbende facturen en andere bewijsmaterialen; de namen en adressen van alle bij HVV en [bedrijf 2] bekende ontvangers, leveranciers, c.q. telers van bollen van het ras ‘Zambesi’ die vanaf 2019 door HVV en [bedrijf 2] zijn verhandeld; e door HVV gerealiseerde omzet en winst als resultaat van de verhandeling van (plant)materiaal van het ras ‘Zambesi’. 3.3. Gerekwestreerden voeren verweer. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling De eis in de hoofdzaak is tijdig ingesteld 4.1. Allereerst is aan de orde het verweer van gerekwestreerden dat het bewijsbeslag is vervallen, omdat [verzoekster] niet tijdig - binnen vier weken na het eerste gelegde beslag c.q. zes maanden na datum beschikking - een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Het inzageverzoek is volgens gerekwestreerden niet aan te merken als een eis in de hoofdzaak. Dit verweer gaat niet op, gelet op het volgende. 4.2. Per 1 januari 2025 is met de “Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht” (hierna: de wet) de inzageregeling van art. 194 Rv e.v., ingevoerd. Voordien werd de inzage in art. 43a Rv geregeld. Het verzoekschrift van [verzoekster] is gebaseerd op art. 194 Rv, omdat dit artikel temporeel van toepassing is op het verzoek. 4.3. Uit de volgende passages uit de Memorie van Toelichting bij de wet maakt de rechtbank op dat dat een inzageverzoek na bewijsbeslag als eis in de hoofdzaak kan worden aangemerkt (onderstreping door rechtbank): “Het vierde lid van artikel 205 (nieuw) bevat - naast het vereiste van voorafgaand rechterlijk verlof - een andere belangrijke voorwaarde voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag. Die voorwaarde houdt in dat het bewijsbeslag moet plaatsvinden binnen het kader van een lopende procedure of, als nog geen procedure is gestart, moet worden gevolgd door een eis in de hoofdzaak. De eis in de hoofdzaak zal bij het bewijsbeslag vaak bestaan in een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting, in het bijzonder een verzoek om inzage als bedoeld in artikel 204 (nieuw). (…) De eis in de hoofdzaak is niet beperkt tot een verzoek om een of meer voorlopige bewijsverrichtingen. Ook een vordering tot schadevergoeding is denkbaar. (…) Als in het verzoekschrift niet wordt verwezen naar een al aanhangige procedure over de rechtsbetrekking waarover het geschil gaat (zie het tweede lid, onder e), bepaalt de rechter in de verlofbeschikking de termijn waarbinnen de verzoeker de eis in de hoofdzaak moet instellen. Voor het bepalen van de termijn kan de voorzieningenrechter aansluiten bij de in artikel 700, derde lid, genoemde termijn die op verzoek van de beslaglegger voorafgaand aan het verstrijken van die termijn zo nodig kan worden verlengd. In het voorgestelde artikel 205, vierde lid, wordt nadrukkelijk bevestigd dat overschrijding van de termijn voor het instellen van de eis in de hoofdzaak het beslag doet vervallen.” 4.4. Onder het voor 1 januari 2025 geldende recht werd eveneens ervan uitgegaan dat een inzagevordering ex art. 843a Rv als een eis in de hoofdzaak kon worden aangemerkt. 4.5. Het voorgaande betekent dat [verzoekster] met het inzageverzoek tijdig - binnen zes maanden na 27 februari 2025 - een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Het inzageverzoek 4.6. Art. 194 Rv biedt een zelfstandige grondslag voor recht op inzage van gegevens. Voor het recht op inzage (daaronder valt ook het recht op afschrift of uittreksel) moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Degene die informatie van een ander verlangt moet (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.