Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummers: FA RK 25-4653 (echtscheiding) FA RK 24-1340 (verdeling) FA RK 25-7854 (alimentatie jongmeerderjarige) Zaaknummers: C/09/653601 (echtscheiding) C/09/661897 (verdeling) C/09/693184 (alimentatie jongmeerderjarige) Datum beschikking: 10 november 2025 1) Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 11 september 2023 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden. 2) Alimentatie Beschikking op het op 11 september 2023 ingekomen verzoek van: [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] , de jongmeerderjarige, namens wie [de vrouw] als gemachtigde optreedt, advocaat: mr. H.H.R. Bruggeman te Leiderdorp. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C. Ekholm te Leiden. Procedure Op 7 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden waar de vrouw en de man hebben ingestemd met mediation. De rechtbank heeft bepaald dat: als de mediation slaagt, partijen ofwel de verzoeken dienen in te trekken dan wel een schriftelijk stuk, waarin de afspraken zijn opgenomen, moeten indienen om aan de beschikking te hechten; als de mediation niet slaagt, partijen ieder een termijn van vier weken krijgen om een reactie aan de rechtbank te sturen. Deze moet van beperkte omvang zijn. De rechtbank gaat in beginsel geen kennisnemen van omvangrijke stukken. Daarnaast dienen partijen de rechtbank te informeren over welke hulpverlening is dan wel wordt ingezet, hoe het met de kinderen gaat en dienen zij indien nodig de verzoeken ten aanzien van de kinderen aan te passen. Vervolgens krijgen partijen een termijn van vier weken om over en weer op elkaar te reageren. Bij bericht van 13 mei 2025 heeft de vrouw een door de man en de vrouw ondertekend ouderschapsplan overgelegd. Bij bericht van 26 juni 2025 is door beide partijen medegedeeld dat zij – conform hetgeen bepaald in het proces-verbaal van 7 november 2024 – binnen vier weken een reactie zullen indienen. De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; - het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens zelfstandig verzoek; - het F9-formulier van 21 augustus 2024 van de vrouw, met bijlage; - het F9-formulier van 27 oktober 2024 van de vrouw, met bijlagen; - het F9-formulier van 13 mei 2025 van de vrouw, met bijlage; - het F9-formulier van 21 juli 2025 van de vrouw, met bijlagen; - het F9-formulier van 30 juli 2025 van de man; - het F9-formulier van 10 september 2025 van de man, met bijlage; - het F9-formulier van 2 oktober 2025 van de vrouw, met bijlagen. De minderjarige [minderjarige 2] heeft schriftelijk, in een brief aan de kinderrechter, haar mening kenbaar gemaakt. Op 13 oktober 2025 is de mondelinge behandeling van de twee procedures gecombineerd op de zitting van deze rechtbank behandeld en voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat en tolk L. Makaddam. Door de advocaat van de vrouw is een nader stuk overgelegd, namelijk de machtiging van de jongmeerderjarige [jongmeerderjarige] aan de vrouw, om namens haar te procederen en een bijdrage aan alimentatie voor jongmeerderjarige te verzoeken van de man. Feiten - De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2001 te [plaats 1] , Marokko. - Zij zijn de ouders van de volgende nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2009 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2011 te [geboorteplaats] , en van de inmiddels jong-meerderjarige: - [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2006 te [geboorteplaats] , - De kinderen verblijven op dit moment bij de vrouw. - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit. - Blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) hebben de man en de vrouw in ieder geval de Nederlandse nationaliteit. - Deze rechtbank heeft op 22 maart 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover van belang, inhoudende: - dat de kinderen aan de vrouw zullen worden toevertrouwd; - dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 2] , [adres] ; - dat de man aan de vrouw een voorlopige partneralimentatie van € 665,- per maand zal betalen; - dat de man aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie (bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt)van € 165,- per maand, per kind zal betalen. - Deze rechtbank heeft op 22 november 2023 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij – voor zover hier van belang –: - de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd vanaf de datum dat de vrouw een andere woning heeft betrokken; - een voorlopige zorgregeling is vastgesteld waar de kinderen eenmaal per twee weken van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man zijn, vanaf de datum dat de vrouw een andere woning heeft betrokken; - is bepaald dat de man aan de vrouw, voorlopige een kinderalimentatie van € 91,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen vanaf de datum dat de vrouw een andere woning heeft betrokken; - Deze rechtbank heeft op 12 maart 2024 – met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 22 november 2023 – bepaald dat: - de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning met het bevel aan de man die woning niet te betreden; - de kinderen aan de vrouw worden toevertrouwd; - de man voorlopig gerechtigd is om de kinderen een dagdeel in het weekend bij zich te hebben; - de man aan de vrouw met ingang van de datum van de beschikking voorlopig een kinderalimentatie van € 91,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw, zoals dat na wijziging luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - aanhechting van het ouderschapsplan aan de beschikking; - bij gebreke van een ouderschapsplan: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw; - bij gebreke van een ouderschapsplan en zodra de man de beschikking over een woonruimte heeft: vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de kinderen, in die zin dat de kinderen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man zijn; - bij gebreke aan een ouderschapsplan: vaststelling van kinderalimentatie van de man aan de vrouw per datum verzoekschrift ten behoeve van [jongmeerderjarige] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 165,- per maand per kind, dan wel een bedrag dat de rechtbank juist acht; - vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 496,- bruto per maand, dan wel een bedrag dat de rechtbank juist acht; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de vrouw; - toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning; - bepaling dat de vrouw, in het kader van de schuld bij de Belastingdienst, voor € 101,50 regres op de man heeft, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man voert, tot referte van het verzoek tot aanhechten van het ouderschapsplan en de regresvordering van de vrouw in het kader van de schuld bij de Belastingdienst, voor het overige nog verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de man; - bepaling dat, zodra de vrouw de beschikking over een woonruimte heeft, tussen de vrouw en de minderjarigen een co-ouderschapsregeling zal gelden waarbij de minderjarigen om de week een week bij de vrouw verblijven alsmede de helft van alle (religieuze) feest- en vakantiedagen. - vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van € 131,- per maand voor alle kinderen - bepaling dat de man geen draagkracht heeft om aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud te betalen; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van de man; - toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan. Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Rechtsgeldigheid huwelijk In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 BW erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang, omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden. Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk wordt erkend wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 eerste lid BW). Het vierde lid van artikel 10:31 BW bepaalt dat een huwelijk wordt vermoed rechtsgeldig te zijn indien een huwelijksverklaring is afgegeven door een bevoegde autoriteit. Uit het uittreksel van de huwelijksakte en de vertaling daarvan blijkt dat de man en de vrouw op [datum] 2001 in [plaats 1] , Marokko zijn getrouwd. Gelet hierop wordt op grond van het vierde lid van artikel 10:31 BW vermoed dat het huwelijk tussen de man en de vrouw rechtsgeldig is voltrokken, zodat het tussen de man en de vrouw in Marokko gesloten huwelijk voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot het oordeel dat het huwelijk van de man en de vrouw niet voor erkenning vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 10:32 BW, is niet gebleken. Nu het huwelijk aldus in Nederland wordt erkend, kan de rechtbank overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot echtscheiding. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en hebben beiden een verzoek tot echtscheiding gedaan. Deze verzoeken tot echtscheiding kunnen als op de wet gegrond worden toegewezen. Ouderschapsplan Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek de getroffen regelingen op te nemen in de beschikking. De rechtbank zal hierop Nederlands recht als haar interne recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw hebben afspraken over de kinderen vastgelegd in een ouderschapsplan, door hen beiden ondertekend op 8 mei 2025. Zij verzoeken allebei om het ouderschapsplan aan de beschikking te hechten. De rechtbank beschouwt de verzoeken van de man ter zake de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling daarmee als ingetrokken. Hoewel op de zitting is gebleken dat het ouderschapsplan niet volledig wordt uitgevoerd, zal de rechtbank een kopie van het ouderschapsplan aan deze beschikking hechten. Met de ondertekening van het ouderschapsplan zijn zij immers over en weer de verplichting aan te gaan dat ouderschapsplan na te leven. Kinderalimentatie en alimentatie [jongmeerderjarige] Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de jong-meerderjarige. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de jong-meerderjarige zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling Omdat [jongmeerderjarige] meerderjarig is, heeft zij haar moeder een volmacht te geven om in de procedure met kenmerk C/09/693184 FA RK 25-7854 voor haar een bijdrage aan alimentatie te verzoeken. In het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2025 is de prejudiciële vraag of een verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie ten behoeve van een jongmeerderjarige ontvankelijk is wanneer de ouder die hiertoe gemachtigd is dit als nevenvoorziening van de echtscheiding in de zin van artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) verzoekt, ontkennend beantwoord (ECLI:NL:HR:2025:724). Een dergelijke bijdrage kan niet op de voet van artikel 827 lid 1, aanhef onder g, Rv als nevenvoorziening worden bepaald, omdat het om een aanspraak gaat van de jongmeerderjarige op zijn of haar ouders. De echtscheiding heeft op die aanspraak geen effect. Het voorgaande staat er niet aan in de weg dat de rechtbank een dergelijk verzoek van de jongmeerderjarige afsplitst en gelijktijdig behandelt met verzoeken die in die echtscheidingsprocedure tussen de ouders van de jongmeerderjarige worden gedaan en daar gelijktijdig op beslist. Zo is geschied. Ingangsdatum Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. Omdat bij de voorlopige voorzieningenprocedure van 22 november 2023 een voorlopige bijdrage aan kinderalimentatie is vastgelegd van € 91,- per kind per maand, zal de rechtbank de bijdrage aan kinderalimentatie en de bijdrage voor [jongmeerderjarige] vaststellen per datum van deze beschikking. Behoefte Voor de behoefte van de minderjarige kinderen en [jongmeerderjarige] is op de zitting met partijen besproken of voor alle drie de kinderen van dezelfde behoefte uitgegaan moet worden, of dat voor [jongmeerderjarige] de norm gebaseerd op de Wet studiefinanciering (Wsf norm) gehanteerd moet worden. De vrouw vindt dat voor de drie kinderen van een gelijke behoefte uitgegaan moet worden. De man heeft aangevoerd dat [jongmeerderjarige] zelf geld verdient met haar bijbaan en dus een andere behoefte gehanteerd moet worden. Op de zitting heeft de vrouw echter toegelicht dat [jongmeerderjarige] een heel beperkt aantal uren per week werkt en dat zij dus niet een substantieel inkomen genereert dat moet drukken op de behoefte van [jongmeerderjarige] . De rechtbank zal voor de drie kinderen uitgaan van een gelijke behoefte. Uitgaande van de Wsf-norm zou de behoefte van [jongmeerderjarige] hoger uitkomen. Die hogere behoefte wordt gecompenseerd door een beperkt eigen inkomen van [jongmeerderjarige] . Omdat, zoals hierna zal blijken, de draagkracht van de man en de vrouw de beperkende factor is zal een hogere behoefte bovendien niet leiden tot een hogere bijdrage van de man aan de vrouw voor de minderjarige kinderen, respectievelijk [jongmeerderjarige] . De rechtbank acht het daarom redelijk dat de draagkracht van de ouders gelijk over de kinderen wordt verdeeld. NBI vrouw Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw € 1.427,- per maand was ten tijde van het uiteengaan van de man en de vrouw, te weten 2023. NBI man Voor het NBI van de man gaat de rechtbank uit van zijn cumulatief inkomen van 2023 van afgerond € 39.790,-, dat volgt uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van de man van juli 2023 tot en met december 2023. Hieruit volgt een NBI van € 2.670,-. Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2023 dus € 4.097,- per maand (€ 1.427+ € 2.670). Op basis van dit NBGI hadden de man en de vrouw recht op een kindgebonden budget van € 455,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2023 leidt het voorgaande tot een behoefte van € 1.181,- per maand voor de kinderen. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.336,- per maand, te weten afgerond € 446,- per kind per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen de man en de vrouw moet worden verdeeld. Draagkracht man Van de man zijn alleen financiële gegevens over het jaar 2023 bekend. De man heeft geen recente stukken ingediend. Desgevraagd heeft de man op de zitting toegelicht dat hij nu tussen de € 2.900,- en € 3.000,- bruto per maand verdient, te vermeerderen met vakantietoeslag en een dertiende maand. De vrouw heeft op de zitting betoogd dat uitgegaan moet worden van het jaarinkomen van de man in 2024, volgend uit het cumulatief van zijn IB60 formulier van 2024. Dit formulier heeft zij de man en de rechtbank op de zitting getoond. Uit dat formulier volgt een bruto jaarinkomen in 2024 van € 43.150,-. De man heeft als reactie hierop aangegeven niet te weten of dit klopt, maar heeft de juistheid hiervan ook niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van dit bruto jaarinkomen. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 2.945,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan € 526,- per maand. Draagkracht vrouw Tussen partijen is niet in geschil dat uitgegaan moet worden van de meest recente uitkeringsspecificatie van de vrouw. Hieruit volgt dat zij een WIA-uitkering van afgerond € 1.996,- per maand ontvangt, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.457,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vrouw ook hoger is dan € 2.125,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht dezelfde formule gebruiken als bij de man: 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)]. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan € 287,- per maand. Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 813,- per maand (€ 526 + € 287). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 525,- per maand. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een zorgkortingspercentage van 5%, conform het ouderschapsplan. De zorgkorting bedraagt dan € 22,- per maand (5% van € 446,-). Omdat sprake is van een tekort en dit tekort ten minste twee keer zo groot is als de zorgkorting, vervalt de zorgkorting van de man. De man en de vrouw zullen daarom maximaal, naar hun draagkracht, moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen. Het aandeel van de man in de kosten van de kinderen is dus gelijk aan zijn draagkracht, te weten € 175,- per kind per maand. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de man zowel ten aanzien van de minderjarigen als aan [jongmeerderjarige] een bedrag van € 175,- per kind per maand zal betalen. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het alimentatieverzoek. Op het verzoek tot alimentatie voor de vrouw zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling Omdat de man en de vrouw al onvoldoende draagkracht hebben om volledig in de behoefte van hun kinderen te voorzien, zal de rechtbank het verzoek tot vaststelling van een partneralimentatie wegens gebrek aan draagkracht afwijzen. Huurrecht echtelijke woning Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de echtelijke woning in Nederland is gelegen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot het verzoek tot toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning aan de man of vrouw en wordt dit verzoek volgens Nederlands internationaal privaatrecht door Nederlands recht beheerst. Inhoudelijke beoordeling De man en de vrouw hebben in de stukken allebei verzocht om het huurrecht toegewezen te krijgen. Momenteel verblijft de vrouw met de kinderen in de woning. Op de zitting is gebleken dat de man per 3 november 2025 een nieuwe woning tot zijn beschikking krijgt, maar liever blijft hij in de echtelijke woning. De vrouw heeft ook een nieuwe, grotere woning aangeboden gekregen, onder de voorwaarde dat zij de echtelijke woning achterlaat voor een starter op de woningmarkt. Zij stelt daarom dat het huurrecht van de echtelijke woning niet aan de man kan worden toegewezen, omdat zij in dat geval geen aanspraak meer kan maken op de nieuwe woning. Uitgaande van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man, ten opzichte van de vrouw (en de kinderen), een veel beperkter belang heeft bij toekenning van het huurrecht van de echtelijke woning. De rechtbank zal het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toewijzen. Verdeling huwelijksgemeenschap Rechtsmacht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van de man en de vrouw (artikel 5, eerste lid, Verordening huwelijksvermogensstelsels). Toepasselijk recht Nu de man en de vrouw zijn gehuwd op [datum] 2001 is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing. De man en de vrouw hadden op het moment van de huwelijkssluiting in ieder geval de Marokkaanse nationaliteit. De vrouw woonde ten tijde van de huwelijkssluiting in Nederland en de man in Marokko. De man heeft zich op 8 februari 2002 in Nederland gevestigd en dus niet binnen zes maanden na het huwelijk. Dit betekent dat de man en de vrouw hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde staat hebben gevestigd. Gelet op het voorgaande is op grond van artikel 4 lid 2 sub 3 van het Verdrag Marokkaans recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de man en de vrouw, van toepassing. Nadien heeft zich echter de situatie voorgedaan zoals omschreven in artikel 7 lid 2 sub 3 van het Verdrag. De man heeft zich namelijk op 18 februari 2002 in Nederland gevestigd, waardoor vanaf dat moment Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit betekent dat in de periode van [datum] 2001 tot 18 februari 2002 het Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en dat vanaf 18 februari 2002 Nederlands recht van toepassing is geworden op het huwelijksvermogensregime. Dit wordt het ‘wagonstelsel’ genoemd. Het Nederlands recht beheerst alleen de goederen die de echtgenoten ná de wijziging tot de datum van ontbinding van de gemeenschap hebben verkregen. De eerder verkregen goederen blijven vallen onder het recht waaronder zij zijn verkregen, te weten het Marokkaanse recht. De rechtbank gaat ervan uit dat de vermogensbestanddelen, zoals hierna zal worden overwogen, zijn verkregen na de wijziging, hetgeen door de man en de vrouw op de zitting is bevestigd. Dat beteken dat daarop Nederlands recht van toepassing is. Inhoudelijke beoordeling Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen de echtgenoten vanaf 18 februari 2002 een algehele gemeenschap van goederen bestond, waartoe alle vermogensbestanddelen zijn gaan behoren. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen de echtgenoten moet worden verdeeld. Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 11 september 2023, de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. Omvang Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht: woning en stukken land in Marokko; inboedelgoederen in Marokko en Nederland; bankrekeningen in Marokko: a. gezamenlijke rekening: [rekeningnummer 1] bij Banque Populaire; b. bankrekening op naam van de man waar verkoopopbrengst woning Marokko op is gestort; c. rekening op naam van de vrouw bij Banque Populaire met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ; bankrekeningen in Nederland: a. rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van beide de man en de vrouw; b. rekeningnummer [rekeningnummer 4] op naam van de vrouw; c. rekeningnummer [rekeningnummer 5] op naam van de man; vorderingen in Marokko; vervoermiddelen in Marokko: a. Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 1] ; auto in Nederland; a. de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] ; Belastingschuld. Ad
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.