RECHTBANK Den Haag Team handel Zittingsplaats Den Haag Zaaknummer: C/09/686206 / HA ZA 25-491 Vonnis van 10 december 2025 in de zaak van [eiser] , te [woonplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , advocaat: mr. R. Gijsen, tegen STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Openbaar Ministerie, Ministerie van Financiën, dienst Domeinen Roerende Zaken) te Den Haag, gedaagde partij, hierna te noemen: de Staat, advocaat: mr. J. Perenboom. 1Waar gaat deze zaak om? In verband met een tegen de zoon van [eiser] ingesteld strafrechtelijk onderzoek is strafvorderlijk beslag gelegd op een op naam van [eiser] gestelde Mercedes, zowel op grond van artikel 94 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) als op grond van art. 94a Sv. Ruim drie jaar later is de Mercedes aan [eiser] teruggeven. [eiser] vordert voor recht te verklaren dat de Staat jegens hem aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van zijn Mercedes door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. De Staat voert gemotiveerd verweer. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van [eiser] met producties 1-11; - de conclusie van antwoord van de Staat met producties 1-14; - het tussenvonnis van 1 oktober 2025, waarbij een mondelinge behandeling is bevolen. 2.2. Op 30 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen [eiser] , bijgestaan door zijn advocaat. Namens de Staat is verschenen mr. [naam 1] , juridisch adviseur verbonden aan het College van procureurs-generaal, onderdeel van het Openbaar Ministerie. Ter zitting heeft [eiser] nog de producties 12-15 in het geding gebracht. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt. 2.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 3De feiten 3.1. Op 12 juli 2018 is van autobedrijf Stern een Mercedes-Benz AMG GLE 635 AMG gekocht, met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Mercedes) voor een bedrag van € 160.000,-. De hiertoe opgestelde factuur staat op naam van [eiser] . Daaruit blijkt verder dat een eerdere auto is ingeruild en dat nog een restantbedrag van € 78.500,- moest worden betaald. Op 9 juli 2018 is laatstgenoemd bedrag vanaf een betaalrekening ten name van [eiser] aan het autobedrijf voldaan. 3.2. De zoon van [eiser] ( [naam 2] ) is verdachte in een strafzaak. Hij wordt verdacht van witwassen, deelname aan een criminele organisatie en overtreding van de Opiumwet. Op 6 oktober 2020 vond bij onder anderen de zoon een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Tijdens die doorzoeking bij de zoon is de Mercedes in beslag genomen op grond van artikel 94 Sv (zgn. klassiek beslag). Het beslag is gelegd ten laste van de zoon als verdachte. 3.3. Op 3 november 2020 is, eveneens ten laste van de zoon, tevens (aanvullend) beslag gelegd op de Mercedes op grond van artikel 94a Sv (zgn. conservatoir beslag). Dit gebeurde op basis van een op 28 november 2018 door de rechter-commissaris in de strafzaak tegen de zoon verleende machtiging tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in artikel 126 Sv. De Mercedes is door de Dienst Domeinen Roerende Zaken gestald. Eerste beklagprocedure 3.4. Op 12 november 2020 heeft [eiser] een (eerste) klaagschrift ingediend tegen de inbeslagneming ex art 552a Sv. Hij heeft verzocht om opheffing van het onder zijn zoon gelegde beslag op de Mercedes en de teruggave van de Mercedes aan hem te gelasten. Hiertoe heeft aangevoerd eigenaar te zijn van de Mercedes en een met zijn zoon gesloten huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken d.d. 1 maart 2020 overgelegd. Nadat het Openbaar Ministerie op 6 januari 2021 had geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beslag, heeft de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 16 februari 2021 het beklag ongegrond verklaard. 3.5. Tegen deze beschikking heeft [eiser] geen rechtsmiddel aangewend. Tweede beklagprocedure 3.6. Op 25 maart 2021 heeft [eiser] een tweede klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend en opnieuw om teruggave van de Mercedes verzocht. Daarbij heeft hij een aantal nieuwe documenten overgelegd, te weten een verklaring van de accountant over de huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken (inhoudende dat [eiser] in tegenstelling tot hetgeen door de rechtbank in haar beschikking van 16 februari 2021 heeft overwogen, géén betaling van € 10.000,- aan zijn zoon heeft gedaan, omdat dit op een verschrijving in de overeenkomst berust), een met bewijsstukken onderbouwde verklaring over de gang van zaken rond de aankoop, financiering en aflevering van de Mercedes en ook over de aankoop, financiering en aflevering van de daartoe ingeruilde auto en een verklaring van [eiser] over de redenen waarom hij met betrekking tot de Mercedes een huurovereenkomst met recht tot koop roerende zaken met zijn zoon heeft gesloten. Tot slot heeft [eiser] zakelijk aangevoerd dat hij tot op heden het bedrag van € 10.000,- niet heeft mogen ontvangen van zijn zoon en dat op geen enkele wijze valt in te zien hoe hier witgewassen kan worden. Het gaat volgens [eiser] om evident vermogen van [eiser] , er zijn contracten opgesteld en er vonden girale betalingen plaats van de beslagen zoon aan [eiser] . 3.7. Op 7 juni 2021 heeft het Openbaar Ministerie primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] in zijn (herhaalde) beklag en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beklag. Bij beschikking van 11 juni 2021 heeft de rechtbank Oost-Brabant [eiser] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij stukken had overgelegd die reeds bekend hadden kunnen zijn bij het indienen van het eerdere klaagschrift dan wel informatie die ten tijde van de vorige behandeling van het beklag reeds bekend was, reden waarom de rechtbank geen aanleiding zag voor een nieuwe inhoudelijke beoordeling. 3.8. Op 31 januari 2023 heeft de Hoge Raad het door [eiser] ingestelde cassatieberoep gegrond verklaard, de beschikking van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank. 3.9. De rechtbank heeft bij beschikking van 30 mei 2023 het hernieuwde beklag van [eiser] ongegrond verklaard. De rechtbank overwoog voor zover van belang het volgende: “Op de voornoemde voertuigen rust zowel strafrechtelijk als conservatoir beslag. Het beslag is gelegd onder de zoon van klager, de heer [naam 2] . (…) Ter zake van conservatoir beslag ex artikel 94a Sv geldt als criterium voor teruggave aan een derde - zoals klager - of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar te goeder trouw van het voorwerp moet worden aangemerkt. Voorts geldt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. (…) - Mercedes ( [kenteken 1] ) De rechtbank stelt voorop dat uit het feit dat het kenteken - sinds 12 juli 2018 - ten name van klager is gesteld niet meebrengt dat klager als eigenaar dient te worden aangemerkt. Immers, zoals hiervoor reeds opgemerkt, wordt naar het eigenaar zijn van degene die een kenteken aanvraagt geen onderzoek verricht. De rechtbank dient aan de hand van de voorhanden zijnde stukken een oordeel te vormen met betrekking tot de vraag of klager als eigenaar kan worden aangemerkt. Blijkens het door klager overgelegde factuur d.d. 13 juli 2018 van Stern Auto BV. bedroeg de koopsom van dit voertuig in totaal € 160.000,-. Daarop is in mindering gebracht de inruilwaarde van een Mercedes Benz GLE 450 AMG (kenteken [kenteken 2] ) van € 81.500.-. Het resterende deel, zijnde € 78.500.- is blijkens het door klager overgelegde rekeningafschrift op 9 juli 2018 vanaf zijn bankrekening overgemaakt naar Stern Auto BV. Met betrekking tot de inruilauto ( [kenteken 2] ) heeft klager stukken overgelegd, te weten een factuur d.d. 30 april 2016 van Stern Auto BV. en een afschrift van zijn bankrekening waaruit blijkt dat hij ten behoeve van de aanschaf van deze auto een bedrag van € 60.000.- naar Stern Auto B.V. heeft overgemaakt. Met betrekking tot de Mercedes bevindt zich verder een huurovereenkomst d.d. 1 maart 2020 bij de stukken. Blijkens die overeenkomst zou klager onder andere per 1 april 2020 voor de duur van 60 maanden het voertuig verhuren aan [naam 2] voor € 1500.- per maand. Daarnaast diende [naam 2] € 125,- per maand aan wegenbelasting te betalen. De in de huurovereenkomst genoemde huurbetaling en de betaling ten behoeve van de wegenbelasting door [naam 2] hebben plaatsgevonden. De balans opmakend komt de rechtbank tot de tussenconclusie dat op basis van de beschikbare documenten het erop lijkt dat klager eigenaar is van de Mercedes. De rechtbank dient daarom te onderzoeken of zoals het Openbaar Ministerie stelt, er sprake is van een schijnconstructie. In dat kader is door het Openbaar Ministerie verwezen naar de financiële positie van [naam 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen (…) volgt dat op basis van onderzoek het onduidelijk is hoe [naam 2] zijn maandelijkse lasten van € 6.000,- heeft kunnen betalen. Op basis van het maandelijkse inkomen zou dat niet mogelijk zijn. Ter zitting heeft klager onder meer verklaard dat hij vaker iets voor zijn zoon betaalt, alles voor zijn zoon zou doen en dat zijn zoon hem vaak nodig heeft gehad. Uit de verklaring van klager volgt dat hij nauw betrokken is bij zijn zoon maar ook dat hij inzicht heeft in zijn financiële situatie. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat klager bekend was met het gegeven dat zijn zoon onvoldoende financiële ruimte had om de Mercedes te betalen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank toch twijfels met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de Mercedes. De rechtbank komt tot de conclusie dat niet buiten redelijke twijfel staat dat klager als eigenaar van de Mercedes moet worden aangemerkt.” 3.10. [eiser] heeft opnieuw cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 11 juni 2024 ook deze uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad heeft hiertoe het volgende overwogen: “2.4 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval waarin op grond van artikel 94a Sv beslag is gelegd en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of buiten redelijke twijfel staat dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt. De rechter moet daarvan in zijn beslissing blijk geven. Als die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter ook moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet (vgl. HR 20 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2144). 2.5 De rechtbank heeft geoordeeld dat niet buiten redelijke twijfel staat dat de klager als eigenaar van de inbeslaggenomen Mercedes moet worden aangemerkt. In het licht van de vaststellingen over de betalingen die door de klager zijn gedaan aan Stern Auto B.V. in verband met de aankoop van de op zijn naam gestelde auto, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. De enkele overweging van de rechtbank dat zij in verband met de financiële positie van de zoon van de klager, tevens huurder van de auto twijfels heeft met betrekking tot de huurconstructie ten aanzien van de auto, volstaat daartoe niet. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat vanwege die huurconstructie zich de situatie van artikel 94a leden 4 of 5 Sv voordoet, is dat oordeel evenmin toereikend gemotiveerd.” 3.11. Bij e-mail van 11 juni 2024 heeft de strafrechtadvocaat van [eiser] het Openbaar Ministerie gevraagd om teruggave van de Mercedes. Nadat de zaaksofficieren op 18 juni 2024 per e-mail hadden laten weten hiervoor geen aanleiding te zien, heeft het ressortsparket op 4 juli 2024 aan de strafrechtadvocaat van [eiser] bericht dat de Mercedes zou worden teruggegeven. Op 18 juli 2024 is de feitelijke teruggave in gang gezet. 3.12. [eiser] heeft de auto op 7 augustus 2024 laten ophalen door een transportbedrijf. De auto startte toen niet; de twee accu’s waren kapot. Bij de Dienst Domeinen Roerende Zaken heeft de Mercedes een periode binnen gestaan en de laatste periode heeft de auto buiten gestaan. Er is niet met de Mercedes gereden en er is geen onderhoud aan gepleegd. 3.13. Bij beschikking van 5 september 2024 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch [eiser] , bij gebrek aan belang, alsnog niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag, omdat het beslag inmiddels was geëindigd. Duur beslagen 3.14. Het (klassieke beslag ex artikel 94 Sv heeft geduurd van 6 oktober 2020 tot en met 4 juli 2024 en het (conservatoire) beslag ex artikel 94a Sv van 3 november 2020 tot en met 4 juli 2024. Verdere ontwikkelingen 3.15. [eiser] heeft de Staat bij brief van 12 december 2024 aansprakelijk gesteld voor alle geleden of te lijden schade, met ingang van 6 oktober 2020, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft diverse schadeposten opgevoerd: “Op grond van het vorenstaande heeft cliënt dan ook nader gespecificeerd en opeisbaar te vorderen: (…) b. Kosten herstel, reparatie en rijklaar maken € 4.818,63 c. Waardevermindering auto € 45.000,00 d. Gemiste huurinkomsten € 63.000,00 (...) f. Subtotaal hoofdsom € 136.557,02 g. Buitengerechtelijke (incasso)kosten conform WIK € 2.140,57 h. Wettelijke rente over hoofdsom vanaf 6.10.2020 – heden € 22.866,75 i. Totaal behoudens rente p.m. € 161.564,34” De door [eiser] oorspronkelijk onder a genoemde transportkosten heeft de Staat (als op grond van de wet verschuldigd) vergoed. De oorspronkelijk onder e genoemde advocaatkosten wegens het voeren van de beklagprocedure zullen (conform de op grond van artikel 530 Sv op 21 juli 2025 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch gewezen uitspraak) eveneens aan [eiser] worden vergoed. Deze schadeposten spelen in deze procedure geen rol meer. 3.16. Op 24 februari 2025 heeft [eiser] de Mercedes verkocht aan D.V. Trading voor een bedrag van € 55.000,-. 3.17. De Staat heeft bij afzonderlijke brieven van 6 maart 2025 en 14 maart 2025 voor zover nog van belang alle aansprakelijkheid van de hand gewezen. 3.18. In de strafzaak tegen de zoon van [eiser] heeft nog geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De strafzaak loopt nog. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert - samengevat - te verklaren voor recht dat de Staat jegens hem aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van de Mercedes door [eiser] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van de Staat in de kosten van het geding. 4.2. De Staat voert gemotiveerd verweer en concludeert kort gezegd tot afwijzing van het gevorderde, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure. 4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 5De beoordeling Centrale vraag 5.1. In deze zaak staat centraal vraag of de Staat jegens [eiser] aansprakelijk is voor de als gevolg van de inbeslagname en opslag/bewaring van de Mercedes door hem geleden en nog te lijden schade. Daartoe moet de rechtbank allereerst nagaan of de Staat jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld wegens het leggen respectievelijk handhaven van de ten laste van de zoon van [eiser] gelegde strafvorderlijk beslagen op een op naam van [eiser] gestelde Mercedes. Korte weergave strafvorderlijk kader 5.2. In dit geval gaat het om beslagen gelegd op grond van art. 94 Sv (klassiek beslag) en art. 94a Sv (conservatoir beslag). Op de voet van het bepaalde in de artikelen 94 en 94a Sv zijn vatbaar voor inbeslagneming voorwerpen, die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen, of waarvan de verbeurdverklaring dan wel de onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen, of die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen geldboete of de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook als geen van deze doelen meer aanwezig is, dan nog kan het beslag voortduren, maar dan niet meer in het belang van strafvordering, namelijk als dit geschiedt ter bewaring van het voorwerp ten behoeve van een onbekende rechthebbende (art. 116 lid 2; art. 353 lid 2 Sv). Het beslag ex art. 94a Sv strekt ertoe om verhaalsrecht ter zake van een geldboete of een voordeelsontneming veilig te stellen. Deze sancties kunnen slechts worden opgelegd aan een veroordeelde. Onder omstandigheden kunnen ook goederen worden beslagen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen (lid 4 en lid 5 van art. 94a Sv). 5.3. Ingevolge artikel 552a Sv kunnen belanghebbenden kunnen zich in geval van beslag op grond van art. 94 en/of 94a Sv schriftelijk beklagen over inbeslagneming en het uitblijven van een last tot teruggave (lid 1). Het klaagschrift of het verzoek wordt zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming van de voorwerpen ingediend ter griffie van het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd. Acht het gerecht het beklag of het verzoek gegrond, dan geeft het de daarmede overeenkomende last (lid 10). 5.4. De 552a Sv-procedure wordt gekenmerkt door een onderzoek in raadkamer met een summier karakter. Een geringe mate van waarschijnlijkheid dat aan één van de gronden is voldaan is reeds voldoende om het beslag te handhaven. Als de beklagrechter de inbeslagneming onrechtmatig acht, dient hij zonder verdere belangenafweging teruggave te gelasten, tenzij het doel van het beslag onttrekking aan het verkeer is. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter in een geval waarin op de voet van artikel 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van artikel 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van artikel 94a lid 4 of 5 Sv voordoet. Indien buiten redelijke twijfel is dat de klager als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt en zich niet de situatie voordoet als bedoeld in art. 94a lid 4 of 5 lid, Sv, dient het inbeslaggenomen voorwerp aan de klager te worden teruggegeven. Onderzoek naar het belang van strafvordering is dan niet aan de orde. Bij het beantwoorden van de vraag wie redelijkerwijs rechthebbende is zal de strafrechter niet behoren te treden in de beslechting van burgerrechtelijke eigendoms- en bezitskwesties, maar zal hij daarbij civielrechtelijke aspecten mogen betrekken. Het gaat in de beslagprocedure immers om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten ten aanzien van het in het geding zijnde voorwerp. Inhoudelijke beoordeling 5.5. Tussen partijen staat vast dat [eiser] geen verdachte is (geweest) in de strafzaak waarvoor de strafvorderlijke beslagen zijn gelegd, en dat deze beslagen bevoegd zijn gelegd ten laste van zijn zoon. Verder staat vast dat de strafrechter het eerste door [eiser] ingediende klaagschrift heeft verworpen. Uit de beschikking van de strafrechter van 16 februari 2021 volgt dat hij van oordeel was dat niet buiten redelijke twijfel was dat [eiser] als eigenaar van het voertuig moest worden aangemerkt. Daarbij speelde onder meer een rol dat [eiser] de stukken waaruit kon blijken waarmee hij de ten tijde van de aankoop van de Mercedes ingeruilde auto oorspronkelijk had gefinancierd niet had overgelegd, dat de zoon zich leek voor te doen als eigenaar van de Mercedes en dat aan de (aanleiding van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.