← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:2378

RECHTBANK DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaknummers: I. C/09/675573 / JE RK 24-2038 II. C/09/677474 / JE RK 24-2280 Datum uitspraak: 21 januari 2025 Beschikking van de kinderrechter tot I. verlenging van een ondertoezichtstelling en verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing II. vervanging van de gecertificeerde instelling in de zaken van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling, over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk ook te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.G.J.E. Lut te Eindhoven, [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. De kinderrechter merkt als informant (verzoek II) aan: Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, hierna te noemen: het Leger des Heils. 1Het verdere verloop van de procedure 1.

  1. Bij beschikking van 31 december 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 22 januari
  2. Het verzoek is voor het overige aangehouden. 1.
  3. De kinderrechter neemt de volgende stukken (opnieuw) mee in de beoordeling: - de beschikking van 31 december 2024 en de daarin genoemde stukken; - verzoekschrift II met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 19 december 2024; - het verweerschrift van de moeder met bijlagen van 20 januari
  4. 1.
  5. Op 21 januari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig: - de vader; - de moeder met haar advocaat; [naam 1] namens de gecertificeerde instelling; [naam 2] en [naam 3] namens het Leger des Heils; [naam 4] en [naam 5] , persoonlijk begeleiders van de moeder, verbonden aan [instantie 1] , als toehoorders. 2De feiten 2.
  6. Voor de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 31 december
  7. 3De verzoeken Verzoek I – verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing 3.
  8. De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.
  9. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd. De ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog niet weggenomen. Die bedreigingen lagen en liggen voornamelijk in de gevolgen van relationele spanningen tussen de ouders. Ook lukte het de ouders onvoldoende om op een constructieve wijze te communiceren. Daarnaast was ook een ontwikkelingsbedreiging gelegen in het gebrek aan duidelijkheid en voorspelbaarheid in de omgang met moeder. In het afgelopen jaar van de ondertoezichtstelling is er minimaal gewerkt aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging doordat er geen regie gevoerd kon worden. Een groot deel van de beschikbare tijd is opgegaan aan klachtenprocedures waardoor onvoldoende aandacht besteed kon worden aan het aanpakken van de zorgen. Daarnaast heeft een van de klachtenprocedures geleid tot een wisseling van jeugdbeschermer, wat heeft geresulteerd in informatieverlies en onduidelijkheid over de te ondernemen acties. Inmiddels is ook deze jeugdbeschermer wegens ziekte niet meer betrokken. Met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gaat het momenteel goed. [minderjarige 1] is een vrolijke en energieke jongen en doet het goed op school. [minderjarige 1] volgt logopedie, waarvoor hij oefeningen mee naar huis krijgt en hij vindt dit leuk. [minderjarige 2] is een sociale en energieke jongen die veel liefde richting zijn ouders laat zien. Ook op school gaat het goed met hem. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn naar elkaar toegegroeid. Hoewel ze af en toe kleine onenigheden hebben, is hun onderlinge band positief veranderd. Ze delen speelgoed beter en spelen goed samen. Het afgelopen jaar is een verdeling van de zorg- en opvoedtaken vastgelegd door de rechtbank. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien hun moeder drie keer per week onder begeleiding. Er wordt gezien dat deze omgangsmomenten steeds beter verlopen. Tijdens een MDO in oktober 2024 is gebleken dat de ouders beter in staat zijn samen te werken en afspraken te maken. Dit vormt een positief begin waarop verder gebouwd kan worden. De gecertificeerde instelling is van mening dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog in hun ontwikkeling worden bedreigd en de maatregelen verlengd moeten worden omdat de samenwerking tussen de ouders verstevigd dient te worden en de omgang gecontinueerd moet worden volgens de beschikking. Verzoek II - vervanging van de gecertificeerde instelling 3.
  10. De gecertificeerde instelling verzoekt vervanging van verzoekster van de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] door de Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering. 3.
  11. De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt. De gecertificeerde instelling ziet minimale mogelijkheden om het vervolg van de ondertoezichtstelling zelf uit te voeren. In de afgelopen jaren zijn er meerdere jeugdbeschermers bij het gezin betrokken geweest, zonder dat dit tot het gewenste resultaat heeft geleid. In de zomer van 2024 vond er een klachtenprocedure plaats, waarbij alle klachten vanuit de moeder gegrond zijn verklaard. Enkele maanden later werd een nieuwe jeugdbeschermer aangesteld, die wegens ziekte is uitgevallen. Gezien de vele wisselingen en de onvrede binnen het systeem over de gecertificeerde instelling, gunt de gecertificeerde instelling het systeem een nieuwe start bij een nieuwe gecertificeerde instelling. Daarnaast is er bij de William Schrikker Stichting geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar en bij de gecertificeerde instelling Het Leger des Heils wel. Het Leger des Heils heeft zich bereid verklaard vanaf 3 februari 2025 de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling verklaard dat zij tot die tijd betrokken zijn en zullen zorgen voor een goede overdracht aan het Leger des Heils. 4De standpunten van de belanghebbenden 4.
  12. De moeder heeft verteld dat zij de afgelopen jaren als een last heeft ervaren. Zij heeft in onzekerheid gezeten over wanneer en hoe vaak zij haar kinderen kon zien. Er is op enig moment uitbreiding van de bezoekmomenten in het vooruitzicht gesteld maar dat werd dan weer uitgesteld, waarna zij er lange tijd niet meer over hoorde. De moeder heeft vaak lange tijd geen contact met de gecertificeerde instelling kunnen krijgen en zij heeft zich niet gehoord gevoeld. Op enig moment ontving zij een berichtje van jeugdbeschermer nummer vijf, die werd vervolgens ziek, toen werd het nummer zes, en nu kan de moeder het niet meer overzien. Ieder verzoek van haar laat men liggen. Intussen voelt zij alle ogen op zich gericht. Zij ervaart de gecertificeerde instelling als een last op haar schouders, terwijl zij juist graag alles voor haar kinderen wil doen. De moeder vindt dat zij met hulp, die ze wil aanvaarden, samen met de vader goede afspraken kan maken over de kinderen. 4.
  13. Namens de moeder heeft de advocaat verweer gevoerd tegen het verzochte. Daartoe is, samengevat en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Gedurende de afgelopen periode heeft de gecertificeerde instelling feitelijk geen uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling en is er geen vooruitgang geboekt. In de afgelopen tweeënhalf jaar zijn er zeven à acht verschillende jeugdbeschermers betrokken geweest, zonder concreet resultaat. Bovendien ontbreekt er nog steeds een concreet plan voor de toekomst. Deze ondertoezichtstelling is volstrekt zonder visie geweest. Ondanks deze omstandigheden hebben de vader en de moeder het afgelopen jaar wel vooruitgang geboekt. De ouders hebben onderling contact over de kinderen. De moeder brengt de kinderen naar school en helpt waar mogelijk, zodat de vader kan gaan werken. Volgens de moeder is een ondertoezichtstelling niet meer noodzakelijk voor de opvoeding en ontwikkeling van de kinderen en is deze ook niet doelmatig. De moeder ervaart de ondertoezichtstelling vooral als een extra belasting. De ouders hebben de afgelopen periode bewezen dat zij het samen kunnen, zij zoeken vrijwillig contact met het [instantie 2] en hebben samen een ouderschapsplan opgesteld. Er is het afgelopen jaar een vertrouwensbreuk ontstaan tussen de ouders en de gecertificeerde instelling. Daarnaast is tijdens de zitting gebleken dat er ook onvoldoende is nagedacht over de overdracht tussen de gecertificeerde instellingen en dat er nog steeds geen heldere visie of concreet plan aanwezig is. De advocaat concludeert tot afwijzing van de beide verzoeken. 4.
  14. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij zich kan vinden in de standpunten die de advocaat van de moeder naar voren heeft gebracht. De vader geeft aan dat hij een andere baan heeft, en dat hij toen hij die aanvaardde direct contact heeft gezocht met de jeugdbeschermer en het hoofdkantoor over het brengen van de kinderen naar school, maar dat een reactie uitbleef. Pas later bleek de gecertificeerde instelling geschrokken en hoorde hij dat dit onder begeleiding moest. Intussen waren de kinderen wel elke dag op tijd op school. De vader geeft verder aan dat er het afgelopen jaar veel is veranderd bij de moeder. Hij heeft vertrouwen in de moeder gekregen en merkt dat de kinderen goed op haar reageren. De kinderen ontwikkeling zich goed zowel op persoonlijk als sociaal vlak; ze gaan beter met elkaar en met andere kinderen om. [minderjarige 1] vindt steeds beter zijn draai op school, wat ook blijkt uit zijn rapport. Gezien deze ontwikkelingen ziet de vader geen meerwaarde in een ondertoezichtstelling. 4.
  15. Desgevraagd heeft het Leger des Heils ter zitting te kennen gegeven dat niet helder is waarom de beslissing is genomen om de ondertoezichtstelling pas vanaf 3 februari 2025 over te nemen, maar dat dit waarschijnlijk op managementniveau is gebeurd. Dit moment is waarschijnlijk gekozen omdat de zaken dan opnieuw worden ingedeeld en er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn, zodat voorkomen kan worden dat er opnieuw snel gewisseld moet worden van jeugdbeschermer. 5De beoordeling Verzoek I – verlenging van de ondertoezichtstelling en verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.
  16. Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. 5.
  17. De kinderrechter is geschrokken van de berichten over de uitvoering van de ondertoezichtstelling in het afgelopen jaar. Die uitvoering is feitelijk achterwege gebleven. De gecertificeerde instelling draagt verantwoordelijkheid voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling, zij dient overzicht en regie te houden en toezicht te houden op zowel de ontwikkeling van de kinderen als de begeleiding van de ouders. Dat is niet gebeurd; daarnaast is er een groot aantal wisselingen geweest in het aantal jeugdbeschermers dat aan het gezin is toegewezen, waarbij de interne overdracht van informatie sterk te wensen heeft overgelaten. De gecertificeerde instelling heeft dit onderkend en haar verantwoordelijkheid willen nemen door vervanging te verzoeken. Dit doet evenwel niet af aan de vaststelling dat er in het afgelopen jaar vrijwel geen uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling. 5.
  18. Voor de beantwoording van de vraag of de ondertoezichtstelling moet worden verlengd is doorslaggevend of er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. De kinderrechter is op grond van de stukken en het besprokene op de zitting van oordeel dat dat nog steeds het geval is. De eerder vastgestelde ontwikkelingsbedreigingen zijn nog niet weggenomen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nog heel jong maar hebben al veel meegemaakt. De ontwikkelingsbedreigingen vinden hun oorzaak voornamelijk in de gevolgen van de spanningen die hebben plaatsgevonden in de relatie tussen de vader en de moeder. Het contact tussen de ouders is lange tijd moeizaam geweest. Het is positief dat de ouders sinds enige tijd beter in staat zijn met elkaar te communiceren en over de kinderen te overleggen. Evenwel is daarbij gebleken dat soms afspraken worden gemaakt die niet in ieders belang zijn, ook niet van de kinderen. De oplossing die ouders recent hebben gekozen om de moeder de kinderen naar school te laten brengen stelt weliswaar de vader in staat om naar zijn nieuw verworven werk te gaan, maar gaat eraan voorbij dat de kinderen onder begeleiding naar school moeten worden gebracht en dat de begeleiding die de moeder krijgt, is ingezet is voor haarzelf, niet voor de kinderen. Nog daargelaten dat het niet de bedoeling is dat de begeleiding van de moeder daarmee wordt belast, doet dit uiteindelijk ook de kinderen tekort. 5.
  19. De kinderrechter heeft oog voor de positieve ontwikkeling en onderschrijft dat het belang van de kinderen zonder meer gebaat is bij de verbeterde verhoudingen. Daarbij moet evenwel de ontwikkeling van de kinderen voorop blijven staan en daarin is nog een weg te gaan. In dat verband weegt mee dat de positieve ontwikkeling in het contact tussen de ouders vrij recent is. Uit de bijlagen bij het verzoek wordt afgeleid dat medio 2024 nog is vastgesteld dat onderzoek nodig was naar hulpverlening voor de ouders teneinde ruzies en conflicten in de toekomst te kunnen voorkomen. Het vertrouwen dat de huidige situatie voldoende bestendig is, vergt tijd. 5.
  20. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat een jeugdbeschermer betrokken blijft. De hiervoor besproken ontwikkelingsbedreigingen zullen moeten worden aangepakt en met voortgang van de ondertoezichtstelling zal ook de (mate van) bestendigheid van de positieve verandering kunnen worden vastgesteld. Het is daarbij in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk dat de uithuisplaatsing bij de vader blijft voortduren, omdat de kinderen bij de vader wonen en zich daar goed ontwikkelen. Ook de machtiging tot uithuisplaatsing zal daarom worden verlengd. 5.
  21. De hierna te bespreken vervanging van de gecertificeerde instelling betekent voor de kinderen en de ouders (weer) nieuwe gezichten en wellicht een andere aanpak. In samenhang met de hiervoor besproken omstandigheden leidt dit er toe dat de kinderrechter een verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden passend en geboden vindt. De behandeling van het resterend deel van het verzoek zal worden aangehouden tot een zitting gelegen voor 22 juli 2025, zoals hierna wordt vermeld. 5.
  22. Indien de gecertificeerde instelling na die zes maanden het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wil handhaven, wordt verlangd dat zij twee weken voorafgaand aan die nader te bepalen zittingsdatum een concrete schriftelijke onderbouwing voor dat verzoek toezendt aan de kinderrechter en de belanghebbenden. Verzoek II – vervanging gecertificeerde instelling 5.
  23. De kinderrechter heeft ter zitting begrepen dat het de bedoeling is dat de gecertificeerde instelling voor beide kinderen wordt vervangen en leest het verzoek dan ook zo dat wordt verzocht om vervanging van de gecertificeerde instelling ten aanzien van de maatregelen voor beide kinderen. 5.
  24. Op grond van artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft op diens verzoek vervangen door een andere gecertificeerde instelling. 5.
  25. Hiervoor is reeds overwogen dat het in het afgelopen jaar heeft ontbroken aan een toereikende uitvoering van de ondertoezichtstelling. Vast staat dat het vertrouwen van de ouders in de gecertificeerde instelling is komen te ontbreken. De gecertificeerde instelling heeft dit ook onderkend en heeft aangedragen dat zij voorziet dat zij dat in de toekomst niet zal kunnen herstellen. De kinderrechter is van oordeel dat, gelet op de inmiddels ontstane verhoudingen, het belang van de kinderen vergt dat de gecertificeerde instelling wordt vervangen. 5.
  26. Zowel de gecertificeerde instelling als het Leger des Heils hebben aangegeven dat het Leger des Heils (pas) per 3 februari 2025 de uitvoering van de ondertoezichtstelling kan overnemen. De kinderrechter heeft er ter zitting op gewezen dat de huidige gecertificeerde instelling voor een zorgvuldige overdracht de huidige stand van zaken nauwkeurig in kaart dient te brengen. De kinderrechter ziet dat de ouders het afgelopen jaar goede stappen hebben gezet en vindt het van belang dat het Leger des Heils grondig onderzoekt welke verdere stappen nodig zijn en welke hulpverlening voor zowel de ouders als de kinderen nog georganiseerd moet worden. Daarnaast moet ook onderzocht worden of en zo ja, op welke termijn, alle betrokkenen dit gezamenlijk kunnen oppakken in een vrijwillig kader. 5.
  27. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6De beslissing De kinderrechter: in de zaak van verzoek I (C/09/675573 / JE RK 24-2038): 6.
  28. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 22 juli 2025; 6.
  29. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader tot 22 juli 2025; 6.
  30. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; in de zaak van verzoek II (C/09/677474 / JE RK 24-2280): 6.
  31. vervangt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 3 februari 2025 door Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering; 6.
  32. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 6.
  33. houdt de behandeling van verzoek I voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting van deze kinderrechter, mr M.H. Rochat, gelegen vóór 22 juli 2025; 6.
  34. draagt de griffier op om voor deze zitting op te roepen: - de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, - de vader, - de moeder en haar advocaat; 6.
  35. draagt de gecertificeerde instelling op om, indien zij het aangehouden deel van verzoek I handhaaft, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de nader te bepalen zittingsdatum als gemeld onder 6.
  36. een schriftelijke onderbouwing zoals onder 5.
  37. overwogen, aan de kinderrechter en de belanghebbenden toe te zenden. Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2025 door mr. M.H. Rochat, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. B. Boogaarts als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 februari
  38. Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag. Artikel 1:265c, tweede lid, BW. Artikel 1:260, eerste lid, BW.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.