RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.58230 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. D. Schaap), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft op 26 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 4 december 2025. Overwegingen Inleiding 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. 2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 oktober 2025 (in de zaak NL25.50331) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 oktober 2025 tot 4 december 2025. Verslag vertrekgesprek 3. Eiser stelt terecht dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 11 november 2025 een vertrekgesprek heeft plaatsvonden en dat het verslag hiervan niet in het dossier zit. De rechtbank verzoekt verweerder deze alsnog aan het dossier toe te voegen. Verzwaarde belangenafweging 4. Eiser betoogt dat verweerder in zijn geval (eerder) een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Hiertoe voert eiser aan dat hij zich sinds 11 april 2025 in de macht van de Nederlandse autoriteiten bevindt en verweerder daarom op 11 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging had moeten maken. Bovendien is de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 niet actueel en niet duidelijk verricht. De belangenafweging dateert namelijk alweer van enkele weken geleden en het is onduidelijk in hoeverre deze belangenafweging ‘verzwaard’ is uitgevoerd. Daarbovenop kan niet worden vastgesteld of deze belangenafweging wel met eiser is besproken, aangezien het verslag van het vertrekgesprek van 11 november 2025 (van na de belangenafweging van 7 november 2025) zich niet in het dossier bevindt. 5. Volgens het beleid van verweerder, zoals neergelegd in paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), is verweerder na een aaneengesloten periode van zes maanden vreemdelingenbewaring gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De gehele periode van inbewaringstelling, ook indien de vreemdeling krachtens verschillende grondslagen in bewaring heeft gezeten, dient hij bij deze belangenafweging te betrekken. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 9 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR5190, volgt dat ook de eventueel tussengelegen periode van strafrechtelijke detentie hierbij betrokken dient te worden. Deze verzwaarde belangenafweging moet kenbaar in het besluit worden gemotiveerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2831). 6. Uit het rechtbankdossier volgt dat eiser op 11 april 2025 voor het eerst in vreemdelingenbewaring (onrechtmatig verblijf) is gesteld. Deze maatregel is vervolgens op 23 mei 2025 opgeheven en eiser heeft vanaf deze datum tot 18 juni 2025 in strafrechtelijke detentie verbleven. Op 18 juni 2025 is eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld in het kader van de asielprocedure van eiser. Op 26 juni 2025 is die maatregel van bewaring wederom omgezet. De huidige bewaringsmaatregel dateert van 26 juni 2025. Gelet op hetgeen onder rechtsoverweging 5. is overwogen, was verweerder gehouden uiterlijk 11 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging te maken. Uit de voortgangsrapportage van 28 november 2025 volgt dat verweerder op 7 oktober 2025 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en dat dit tijdens het vertrekgesprek van 14 oktober 2025 met eiser is besproken. Ten aanzien van de verzwaarde belangenafweging van 7 november 2025 merkt de rechtbank op dat verweerder niet gehouden was deze te maken. De verzwaarde belangenafweging van 7 oktober 2025 valt buiten de te toetsen periode. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Zicht op uitzetting 7. Eiser voert daarnaast aan dat er geen zicht op uitzetting is. Hiertoe voert eiser aan dat er dertien keer is gerappelleerd bij de Libische autoriteiten sinds de laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.