RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 24/3291 en SGR 24/6408 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser (gemachtigde in de zaak SGR 24/3291: mr. N. Talhaoui, gemachtigde in de zaak SGR 24/6408: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college (gemachtigde: mr. P. Siemerink) Samenvatting
- Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van twee aanvragen van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand. Eiser is het niet eens met de afwijzingen van zijn aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvragen terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop In de zaak met zaaknummer 24/3291
- Met het besluit van 26 september 2023 (primair besluit 1) heeft het college de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand ter hoogte van € 954,- afgewezen. 2.
- Met het besluit van 2 april 2024 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. In de zaak met zaaknummer 24/6408 2.
- Met het besluit van 5 maart 2024 (primair besluit 2) heeft het college wederom de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 954,- afgewezen. 2.
- Met het besluit van 10 juni 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 2.
- De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld op de zitting van 18 augustus
- Hierbij waren de gemachtigde van het college en mr. N. Talhaoui aanwezig, die ook is opgetreden namens mr. O.C. Bozbiyik. Beoordeling door de rechtbank
- Eiser heeft in beide zaken een beroep op betalingsonmacht voor het betalen van het griffierecht gedaan. Eiser heeft stukken ingediend waaruit blijkt dat hij de kosten niet kan betalen. De rechtbank wijst de verzoeken daarom toe. Waar gaan deze zaken over? 3.
- Eiser heeft op 14 september 2023 een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 954,-. Het gaat om zes facturen van toevoegingen ter hoogte van € 159,- per factuur. De toevoegingen zijn afgegeven door de Raad van Rechtsbijstand op 16 augustus 2023, 23 augustus 2023, 29 augustus 2023 en 11 september
- Het college heeft deze aanvraag met primair besluit 1 afgewezen. Op 26 januari 2024 heeft eiser nogmaals een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor deze kosten van rechtsbijstand. Het college heeft deze aanvraag met primair besluit 2 eveneens afgewezen. 3.
- Het college heeft zich in bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand, omdat er een uitsluitingsgrond gold ten tijde van het indienen van de aanvraag. Eiser was toen gedetineerd. 3.
- Het college heeft zich in bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat er sprake is van een herhaalde aanvraag ten opzichte van de aanvraag van 14 september
- Er zijn geen nieuw gebleken feiten dan wel veranderde omstandigheden. Omdat de aanvraag in primair besluit 2 niet beoordeeld is met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is het college toch tot een inhoudelijke heroverweging over gegaan. Het college heeft de herhaalde aanvraag op dezelfde grond afgewezen, te weten dat eiser ten tijde van de aanvraag in detentie verbleef. Het college heeft verder overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er actie is ondernomen gericht op nihilstelling van de eigen bijdrage dan wel het niet opleggen van de eigen bijdrage. Er zijn ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de wetgever bij vaststelling van de uitsluitingsgronden geen rekening heeft gehouden met een situatie zoals die van eiser. Ook is er geen sprake van zeer dringende redenen die maken dat bijstand moet worden verleend. Wat vindt eiser?
- Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser de grond dat eiser wel in aanmerking komt voor bijzondere bijstand omdat hij op het moment dat hij de toevoegingen aanvroeg bij de Raad van Rechtsbijstand nog niet gedetineerd was, ingetrokken. 4.
- In beide zaken komt het beroep van eiser erop neer dat hij vindt dat het college toch bijzondere bijstand had moeten toe kennen omdat er sprake is van zeer dringende redenen. Deze zijn er in gelegen dat eiser vanwege zijn detentie geen recht heeft op algemene bijstand en daarom ook geen inkomen kan verwerven om de kosten van rechtsbijstand zelf te betalen. Gedetineerden zijn uitgesloten van algemene bijstand, omdat ze door de staat verzorgd worden, maar de kosten van rechtsbijstand vallen hier niet onder. Daarnaast was eiser voor zijn detentie dakloos waardoor hij redelijkerwijs niet had kunnen reserveren om de kosten zelf te voldoen. Ook vindt eiser dat hij wordt beperkt in zijn toegang tot de rechter, doordat er geen bijzondere bijstand wordt verleend. Wat oordeelt de rechtbank?
- Iemand die gedetineerd is, komt niet voor bijstand in aanmerking. Dit staat in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Participatiewet (Pw). 5.
- Eiser verbleef in de periode 30 juli 2023 tot en met 23 maart 2024 in detentie. Dit betekent dat hij op het moment van het indienen van de aanvragen op 14 september 2023 en op 26 januari 2024 was uitgesloten van het recht op bijstand. 5.
- Het college kan aan iemand die op grond van artikel 13 van de Pw geen recht heeft op bijstand, toch bijstand verlenen als er sprake is van zeer dringende redenen. Dit staat in artikel 16, eerste lid, van de Pw. Zeer dringende redenen doen zich voor als er sprake is van een acute noodsituatie die alleen valt op te lossen door bijstand te verlenen. Dit is bijvoorbeeld zo wanneer een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie kan zich ook voordoen als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor zijn gezondheid. Het moet gaan om een extreme situatie. De wetgever heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het duidelijk is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. 5.
- Eiser heeft geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat er sprake is van een acute noodsituatie of een anderszins schrijnende situatie zoals hierboven is beschreven. Dat eiser geen inkomen heeft om de kosten zelf te betalen en dat hij voorafgaande aan zijn detentie onvoldoende ruimte had om te sparen, zijn geen bijzondere omstandigheden als hierboven bedoeld. Ook het feit dat hij zijn advocaat nu niet kan betalen, geldt niet als zeer dringende redenen. Dat het besluit voor eiser onevenredige gevolgen heeft is evenmin gebleken. 5.
- Dat eiser voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand geen bijzondere bijstand krijgt, bekent niet dat het voor hem onmogelijk is om een procedure bij de rechtbank te voeren. Dit volgt uit de rechtspraak. Conclusie en gevolgen
- De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt dus geen bijzondere bijstand. Omdat de beroep ongegrond zijn krijgt eiser geen vergoeding van zijn griffierecht en proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 september
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Bestuur (CRvB) van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2781.