Rechtbank DEN Haag – ECLI:NL:RBDHA:2025:24221
RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/6129 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen [eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres (gemachtigde: [naam]), en het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk, het college.
Procesverloop Eiseres heeft bij brief van 23 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag om een omgevingsvergunning van 12 maart 2023 (de aanvraag).
De rechtbank heeft op 16 juli 2025 het beroep niet tijdig beslissen op de aanvraag gegrond verklaard en het college opgedragen om binnen 8 weken alsnog een besluit te nemen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-.
Op 15 september 2025 heeft eiseres een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op haar aanvraag.
Het college heeft de stukken en een verweerschrift ingediend.
Beoordeling door de rechtbank 1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907, en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; draagt het college op om binnen drie weken na 16 december 2025, uiterlijk 6 januari 2026, alsnog een besluit bekend te maken; bepaalt dat het college aan eiseres een dwangsom van € 250,- per dag moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt én de bij uitspraak van 16 juli 2025 opgelegde dwangsom het maximale bedrag van € 15.000,- heeft bereikt, met een maximum van € 37.500,-; veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50; draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 6:2, aanhef en onder b, in samenhang met artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb.
Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
ECLI:NL:RVS:2019:673 en ECLI:NL:RVS:2020:3156.
Zoals bedoeld in artikel 3:18 van de Awb.
Beleid extra dwangsom zie rechtspraak.nl.