Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-7184 (echtscheiding) FA RK 25-1971 (verdeling) Zaaknummer: C/09/673617 (echtscheiding) C/09/681950 (verdeling) Datum beschikking: 20 november 2025 Scheiding Beschikking op het op 7 oktober 2024 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. L.F. Niemantsverdriet-Wensink te ‘s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. R.J.J. Copper te Almere. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het F9-formulier van 4 november 2024 van de zijde van de man, met bijlage; het F9-formulier van 7 november 2024 van de zijde van de man, met bijlagen; het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken; het verweerschrift op zelfstandige verzoeken; het F9-formulier van 14 maart 2025 van de zijde van de vrouw; het F9-formulier van 2 april 2025 van de zijde van de man; het F9-formulier van 29 juli 2025 van de zijde van de man; het F9-formulier van 9 oktober 2025 van de zijde van de man, met bijlagen; het F9-formulier van 10 oktober 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen; het F9-formulier van 21 oktober 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen. Op 22 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat; de vrouw met haar advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Namens de man is op de zitting het eindverslag van [zorginstantie] overgelegd. Feiten Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2021 te [plaats 1] . Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: - [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] . De ouders oefenen het gezamenlijk gezag uit over de minderjarige. Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. Deze rechtbank heeft op 29 november 2024 voorlopige voorzieningen getroffen – voor zover van belang – inhoudende: - dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats 1] ; - dat de minderjarige [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd; - dat [minderjarige] voorlopig in de ene week van woensdagochtend 7.30 uur tot zaterdagmiddag 12.00 uur en in de andere week van woensdagochtend 7.30 uur tot zondagochtend 9.00 uur bij de vrouw zal zijn. De overdracht van [minderjarige] zal plaatsvinden tussen de moeder van de vrouw en de man, waarbij de man [minderjarige] op woensdag om 7.30 uur naar de vrouw brengt en de moeder van de vrouw [minderjarige] weer op zaterdagmiddag 12.00 uur dan wel zondagochtend om 09.00 uur terugbrengt naar de man; - dat de man aan de vrouw met ingang van 27 november 2024 voorlopig een kinderalimentatie van € 128,- per maand zal betalen, en met ingang van 27 februari 2025 van € 152,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verzoek en verweer Het verzoek van de man strekt, na wijziging, tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man; primair vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft van woensdagochtend 7.30 uur tot zaterdagmiddag 12.00 uur; subsidiair vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] in die zin dat [minderjarige] bij de vrouw verblijft gedurende de helft van de tijd, met als wisselmoment maandagmiddag; vaststelling van de verdeling van de feestdagen in die zin dat [minderjarige] jaarlijks bij de man is van Kerstavond tot Tweede Kerstdag om 09.00 uur; toedeling aan de man van het huurrecht van de echtelijke woning aan de [adres 1] ( [postcode 1] ) te [plaats 1] ; vaststelling van de wijze van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt: - de waarde van de auto Mazda 3 sport vast te stellen op € 1.000,- en te bepalen dat de auto dient te worden verkocht, waarna de koopsom ieder voor de helft toekomt; - te bepalen dat het saldo op de en/of rekening nihil is en dat de rekening opgeheven kan worden; - te bepalen dat de waarde van de door de man over te nemen inboedelgoederen € 455,- is en de waarde van de door de vrouw te bedelen goederen € 582,-, waarbij deze bedragen tegen elkaar weggestreept kunnen worden als de vrouw de magnetron, laptop, telefoon en Nintendo houdt en de man de rest van de inboedel; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De vrouw voert – onder referte voor het verzoek met betrekking tot het huurrecht – verweer tegen het overige, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw; vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige] , in die zin dat [minderjarige] bij de man verblijft van zondagochtend 09.00 uur tot woensdag 8.30 uur, waarbij de man [minderjarige] haalt en brengt, dan weel een door de rechtbank te bepalen zorgregeling; vaststelling van de verdeling van de feestdagen als volgt: - Pasen: Eerste Paasdag bij de vrouw, Tweede Paasdag bij de man; - Koningsdag: bij de man; - Hemelvaart: bij de vrouw; - Pinksteren: Eerste Pinksterdag bij de vrouw, Tweede Pinksterdag bij de man; - Vader- en Moederdag: [minderjarige] verblijft de avond voor Moederdag (de zaterdag) vanaf 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vrouw, [minderjarige] verblijft de avond voor Vaderdag (de zaterdag) vanaf 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de man; - Sinterklaas: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw; - Kerst: in de even jaren op Kerstavond vanaf 17.00 uur en Eerste Kerstdag bij de vrouw en Tweede Kerstdag bij de man, in de oneven jaren op Kerstavond vanaf 17.00 uur en Eerste Kerstdag bij de man en Tweede Kerstdag bij de vrouw; - Oud- en nieuw: in de even jaren bij de man, in de oneven jaren bij de vrouw; - Verjaardag [minderjarige] : in de even jaren bij de vrouw, in de oneven jaren bij de man; - Verjaardag ouders: op de verjaardag van de vrouw bij de vrouw, op de verjaardag van de man bij de man; vaststelling van kinderalimentatie van € 349,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum verzoekschrift; vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 127,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van datum verzoekschrift; vaststelling van de wijze van de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt: - de waarde van de auto Mazda 3 sport met kenteken [kenteken] vast te stellen op € 1.800,- en te bepalen dat deze auto aan de man wordt toebedeeld, uit hoofde waarvan de man aan de vrouw een bedrag van € 900- dient te voldoen; - te bepalen dat de en/of rekening van partijen bij de ING met rekeningnummer [rekeningnummer] wordt opgeheven; - de waarde van de inboedel vast te stellen op € 1.888,80 en te bepalen dat de inboedel aan de man wordt toebedeeld, uit hoofde waarvan de man aan de vrouw een bedrag van € 944,40 dient te voldoen; - bepaling dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd; voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert – onder referte voor het overige – verweer tegen de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling, de verzochte regeling ten aanzien van de Kerst, de kinderalimentatie en de wijze van de verdeling, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Ontvankelijkheid – ontbreken ouderschapsplan De ouders hebben geen ouderschapsplan overgelegd zoals omschreven in artikel 815 tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In de wet is voorgeschreven dat een ouderschapsplan een processuele eis is bij een verzoek tot echtscheiding. Daarom heeft de rechtbank de bevoegdheid om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv). Volgens de man is het partijen niet gelukt om tot een ouderschapsplan te komen door de problematische communicatie. Partijen zijn in mediation geweest, maar ook dat heeft niet geholpen. De vrouw geeft eveneens aan dat het niet gelukt is om een ouderschapsplan te maken. De vrouw is bang voor de man en is bezig met de verwerking van haar trauma. Om dit herstel te bevorderen is zo min mogelijk contact met de man het beste. Aangezien de man en de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende hebben gemotiveerd dat het voor hen op dit moment niet mogelijk is om een door beide ouders akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen. Inhoudelijke beoordeling De man heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw heeft dit niet betwist, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Huurrecht De man verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. Hij was voor het huwelijk van partijen al huurder van de echtelijke woning, en de vrouw heeft de woning per september 2024 verlaten. De rechtbank zal, nu de vrouw zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, het verzoek van de man tot toedeling aan hem van het huurrecht van de echtelijke woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijfplaats De man wil graag dat [minderjarige] na de echtscheiding bij hem ingeschreven zal staan. Hij vraagt zich namelijk af of de vrouw daadwerkelijk meer toeslagen kan ontvangen als [minderjarige] bij haar ingeschreven wordt, omdat zij nog bij haar ouders woont. Tot slot vindt de man dat de vrouw hem onvoldoende informeert over [minderjarige] , bijvoorbeeld over de tandarts en een incident dat laatst plaatsvond. De vrouw vindt dat [minderjarige] bij haar ingeschreven moet worden. De vrouw draagt net iets meer zorg voor [minderjarige] , en vindt dat zij dit ook gedurende het huwelijk deed. Tot slot stelt de vrouw dat de fiscale voordelen beter benut worden als [minderjarige] bij haar ingeschreven wordt, vanwege haar huidige inkomen dat lager is dan dat van de man. De rechtbank zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw bepalen. Het uitgangspunt is dat de hoofdverblijfplaats van kinderen wordt bepaald bij de ouder die de meeste zorg voor hen draagt. De rechtbank ziet dat de vrouw in de huidige zorgregeling – zij het zeer beperkt – een iets zwaardere zorgtaak heeft. Daarnaast is [minderjarige] in de voorlopige voorzieningenprocedure al aan de vrouw toevertrouwd, en dat gaat goed. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om daar wijziging in aan te brengen. De door de vrouw gestelde hogere vergoedingen en toeslagen spelen bij de beslissing om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen geen doorslaggevende rol, maar eventuele voordelen op financieel vlak kunnen wel ten goede komen aan [minderjarige] . Zorgregeling In de voorlopige voorzieningenprocedure is een regeling bepaald tussen de vrouw en [minderjarige] . Die regeling houdt in dat [minderjarige] bij de man is van zaterdag 12.00 uur tot woensdagochtend 7.30 uur in de ene week en van zondagochtend 9.00 uur tot woensdagochtend 7.30 uur in de andere week. De man wil graag dat deze regeling gewijzigd wordt. De voornaamste reden hiervoor is dat hij een keer in de twee weken een halve zaterdag met [minderjarige] heeft, en verder enkel zondagen. De man wil graag met [minderjarige] leuke dingen doen op zaterdag, zodat de zondag een rustdag kan zijn. De vrouw wil ook dat de voorlopige regeling gewijzigd wordt, omdat die regeling betekent dat zij weinig vrije dagen heeft met [minderjarige] op het moment dat hij naar de basisschool gaat. De vrouw stelt een zorgregeling voor waarbij [minderjarige] bij de man is van zondagochtend 09.00 uur tot woensdagochtend 07.30 uur. Beide ouders hebben dan een dag in het weekend met [minderjarige] . Ook vindt de vrouw het spannend als [minderjarige] op vrijdag en zaterdag bij de man is, vanwege het alcohol- en middelengebruik waar hij in het verleden mee te maken had. Met de door de vrouw voorgestelde regeling worden deze dagen vermeden. De vrouw verzoekt ook een regeling voor de feestdagen. De rechtbank bepaalt dat zij de zorgregeling die is vastgesteld door de voorzieningenrechter als definitieve regeling zal opnemen. De rechtbank kan op dit moment niet anticiperen op een regeling voor het moment dat [minderjarige] naar school gaat. De huidige regeling loopt al een jaar en er zijn op de zitting verder geen grote problemen bij de uitvoering ervan naar voren gekomen. De rechtbank overweegt dat de eerder bepaalde regeling geen onredelijke verdeling is en partijen hebben er destijds zelf mee ingestemd. Tot slot zijn partijen het op de zitting niet eens geworden over een nieuwe regeling. Alles overwegende bepaalt de rechtbank daarom de voorlopige regeling als definitieve zorgregeling. Voor wat betreft de feestdagen zal de rechtbank aansluiten bij het voorstel van de vrouw, nu de man het daarmee eens is. Partijen zijn het niet eens over de Kerst. De man verzoekt te bepalen dat [minderjarige] ieder jaar bij hem is van Kerstavond tot Tweede Kerstdag om 09.00 uur, terwijl de vrouw de kerstdagen om en om per jaar wil wisselen. De rechtbank zal voor de Kerst aansluiten bij het voorstel van de vrouw omdat het hier bijzondere dagen betreft waarvoor een schema met afwisseling redelijk lijkt. De rechtbank begrijpt dat de man dit liever anders had gezien omdat hij met meer partijen rekening moet houden. De rechtbank overweegt verder dat, zoals op de zitting ook duidelijk werd, de communicatie van de ouders niet altijd even goed is. Er is over en weer sprake van wantrouwen en het lukt niet altijd om samen tot afspraken te komen. De Raad heeft daarom ter zitting geadviseerd om een Parallel Solo Ouderschapstraject te volgen. Beide ouders hebben vervolgens de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling / parallel (solo) ouderschap. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams [regio] voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams [regio] . Kinderalimentatie Ingangsdatum De rechtbank zal de bijdrage van de man in de verzorging en opvoeding van de kinderen naar redelijkheid met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen, gelet op het feit dat er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is vastgesteld. Behoefte Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] € 535,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 is deze behoefte dan € 570,- per maand. Draagkracht vrouw Partijen zijn het erover eens dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw uitgaat van een ziektewetuitkering van € 16.151,- per jaar. Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 1.611,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlast in plaats van het woonbudget. De vrouw woont bij haar ouders en betaalt geen bijdrage aan hen. Daarnaast heeft de vrouw een nieuwe partner, waardoor woonlasten gedeeld kunnen worden. De man vindt dus dat er geen rekening gehouden moet worden met het woonbudget. De vrouw is het hier niet mee eens. Zij betaalt op dit moment geen bijdrage aan haar ouders omdat zij in de ziektewet zit, maar die situatie is tijdelijk. Van samenwonen met een nieuwe partner is vooralsnog geen sprake volgens de vrouw. De rechtbank overweegt hierover dat zij de vrouw zal volgen in haar argumenten en dus wel rekening zal houden met het woonbudget. Ook naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van de vrouw geen duurzame situatie, zij zal niet onbeperkt (zonder bijdrage te leveren) bij haar ouders blijven wonen. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de vrouw samenwoont met een nieuwe partner en woonlasten kan delen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om van het woonbudget af te wijken. Bij een NBI tot € 1.875,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.