Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-5994 Zaaknummer: C/09/671317 Datum beschikking: 20 november 2025 (bij vervroeging) Gezag Beschikking op het op 20 augustus 2024 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M.A. Spek te Den Haag. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: - het verzoekschrift met bijlagen. Op 6 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek. Feiten - De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2002 tot [datum 2] 2019. - Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen: - [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , - [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] . - De ouders zijn ook de ouders van de meerderjarige [naam 2] . - De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit. - Bij beschikking van deze rechtbank van 26 november 2019 is – voor zover hier aan de orde – de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en bepaald dat de kinderen de hoofverblijfplaats hebben bij de moeder. Voorts is het door de ouders onderling overeengekomen ouderschapsplan, waarin afspraken zijn opgenomen over de invulling van het gezamenlijk gezag na scheiding, aan de beschikking gehecht. Verzoek en verweer De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat de moeder wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De vader heeft geen verweer gevoerd. Beoordeling Wettelijk kader De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders na uiteengaan gezamenlijk het gezag over de kinderen blijven uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van dit artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan worden beëindigd indien
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.