Rechtbank DEN HAAG Strafrecht Meervoudige kamer Parketnummer: 09/104458-25 Datum uitspraak: 18 december 2025 Tegenspraak De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1996 te [geboorteplaats] , BRP-adres: [adres] . 1Het onderzoek ter terechtzitting Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 15 juli 2025 (pro forma) en 4 december 2025 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H.E.G. van den Eijnden en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. B.C. Swier naar voren is gebracht. 2De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 maart 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen met een persoon, te weten [slachtoffer] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen/duwen en/of houden van zijn penis in de mond en/of zich laten pijpen door die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, op de borst van die [slachtoffer] zat en/of haar ogen bedekte en/of- het brengen/duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en/of- het brengen/duwen en/of houden en/of heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte en/of zijn mededaders, wisten, althans ernstige reden hadden om te vermoeden dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak. 3De bewijsbeslissing 3.1. Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de (impliciet primair) tenlastegelegde opzetverkrachting in vereniging. Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.2. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde. Verdere standpunten van de verdediging komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing. 3.3. Gebruikte bewijsmiddelen De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. 3.4. Bewijsoverwegingen Vaststaande feiten en omstandigheden Ter terechtzitting hebben de volgende feiten en omstandigheden niet ter discussie gestaan en deze feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen dan ook als vaststaand worden aangemerkt. In de nacht van 29 op 30 maart 2025 zijn de verdachte (hierna: [verdachte] ) en de medeverdachte (hierna: [medeverdachte] ) met een vriend van hen, [naam 1] , naar het huis van de aangeefster in [plaats] gegaan, nadat zij elkaar waren tegengekomen in een club. In het huis van de aangeefster was eveneens aanwezig de jongere zus van de aangeefster, [naam 2] . Kort nadat de verdachten daar arriveerden, liep de aangeefster vanuit de woonkamer naar haar slaapkamer. [verdachte] liep haar achterna, waarna zij seks hebben gehad met elkaar op het bed van de aangeefster. Op enig moment is ook [medeverdachte] naar de slaapkamer van de aangeefster gegaan en heeft hij met zijn telefoon een filmpje gemaakt van seksuele handelingen tussen [verdachte] en de aangeefster. [medeverdachte] heeft op enig moment in de slaapkamer zijn broek en onderbroek uitgetrokken en is, terwijl [verdachte] door de aangeefster werd gepijpt, op bed tussen de benen van de aangeefster gaan zitten. De verklaringen van de aangeefster, [verdachte] en [medeverdachte] lopen voor het overige uiteen. Kort gezegd heeft de aangeefster verklaard dat zij door beide verdachten is verkracht. [verdachte] heeft verklaard dat hij seks heeft gehad met de aangeefster, maar dat dit met haar instemming heeft plaatsgevonden. [medeverdachte] heeft ontkend seks te hebben gehad met de aangeefster. Beoordelingskader bewijs in zedenzaken De beoordeling van het bewijs in zedenzaken laat zich doorgaans kenmerken door de aanwezigheid van slechts twee personen bij de ten laste gelegde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Bij een ontkennende verdachte brengt dit vaak met zich dat slechts de verklaring van het vermeende slachtoffer als wettig bewijsmiddel voorhanden is. Op grond van het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is de enkele verklaring van één getuige (onder wie het slachtoffer) onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Deze bepaling heeft als doel de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval dat de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De Hoge Raad heeft beslist dat deze bewijsminimumregel slechts geldt voor de gehele tenlastelegging. Onderdelen daarvan mogen wel op één enkele getuigenverklaring berusten. Dat geldt ook voor de diverse ten laste gelegde gedragingen. In een zedenzaak kan dus een geringe mate van steunbewijs in combinatie met betrouwbare verklaringen van het slachtoffer voldoende wettig bewijs opleveren. Voor het steunbewijs geldt wel dat dit afkomstig moet zijn uit een andere bron dan het slachtoffer en het in een niet te ver verwijderd verband van het ten laste gelegde mag staan. Hoewel bij de gebeurtenissen waarvan aangifte is gedaan niet twee, maar drie personen zijn betrokken, zijn twee van hen als verdachte aangemerkt en dat maakt dat, nu beide verdachten eigen handelingen (deels) ontkennen, min of meer sprake is van eenzelfde situatie als voornoemd, namelijk dat de aangifte op zichzelf staat. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in deze zaak voor het bewijs van de seksuele handelingen bovengenoemd kader dient te worden toegepast en dat alleen de aangifte voldoende kan zijn voor het bewijs van het ten last gelegde mits deze betrouwbaar is en op bepaalde punten wordt bevestigd door uit andere bron afkomstige bewijsmiddelen. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster In zijn algemeenheid moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers in strafzaken. De rechtbank zal de verklaringen van de aangeefster daarom beoordelen op consistentie, volledigheid, accuraatheid en authenticiteit. Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de door de verdediging gestelde inconsistenties. De aangeefster heeft kort na de gebeurtenissen, op 30 maart 2025 en 2 april 2025, verklaringen afgelegd bij de politie. Op beide momenten heeft zij verklaard dat [verdachte] haar begon aan te raken bij haar geslachtsdeel, waarop zij tegen hem zei dat ze dat niet wilde en dat hij moest stoppen, mede omdat zij wilde voorkomen dat de personen in de woonkamer hen zouden zien. [verdachte] ging toch door en hij heeft haar vervolgens vaginaal gepenetreerd met zijn vingers en geslachtsdeel. Op dat moment kwam [medeverdachte] , filmend, de slaapkamer binnenlopen. [verdachte] is toen op de borstkas van de aangeefster gaan zitten, heeft zijn geslachtsdeel in haar mond gestopt en zijn hand over haar ogen gedaan waardoor zij niets meer kon zien. [verdachte] heeft daarop tegen [medeverdachte] gezegd: “vinger haar” en “neuk haar”. De aangeefster verklaarde dat zij nog steeds niets kon zien, maar dat zij voelde dat [medeverdachte] eerst zijn vingers en vervolgens zijn geslachtsdeel in haar vagina deed. Zij voelde daarbij ook zijn bovenbenen aan de binnenkant van haar benen. De seks met [medeverdachte] duurde kort en alles eindigde tegelijk, op het moment dat [verdachte] was klaargekomen in haar mond. De aangeefster heeft verder verklaard dat zij niet wist wat haar overkwam en dat zij leek te bevriezen. De aangeefster heeft op 2 oktober 2025 een verklaring afgelegd bij de rechter-commissaris die op hoofdlijnen overeenkomt met haar eerdere verklaringen. Bovendien heeft zij, nog voordat zij op 30 maart 2025 met de politie heeft gesproken, specifieke details die ook terugkomen in haar verklaringen bij de politie gedeeld met verschillende personen. Dat volgt onder meer uit de getuigenverklaring van [naam 2] , de chatberichten tussen de aangeefster en [naam 3] en de chatberichten tussen de aangeefster en [naam 4] . De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de aangeefster gedetailleerd en consistent heeft verklaard over het tenlastegelegde. Ook komt haar verklaring de rechtbank authentiek voor. De rechtbank constateert dat de verklaringen van de aangeefster enkele inconsistenties bevatten, onder meer over het moment dat [verdachte] zijn broek uit heeft gedaan en over het gebruik van lachgas die betreffende nacht. Anders dan de verdediging, ziet de rechtbank daarin geen aanleiding om de gehele verklaring onbetrouwbaar te achten. Het enkele feit dat verklaringen op ondergeschikte punten van elkaar verschillen, maakt die verklaringen op zichzelf namelijk nog niet onbetrouwbaar ten aanzien van de onderdelen die relevant zijn voor de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt. Zo’n verschil kan namelijk te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet veroorzaakt door tijdsverloop of door emoties die zijn ontstaan naar aanleiding van het delict. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen van de aangeefster maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd. Verder is door de verdediging aangevoerd dat de verklaring van de aangeefster aantoonbaar onjuist is gelet op het filmpje dat door [medeverdachte] is gemaakt, waaruit zou blijken dat sprake was van instemming met de seks. Anders dan de verdediging, komt de rechtbank tot het oordeel dat op basis van de handelingen in het filmpje niet kan worden vastgesteld dat sprake is van instemming of een responsieve houding van de aangeefster. De rechtbank overweegt dat enerzijds door de politie is omschreven dat de aangeefster met haar benen omhoog ligt en dat zij haar hand voor een kort moment op de nek van [verdachte] plaatst, maar dat anderzijds is omschreven dat de aangeefster nauwelijks beweegt anders dan door de bewegingen van [verdachte] . Na het – op verzoek van de verdediging – bekijken van het filmpje in raadkamer, komt de rechtbank tot het oordeel dat de voornoemde handelingen voor meerdere interpretaties vatbaar zijn en dat daaraan geen stellige conclusies kunnen worden verbonden. De verklaring van de aangeefster over haar ontbrekende wil wordt door het filmpje ondersteund, noch ontkracht, waardoor het filmpje naar het oordeel van de rechtbank geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van haar verklaring. Dat de personen in de woonkamer niet hebben gehoord dat de aangeefster “stop” en “ik wil het niet” heeft gezegd, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet ook niet af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Uit het dossier en het hiervoor besproken filmpje volgt immers dat voorafgaand aan en ten tijde van de seksuele handelingen muziek werd afgespeeld in de woonkamer. Het is gelet daarop verklaarbaar dat de personen in de woonkamer niet konden horen wat in de slaapkamer door de aangeefster is gezegd. Dat op het filmpje niet is te horen dat de aangeefster verbaal protesteert tegen de seksuele handelingen, zoals door de verdediging naar voren is gebracht, doet evenmin af aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Het filmpje is een fragment van 17 seconden en zegt niets over wat er daarvoor en/of daarna door de aangeefster is gezegd. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de verklaring van de aangeefster betrouwbaar is en gebruikt kan worden voor het bewijs. Steunbewijs De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is, of er bewijs voorhanden is dat de verklaring van de aangeefster ondersteunt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Zoals eerder is overwogen, staat niet ter discussie dat [verdachte] seksueel is binnengedrongen bij de aangeefster. Wel heeft [verdachte] ontkend dat hij op de borst van de aangeefster heeft gezeten en dat hij zijn hand over haar ogen heeft gedaan. Volgens [verdachte] zat hij naast haar hoofd met beide benen aan één kant en heeft hij dus niet haar zicht of bewegingsvrijheid geblokkeerd. Zijn lezing wordt echter weersproken door de eerste verklaringen van [medeverdachte] . [medeverdachte] verklaarde in eerste instantie (op 4 en 5 april 2025) dat hij, toen hij de slaapkamer binnenliep, [verdachte] “op de rug keek” en dat [verdachte] “over haar heen zat”, met “een been links en een been rechts”. Dit biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende ondersteuning aan dat onderdeel van de verklaring van de aangeefster. De rechtbank stelt verder vast dat ook [medeverdachte] seksueel is binnengedrongen bij de aangeefster. De aangifte vindt op dat punt onder andere steun in de eerste verklaring van [verdachte] . Hij verklaarde immers dat hij zag dat [medeverdachte] zijn penis naar binnen heeft gebracht in de vagina van de aangeefster en dat zij seks hebben gehad met elkaar. Ook wordt de aangifte op dat onderdeel ondersteund door het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), waaruit volgt dat op de buitenste schaamlippen van de aangeefster een DNA-mengprofiel is aangetroffen met het DNA van beide verdachten. Het NFI concludeerde ten aanzien van dat mengprofiel dat het 80 miljoen keer waarschijnlijker is dat beide verdachten hebben bijgedragen aan dat DNA-spoor, dan wanneer één of geen van beide verdachten DNA hebben bijgedragen. Ook volgt uit het NFI-rapport dat op de binnenste schaamlippen en diep vaginaal DNA is aangetroffen dat afkomstig kan zijn van minimaal twee mannen, onder wie [verdachte] . Dat niet is vastgesteld dat het DNA van de tweede man van [medeverdachte] is, hoeft niet te betekenen dat er geen penetratie door hem heeft plaatsgevonden. Uit het voorgaande volgt dat de aangifte op essentiële onderdelen steun vindt in de eerste verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] . Dat beide verdachten in latere politieverhoren en op de terechtzitting hun verklaring hebben veranderd, maakt niet dat de rechtbank hun eerdere verklaringen terzijde schuift. Integendeel, de rechtbank is van oordeel dat de eerste verklaringen van de verdachten het meest betrouwbaar zijn, omdat deze kort na de gebeurtenis en vanuit hun eigen herinnering zijn afgelegd. Het is naar het oordeel van de rechtbank evident dat de verdachten zich bij hun latere verklaringen hebben laten beïnvloeden door onderzoeksresultaten uit het dossier. Dat blijkt onder meer uit het politieverhoor van [verdachte] van 14 juli 2025. Tijdens dat verhoor verklaarde hij dat hij altijd had gedacht dat [medeverdachte] seks heeft gehad met de aangeefster, totdat hij de verklaring van [medeverdachte] en de resultaten van het DNA-onderzoek las. [verdachte] heeft namelijk – ten onrechte – geconcludeerd dat de resultaten in het NFI-rapport de onschuld van [medeverdachte] bewijzen, waarna [verdachte] zijn verklaring heeft aangepast. Voor de latere verklaring van [medeverdachte] geldt hetzelfde. Ter terechtzitting verklaarde hij dat hij “het dossier meerdere keren helemaal heeft gelezen” en vervolgens tot de conclusie is gekomen dat hij zich bij zijn eerste verklaringen had vergist: [verdachte] zat toch naast de aangeefster, in plaats van over haar heen met een been links en een been rechts. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de eerste verklaringen van de verdachten en zal dan ook van de juistheid van die verklaringen uitgaan. [medeverdachte] heeft verder ter terechtzitting als alternatief scenario geschetst dat hij, van onderen ontkleed, tussen de benen van de aangeefster is gaan zitten, maar geen erectie kreeg wegens een gebrek aan ‘intimiteit’ tussen hem en de aangeefster en dat hij daarom, ondanks zijn intentie daartoe, geen seks heeft gehad met de aangeefster. [medeverdachte] heeft daarbij desgevraagd benadrukt dat hij de aangeefster op geen enkele manier heeft aangeraakt. De rechtbank schuift dit alternatieve scenario als ongeloofwaardig terzijde, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en omdat [medeverdachte] hiermee geen verklaring heeft gegeven voor het aantreffen van zijn DNA op de buitenste schaamlippen van de aangeefster. Op basis van de voornoemde omstandigheden – in onderling verband en samenhang bezien – komt de rechtbank tot het oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om de ten laste gelegde seksuele handelingen bewezen te achten. Vervolgens dient te rechtbank te beoordelen op welke wijze het voornoemde handelen van de verdachten dient te worden gekwalificeerd. Wet seksuele misdrijven Sinds 1 juli 2024 is de Wet seksuele misdrijven van kracht, als gevolg waarvan de strafbaarstelling van seksuele misdrijven in het Wetboek van Strafrecht ingrijpend is gewijzigd. De strafrechtelijke bescherming tegen seksueel geweld is verruimd. Verkrachting kan nu gekwalificeerd worden als schuldverkrachting, opzetverkrachting of gekwalificeerde opzetverkrachting. Voor al deze varianten van verkrachting is vereist dat de wil tot het plegen of dulden van de seksuele handelingen bij het slachtoffer ontbreekt. Voor bewezenverklaring van schuldverkrachting en opzetverkrachting is niet vereist dat sprake is van dwang of geweld. Bewezenverklaring opzetverkrachting Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij – al dan niet in voorwaardelijke zin – wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet te willen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet (vol opzet). De ondergrens van het vereiste opzet wordt gekenmerkt door de wezenlijk onverschillige houding, als diegene zich bewust is van de mogelijk ontbrekende wil van de ander en die mogelijkheid negeert of op de koop toeneemt (voorwaardelijk opzet). Ten aanzien van [verdachte] acht de rechtbank bewezen dat hij vol opzet heeft gehad op de verkrachting van de aangeefster, door seks met haar te hebben, terwijl hij wist dat zij dat niet wilde. Uit haar betrouwbaar geachte verklaringen volgt immers dat hij voorbij is gegaan aan haar – bij herhaling geuite – verbale protesten en vervolgens diverse, vergaande seksuele handelingen bij haar heeft verricht. Dat oordeel vindt deels steun in de verklaring van [verdachte] zelf. Over het moment dat [medeverdachte] erbij kwam, verklaarde [verdachte] dat hij achteraf gezien te makkelijk heeft gedacht dat zij consent gaf aan de situatie en dat hij aan haar had moeten vragen of zij er oké mee was. In het geval van [medeverdachte] acht de rechtbank bewezen dat hij voorwaardelijk opzet heeft gehad op de verkrachting van de aangeefster. Anders dan bij [verdachte] , geldt ten aanzien van [medeverdachte] dat de aangeefster geen duidelijke verbale of non-verbale signalen heeft gegeven dat zij het seksuele contact niet wilde. Anderzijds volgt uit de verklaringen van de aangeefster en van beide verdachten, dat zij ook op geen enkel moment te kennen heeft gegeven dat zij het seksuele contact met [medeverdachte] wel wilde. [medeverdachte] had, nu hij de aangeefster nauwelijks kende en hij vergaande seksuele handelingen bij haar verrichtte tegelijk met een andere man, zich ervan moeten vergewissen of de aangeefster dit wel wilde, zoals ieder weldenkend mens zou doen. Het handelen van [medeverdachte] gaat naar het oordeel van de rechtbank evenwel verder dan het niet voldoen aan zijn vergewisplicht. Dat de rechtbank ook in zijn geval komt tot een bewezenverklaring van opzetverkrachting, heeft te maken met de ongebruikelijke omstandigheden waaronder de seks met [medeverdachte] tot stand is gekomen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] op dat moment op de borst van de aangeefster zat, met zijn geslachtsdeel in haar mond. Daardoor was het voor de aangeefster vrijwel onmogelijk om haar wil kenbaar te maken. Dat [medeverdachte] zich onder die omstandigheden – die meebrachten dat de aangeefster niets kon zien, niets kon zeggen en beperkt was in haar bewegingsvrijheid – als derde persoon heeft gevoegd bij de seks tussen [verdachte] en de aangeefster, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een zodanig onverschillige houding dat daaruit volgt dat hij de ontbrekende wil van de aangeefster wel op de koop moet hebben toegenomen. Dat [medeverdachte] , zoals hij ter terechtzitting voor het eerst heeft verklaard, oogcontact had met de aangeefster op het moment dat hij zijn broek en onderbroek uittrok en daaruit begreep dat zij akkoord was met zijn deelname aan de seks, is in strijd met de betrouwbaar geachte verklaring van de aangeefster dat haar ogen afgedekt waren door een hand van [verdachte] . De rechtbank volgt die verklaring dan ook niet. Datzelfde geldt voor de verklaring van [medeverdachte] ter terechtzitting dat de aangeefster zo ging verliggen dat zij [medeverdachte] kon ontvangen. Ook dit is in strijd met de verklaring van de aangeefster dat zij geen kant op kon omdat [verdachte] op haar borst zat. Medeplegen De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Door de verdediging is aangevoerd dat de tenlastelegging van zowel [verdachte] als [medeverdachte] slechts zijn toegespitst op hun eigen feitelijke handelingen, zodat op basis van deze tenlastelegging geen nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten kan worden bewezen. De rechtbank overweegt dat in een bewezenverklaring, waarin is gesteld dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander het feit heeft gepleegd, niet hoeft te worden vermeld of en zo ja welke feitelijke handelingen de verdachte zelf dan wel zijn mededader heeft verricht (vgl. Hoge Raad 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). De rechtbank ziet daarom in de wijze waarop de onderhavige tenlastelegging is opgesteld geen belemmering om tot een bewezenverklaring van medeplegen te kunnen komen. Dat neemt niet weg dat de nauwe en bewuste samenwerking wel tot uitdrukking dient te komen in de bewijsmiddelen. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte en de medeverdachte het volgende af. De verdachten zijn samen naar het huis van de aangeefster gegaan. Op het moment dat de aangeefster naar haar slaapkamer liep, kwam eerst alleen [verdachte] achter haar aan. [verdachte] begon vervolgens seksuele handelingen bij haar te verrichten. Kort daarna is [medeverdachte] de slaapkamer binnengelopen, waarop [verdachte] hem erbij heeft gevraagd door te zeggen “vinger haar” en “neuk haar”. Omdat [verdachte] op dat moment op de borst van de aangeefster zat, met zijn geslachtsdeel in haar mond, werd [medeverdachte] de gelegenheid gegeven om tussen haar benen te kunnen. [medeverdachte] heeft vervolgens ook seks gehad met de aangeefster. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Conclusie Gezien al hetgeen hiervoor is overwogen acht de rechtbank de tenlastegelegde opzetverkrachting in vereniging wettig en overtuigend bewezen. 3.5. De bewezenverklaring De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat: hij op 30 maart 2025 te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander, met een persoon, te weten [slachtoffer] seksuele handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten- het brengen/of houden van zijn penis in de mond en/of zich laten pijpen door die [slachtoffer] terwijl hij, verdachte, op de borst van die [slachtoffer] zat en haar ogen bedekte en- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en- het brengen en heen en weer bewegen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer]terwijl hij, verdachte en zijn mededader, wisten dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak. 4De strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. 5De strafbaarheid van de verdachte De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. 6De strafoplegging 6.1. De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: 38v-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van vijf jaren, met toepassing van vervangende hechtenis voor de duur van twee weken voor iedere keer dat de verdachte zich niet aan de maatregel houdt, met een maximum van zes maanden. Gevorderd is aan de maatregel te verbinden een contactverbod met de aangeefster en een locatieverbod ten aanzien van (de straat van) haar woning. 6.2. Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging. 6.3. Het oordeel van de rechtbank Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking. Ernst van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetverkrachting in vereniging. Het slachtoffer is in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek prettig en veilig zou moeten voelen, door de verdachte en zijn medeverdachte tegelijkertijd verkracht. Het slachtoffer heeft aan de verdachte duidelijk gemaakt dat zij geen seks wilde en toch heeft de verdachte tegen haar wil in vergaande seksuele handelingen bij haar verricht. Door zo te handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van verkrachting langdurig psychische klachten kunnen ondervinden. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat het leven van het slachtoffer ingrijpend is veranderd als gevolg van wat haar is overkomen. Zij heeft onder andere last van herbelevingen en paniekaanvallen. Ook ervaart zij dagelijks angst en vindt zij het moeilijk om mensen dichtbij te laten. Uit haar slachtofferverklaring blijkt verder dat de gebeurtenissen niet alleen gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, maar ook voor haar zus, die ten tijde van de verkrachting slechts enkele meters verderop zat. Dat haar zus schuldgevoel met zich meedraagt en constant nadenkt over of zij had kunnen ingrijpen, kan het slachtoffer de verdachten nooit vergeven. De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich niet om deze gevolgen heeft bekommerd, maar alleen gericht was op zijn eigen behoefte om seks te hebben. De verdachte heeft verder weinig blijk gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. Hij lijkt niet te beseffen dat hij iets verkeerd heeft gedaan. Door herhaaldelijk te benoemen dat de seks vrijwillig plaatsvond en dat het slachtoffer had moeten schreeuwen of hem had moeten wegduwen als dat niet het geval was, schuift hij de verantwoordelijkheid van zichzelf af. Strafblad De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 17 juli 2025, waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft verder kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 24 november 2025, waarin de reclassering heeft geconcludeerd dat er geen sterke aanwijzingen zijn voor risicofactoren die rechtstreeks te maken hebben met het strafbare feit. Door de ontkennende houding was het voor de reclassering niet goed te beoordelen welke dynamieken hebben gespeeld en of middelengebruik van invloed was op het delict gedrag. Het recidiverisico op een zedendelict wordt als laag inschat. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte aan hem een straf zonder toezicht of gedragsinterventies op te leggen. De op te leggen straf Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor verkrachting met een beperkte mate van dwang (art. 242 (oud) Sr) een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. In strafverzwarende zin heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende omstandigheden. Er was sprake van een verkrachting in vereniging, waarbij het slachtoffer tegelijkertijd oraal en vaginaal werd gepenetreerd. Daarnaast vond de verkrachting plaats in nabijheid van anderen en in het eigen huis en op het eigen bed van het slachtoffer. Verder is door de verdachte geen condoom gebruikt. Alles afwegend acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding. Voorlopige hechtenis Ten aanzien van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis met ingang van 16 juli 2025 geschorst tot aan het moment van deze einduitspraak. Dit betekent dat de schorsing vandaag van rechtswege eindigt. De rechtbank dient opnieuw een afweging te maken of het aflopen van de schorsing noodzakelijk is, of dat een hernieuwde schorsing van de voorlopige hechtenis, zoals door de verdediging is verzocht, op zijn plaats is. Daarbij worden de strafvorderlijke belangen bij vrijheidsbeneming afgewogen tegen de persoonlijke belangen van de verdachte bij zijn vrijheid. Bij vonnis van heden is de verdachte schuldig bevonden aan een ernstig strafbaar feit en hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf die van langere duur is dan het reeds ondergane voorarrest. Gelet op de ernst van dat strafbare feit en de proceshouding van de verdachte, en het geringe inzicht dat hij heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen, is de rechtbank van oordeel dat het aan de samenleving niet valt uit te leggen als de voorlopige hechtenis opnieuw zou worden geschorst. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de gronden die ten grondslag liggen aan de voorlopige hechtenis nog onverkort aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het strafvorderlijk belang op dit moment zwaarder dan het persoonlijk belang van de verdachte. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorlopige hechtenis van de verdachte niet opnieuw wordt geschorst, maar voortduurt. 38v-maatregel In hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om op grond van artikel 38v Sr een vrijheidsbeperkende maatregel aan de verdachte op te leggen. 7De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 22.973,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 2.973,95 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. 7.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot: toewijzing van een bedrag van € 12.500,00 aan immateriële schade; toewijzing van een bedrag van € 2.973,95 aan materiële schade; niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. 7.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging heeft betwist dat civielrechtelijk onrechtmatig is gehandeld door de verdachte. 7.3 Het oordeel van de rechtbank Materiële schade De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële posten ‘Eigen risico zorgverzekering’ en ‘Vervanging bed’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag van € 1.674,00. De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële post ‘Vervanging bankstel’, niet-ontvankelijk verklaren omdat onvoldoende is onderbouwd dat deze post rechtstreekse schade als gevolg van het bewezenverklaarde feit betreft. Immateriële schade De benadeelde partij heeft volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op vergoeding van smartengeld in het geval dat: - de verdachte het oogmerk had het nadeel toe te brengen, - de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, - de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad, of - de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Van de bedoelde ‘aantasting in persoon op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij binnen de laatstgenoemde categorie valt en gegrond kan worden op artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW. Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde partij post-traumatische stress klachten ervaart als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Nog daargelaten dat deze stelling onbetwist is, is deze aantasting ook aannemelijk gelet op de aard en ernst van de onderhavige normschending. De rechtbank zal de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 12.500,00. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag aansluiting gezocht bij de Rotterdamse Schaal voor verkrachting (artikel 242 (oud) Sr). Naar het oordeel van de rechtbank passen de feiten in het onderhavige geval in de categorie ‘ernstig’ van die schaal, nu het om een eenmalige gebeurtenis ging, maar wel sprake was van een verkrachting in vereniging die door de medeverdachte is gefilmd. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. Conclusie De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] toewijzen tot een bedrag van € 14.174,00, bestaande uit € 1.674,00 aan materiële schade en € 12.500,00 aan immateriële schade. De vordering zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Wettelijke rente De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan. Proceskostenveroordeling verdachte Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken. Hoofdelijkheid Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen. Schadevergoedingsmaatregel De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 14.174,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] . 8De toepasselijke wetsartikelen De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen: 36f, 243 en 254 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden. 9De beslissing De rechtbank: verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt: opzetverkrachting, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen; verklaart de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot: een gevangenisstraf voor de duur van 30 (DERTIG) MAANDEN; bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; verstaat dat de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden eindigt; de vordering van de benadeelde partij wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 14.174,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ; bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding; veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden; bepaalt dat als een van de mededader(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.