Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 24-7479 Zaaknummer: C/09/674290 Datum beschikking: 24 november 2025 Vervangende toestemming erkenning, gezag en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Beschikking op het op 9 oktober 2024 ingekomen verzoek van: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. Ahmadi te Rotterdam. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. D.Z. Peters te Zoetermeer. [minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats 1] , de minderjarige, in rechte vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal, advocaat te Leiden, in de hoedanigheid van bijzondere curator. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van: het verzoekschrift; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van 24 december 2024 van de moeder; het verslag van de bijzondere curator; een F9-formulier van 28 december 2024 van de man; een F9-formulier van 7 februari 2025 van de man; een F9-formulier van 13 februari 2025, met bijlagen, van de moeder; een F9-formulier van 20 oktober 2025, met bijlagen, van de man. Op 27 oktober 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat, de moeder met mr. J.B. Peters, waarnemend voor mr. D.Z. Peters, de bijzondere curator en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Feiten Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben niet samengewoond. De minderjarige is niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarige. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 oktober 2024 is mr. Kamphuis-Jansen van Rosendaal voornoemd benoemd tot bijzondere curator teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen. Verzoek en verweer Het verzoek van de man strekt ertoe: primair: een bijzondere curator over de minderjarige te benoemen; hem vervangende toestemming als bedoeld in artikel 1:204 lid 3 BW te verlenen, zodat hij de minderjarige kan erkennen; te bepalen dat partijen hebben verklaard dat de minderjarige de achternaam van de man zal dragen, zijnde [achternaam 1] of de gecombineerde achternaam van partijen, zijnde [achternaam 2] ; de man mede met de moeder met het gezag over de minderjarige te belasten; een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te setllen in die zin dat de minderjarige bij de man is iedere maandag uit de opvang om 13.00 uur tot woensdag 20.00 uur; waarbij de man de minderjarige ophaalt en terugbrengt; subsidiair: - te bepalen dat de moeder eens per maand aan de man informatie dient te verstrekken met betrekking tot gewichtige aangelegenheden omtrent de minderjarige waaronder school, opvang, peuterspeelzaal, lichamelijke en geestelijke ontwikkeling, sport en welzijne en medische informatie, alsmede een drietal foto’s van de minderjarige, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Op de zitting heeft de man zijn verzoek met betrekking tot de achternaam van de minderjarige ingetrokken. De moeder heeft verweer gevoerd welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Verder heeft de moeder zelfstandig verzocht: een begeleide omgangsregeling tussen de man en de minderjarige vast te stellen en partijen te verwijzen naar een omgangshuis; een bijzondere curator op grond van artikel 1:250 BW te benoemen; de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten een onderzoek te verrichten de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De bijzondere curator adviseert het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning toe te wijzen. Beoordeling Vervangende toestemming erkenning Artikel 1:204 lid 3 BW bepaalt het volgende. Als een man een kind wil erkennen, kan de toestemming van de moeder – bij een kind jonger dan 16 jaar – of die van het kind zelf – als het 12 jaar of ouder is – door toestemming van de rechtbank worden vervangen. Dit is mogelijk, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt. Vervangende toestemming kan alleen worden gegeven als de man hetzij de verwekker van het kind is, hetzij de biologische vader van het kind, die niet de verwekker is en in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind. Tussen partijen staat vast dat de man de verwekker is van de minderjarige. Voor de beantwoording van de vraag of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige zal schaden, komt het aan op een afweging van de belangen van de betrokkenen. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen dat zowel de man als de minderjarige er belang bij heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij de totstandkoming van een familierechtelijke betrekking kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige geschaad zouden worden in geval van erkenning van de minderjarige door de man. Van schade aan de belangen van een kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor hem reële risico’s zijn dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. De man stelt dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige niet schaadt en een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige daardoor niet in het gedrang komt. De man meent dat erkenning in het belang van de minderjarige is. Niet alleen is de identiteitsontwikkeling van de minderjarige hiermee gediend, maar ook zijn juridische en sociaalpsychologische positie. Hoewel de moeder in haar verweerschrift en op de zitting heeft verklaard zich ten aanzien van de vervangende toestemming tot erkenning aan het oordeel van de rechtbank te zullen refereren, heeft zij te kennen gegeven dat zij geen toestemming voor de erkenning heeft willen geven omdat zij bang is dat als gevolg van de erkenning van [minderjarige] door de man, de man ook mede met het gezag over [minderjarige] kan worden belast en hij een omgangsregeling kan afdwingen. Verder blijkt uit het verslag van de bijzondere curator dat de moeder ook uit veiligheidsoverwegingen geen toestemming heeft willen geven tot erkenning. Als voorbeelden noemt de moeder dat de man de eerste maanden geen bedje had voor [minderjarige] , verzoeker met [minderjarige] in een auto reed, waarvan de deur defect was waardoor deze openging en de man meerdere keren te laat is geweest om [minderjarige] op te halen. De bijzondere curator adviseert het verzoek toe te wijzen. De bijzondere curator ziet geen concreet reëel risico op belemmering in een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling ten gevolge van de erkenning van de minderjarige door verzoeker. Evenmin is gebleken dat erkenning de relatie van de moeder met de minderjarige zal verstoren of dat erkenning schadelijke gevolgen zal hebben voor de minderjarige. de belangen van de moeder en de minderjarige worden door erkenning niet geschaad. De rechtbank ziet in de door de moeder aangevoerde argumenten geen grond om de man geen vervangende toestemming tot erkenning te geven. Niet gebleken is van omstandigheden die aan erkenning in de weg zouden moeten staan of dat erkenning niet in het belang van [minderjarige] is. Daar komt bij dat de moeder zich uiteindelijk heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en de bijzondere curator heeft verzocht het verzoek toe te wijzen. De rechtbank zal de man daarom vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige] verlenen. Uit de te nemen beslissing volgt dat vertegenwoordiging van de minderjarige door de bijzondere curator in deze procedure niet meer nodig is. De rechtbank beschouwt de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure als beëindigd. Gezag De rechtbank zal de man hierna aanmerken als vader, omdat het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning wordt toegewezen. De rechtbank kan pas definitief op het verzoek tot gezamenlijk gezag beslissen nadat de erkenning tot stand is gebracht. De vader kan niet eerder dan drie maanden na vandaag de erkenning bij de gemeente laten registreren, omdat de beslissing over de erkenning eerst in kracht van gewijsde dient te zijn gegaan. De rechtbank geeft de vader dan ook een termijn van vijf maanden om de erkenning van [minderjarige] door de vader bij de gemeente te laten registreren. De rechtbank verzoekt de advocaat van de vader om de akte van erkenning aan de rechtbank te sturen. Na ontvangst van de akte van erkenning zal de definitieve beslissing op het verzoek tot gezamenlijk gezag worden gegeven. De rechtbank zal de zaak in afwachting van de akte van erkenning pro forma aanhouden tot 1 mei
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.