Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-7449 Zaaknummer: C/09/692486 Datum beschikking: 25 november 2025 (Wijziging) voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 2 oktober 2025 ingekomen verzoek van: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. F.D. van Damme in Beverwijk. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vrouw], de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. C.J. de Jongh-Moolenaar in Sassenheim. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de man; het bericht van 31 oktober 2025, met bijlagen, namens de man; het bericht van 3 november 2025, met bijlagen, namens de man; het verweerschrift, met bijlagen, namens de vrouw; het bericht van 7 november 2025, met bijlage, namens de man; het aanvullend verweerschrift namens de vrouw. Op 11 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man met zijn advocaat en de vrouw met haar advocaat. Verzoek en verweer Bij beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2025 is – voor zover hier aan de orde – met uitvoerbaarverklaring bij voorraad bepaald dat: de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats], [adres] en beveelt mitsdien dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw zal worden toevertrouwd; de man voorlopig gerechtigd is om de minderjarige bij zich te hebben: in de ene week van zaterdag 18.00 uur tot maandag 17.00 uur en in de andere week op maandag van 8.00 uur tot 17.00 uur; gedurende vakanties en feestdagen conform de reguliere zorgregeling, tenzij in onderling overleg andere afspraken gemaakt worden, met uitzondering van de kerstdagen 2025, waarbij [minderjarige] op tweede kerstdag bij de man zal zijn; op verjaardagen van de vader, opa en oma van vaderszijde en Vaderdag, in onderling overleg te bepalen; de man aan de vrouw met ingang vandaag voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige](bij co-ouderschap eventueel: medeverzorgt en opvoedt) van € 678,60 per maand, zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu: een door de man aan de vrouw te betalen voorlopige kinderalimentatie van € 54,- per maand vaststelt, met ingang van 9 juli 2025, althans een lagere kinderalimentatie vast te stellen met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht; een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 997,- per maand vaststelt, met ingang van 16 september 2025, althans een zodanige voorlopige partneralimentatie en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens. De man steunt zijn verzoek op de stelling dat de omstandigheden na de dagtekening van de beschikking zijn gewijzigd en dat de rechtbank bij het geven van de beslissing is uitgegaan van onjuiste gegevens. De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Wijziging voorlopige kinderalimentatie Ontvankelijkheid Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken als de omstandigheden na het geven van de beschikking in zodanige mate zijn gewijzigd of als bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. Voorlopige voorzieningen betreffen naar hun aard ordemaatregelen met een voorlopig karakter, bestemd om tijdens de duur van de echtscheidingsprocedure te voorzien in een oplossing voor moeilijkheden die rijzen doordat de echtscheidingsprocedure aanhangig is of zal worden gemaakt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij wijziging van een voorlopige voorziening moet gaan om evidente, zeer sprekende gevallen en dat de wetgever een eventuele wijzigingsmogelijkheid, mede ter voorkoming van een verkapt hoger beroep, aan een streng criterium heeft willen binden. De wetgever heeft met het opnemen van de zinsneden “in zodanige mate” en “alle betrokken belangen in aanmerking genomen” tot uitdrukking gebracht dat niet iedere wijziging in omstandigheden en niet iedere onjuistheid of onvolledigheid van gegevens waarvan de rechtbank is uitgegaan, tot een wijziging of intrekking kan leiden. Er gelden daarom strenge eisen ten aanzien van de stelplicht van de partij die om wijziging verzoekt. De rechtbank zal hierna, aan de hand van deze strenge maatstaf, beoordelen of het door de man gestelde ertoe leidt dat de bij beschikking van 9 juli 2025 vastgestelde voorlopige voorzieningen, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, niet in stand kunnen blijven. Volgens de man moet de voorlopige kinderalimentatie worden gewijzigd, omdat er in de beschikking van 9 juli 2025 ten onrechte geen rekening is gehouden met een zorgkorting en er geen draagkrachtvergelijking is gemaakt, waardoor er een grove wanverhouding is tussen het vastgestelde bedrag en een correcte voorlopige kinderalimentatie. Verder is sprake van een wijziging van omstandigheden, omdat de man per 1 september 2025 uit dienst is getreden. De vrouw voert daartegen aan dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 824 lid 2 Rv, omdat de rechtbank bij haar beschikking niet van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De voorlopige kinderalimentatie is door de vrouw berekend aan de hand van dezelfde inkomens van partijen die de man nu aan zijn verzoek ten grondslag legt. De man werd tijdens de vorige voorlopige voorzieningenprocedure ook bijgestaan door een advocaat. De omstandigheid dat de man nu geen werk meer heeft, is geen relevante omstandigheid, omdat dit verwijtbaar en vermijdbaar was. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de eerder door de vrouw verzochte en in de beschikking van 9 juli 2025 toegewezen voorlopige kinderalimentatie van € 678,60 beduidend hoger is dan het bedrag dat zou zijn vastgesteld wanneer een draagkrachtvergelijking tussen de ouders was gemaakt en ook rekening zou zijn gehouden met een zorgkorting. Op zichzelf is dit onvoldoende reden om de voorlopige kinderalimentatie te wijzigen. Omdat echter ook vaststaat dat de man per 1 september 2025 uit dienst is getreden en zijn financiële situatie om die reden is gewijzigd, zal de rechtbank de man ontvangen in zijn verzoek en inhoudelijk beoordelen of sprake is van een situatie dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. Daartoe zal de rechtbank alsnog zelf een voorlopige kinderalimentatie berekenen waarbij ook een draagkrachtvergelijking wordt gemaakt en een zorgkorting wordt toegepast. Inhoudelijke beoordeling Behoefte Op de zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de kosten van [minderjarige] begroot kunnen worden op een bedrag van € 990,- per maand (het maximale bedrag zoals dat volgt uit de behoeftetabel in het Tremarapport Alimentatienormen) te verhogen met een bedrag van € 420,- per maand (oppaskosten). De rechtbank zal daarom, in navolging van partijen, uitgaan van een behoefte van € 1.410,- per maand. Draagkracht van de ouders Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze kosten door de ouders moeten worden gedragen. Daarvoor is eerst nodig dat de draagkracht van partijen wordt berekend. Dit doet de rechtbank aan de hand van ieders Netto Besteedbaar Inkomen (NBI) in
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.