← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:25939

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL23.12343 V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , geboren op [geboortedatum] 2003, van Filipijnse nationaliteit, eiser (gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg), en de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] (referente)’ op grond van artikel 8 van het EVRM. 1.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 2 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 april 2023 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. Op 23 april 2023 heeft de rechtbank het beroepschrift van [eiser] ontvangen. 1.3. Op 23 oktober 2023 heeft de minister een verweerschrift ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] , referente, de partner van referente en de gemachtigde van de minister. [eiser] was niet aanwezig. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van [eiser] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] . 3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. [eiser] is geboren op [geboortedatum] 2003 en afkomstig uit de Filipijnen. Hij woont samen met zijn oma, broer, zus en hun kinderen in het huis van zijn oma. Referente is zijn moeder en zij heeft ook de Filipijnse nationaliteit. Omdat referente de kostwinner is van het gezin, werkt zij sinds 2000 langere periodes achterelkaar in het buitenland. Dat is gebruikelijk in de Filipijnen. Haar verblijf in het buitenland van telkens drie à vier jaar wisselt zij af met een verblijf in de Filipijnen van telkens twee jaar. Ze heeft eerst in Taiwan gewerkt. Voor de geboorte van [eiser] is zij teruggekeerd naar de Filipijnen. Daarna is zij naar Jordanië gegaan om te werken voor de ambassadeur. De ambassadeur heeft referente vervolgens gevraagd om mee te gaan naar Nederland. Referente stuurt bijna wekelijks geld naar de Filipijnen. Referente en [eiser] hebben bijna dagelijks contact. Verder heeft referente altijd de beslissingen over de opvoeding en verzorging van [eiser] genomen. Dit deed zij in samenspraak met het gezin. Referente heeft sinds 26 februari 2020 rechtmatig verblijf als familie- of gezinslid bij haar Nederlandse partner, [naam] ( [naam] ). [eiser] beoogt verblijf in Nederland bij referente en haar partner. 4.1. Op 7 mei 2021 heeft [naam] de volgende e-mail gestuurd aan de IND: “Beste meneer/mevrouw, Mijn Filipijnse vriendin heeft een minderjarige zoon die bij haar moeder in de Filipijnen woont. Ze wil haar zoon graag naar Nederland halen. Hij wordt op [geboortedatum] 2021 l8 jaar oud. Hij heeft nog geen eigen paspoort en heeft problemen om een paspoort te krijgen door een fout in zijn geboorteregister. Hierin heeft hij dezelfde middelste en laatste naam als zijn moeder. Vanwege Filipijnse regelgeving kan hij geen paspoort krijgen tenzij de middelste naam verwijderd wordt zolang hij minderjarig is. Dat is echter een langdurige procedure. De advocaat daar heeft dan ook gezegd dat hij beter kan wachten totdat hij 18 is, want dan kan hij wel een paspoort krijgen. De vraag voor nu is of de procedure om hem naar Nederland te halen kans heeft wanneer we nu direct deze starten nu hij nog minderjarig is. Terwijl het moment van afreizen na zijn 18de verjaardag zal zijn. Of moet de zoon minderjarig zijn op het moment dat hij naar Nederland zou afreizen met een MVV?” 4.2. De IND heeft hier op 23 augustus 2021 als volgt op geantwoord: “Uit uw e-mail begrijp ik dat u een aanvraag voor verblijf voor de minderjarige zoon van uw Filipijnse vriendin wil indienen. De zoon van uw vriendin is nu nog minderjarig, maar beschikt momenteel niet over een geldig Filipijns paspoort. Vanwege onjuiste gegevens op zijn geboorte akte is het mogelijk dat hij pas na zijn achttiende over een paspoort kan beschikken. U wil weten of hij dan nog wel in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. Als de IND de aanvraag voor verblijf ontvangt nadat de zoon van uw vriendin achttien jaar is geworden, zal worden beoordeelt of het recht op uitoefening van het gezinsleven van toepassing is. Dit recht is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (8 EVRM). In het Nederlandse vreemdelingenrecht (Vreemdelingen circulaire deel BI 3.8.1) is vastgelegd dat de IND verblijf kan toestaan aan meerderjarige kinderen bij ouder(

  1. s)als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: - het kind is jongvolwassen (richtlijn tussen 18 en 25) - het kind leeft in gezinsverband met de ouder(
  2. s)- het kind voorziet niet zelf in het eigen levensonderhoud - het kind heeft niet zelf een eigen gezin Voor de beoordeling van leven in gezinsverband met de ouder(
  3. s)is het niet noodzakelijk dat er sprake is van dagelijks familieleven. Maar het moet wel duidelijk zijn dat de ouder gezag heeft over het kind en betrokken is bij de opvoeding van het kind. Als er geen sprake is van leven in gezinsverband met de ouder (
  4. s)moet het wel duidelijk zijn dat het kind een méér dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met de ouder(
  5. s)heeft.” 4.3. Vervolgens is op 30 november 2021, na de achttiende verjaardag van [eiser] , een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf bij referente ingediend. Besluitvorming 5. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft de minister de aanvraag afgewezen omdat [eiser] niet aan de voorwaarden voor de gevraagde machtiging tot voorlopig verblijf voldoet. Hoewel niet expliciet is gereageerd op de vraag of [eiser] minderjarig moet zijn op het moment dat hij naar Nederland komt, is op de website van de IND voldoende informatie daarover te vinden. De minister volgt niet dat in de beantwoording van de e-mail is geadviseerd om te wachten met het indienen van een aanvraag voor [eiser] tot het moment dat hij achttien jaar is en dan een aanvraag in te dienen op grond van artikel 8 van het EVRM. Dat [eiser] dit wel opmaakt uit de email komt voor zijn rekening en risico. Daarnaast valt [eiser] volgens de minister niet onder het jongvolwassenenbeleid omdat de gezinsband tussen [eiser] en referente verbroken is vanwege het vrijwillig vertrek van referente uit de Filipijnen en omdat [eiser] als jongvolwassene en referente nooit in gezinsverband hebben samengewoond. Daarnaast stelt de minister dat er geen sprake is van een “meer dan gebruikelijke afhankelijkheid” tussen [eiser] en referente. Ook valt de belangenafweging in het nadeel van [eiser] uit. Informatieverstrekking door de IND 6. [eiser] stelt dat de minister de informatieplicht en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en daardoor een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. De minister had moeten toetsen alsof [eiser] minderjarig was, omdat [eiser] toen hij nog minderjarig was schriftelijk aan de minister heeft aangegeven dat hij de wens had tot verkrijging van toelating en verblijf bij referente, zijn moeder. [naam] heeft namelijk op 7 mei 2021 navraag gedaan bij de IND hoe de aanvraag moest worden ingediend en hij heeft toen onvolledige informatie gekregen. Strikt gezien kan deze email dan ook worden aangemerkt als een begin van een aanvraag, ingediend voordat [eiser] meerderjarig werd. [eiser] stelt dat het antwoord van de minister gelezen moet worden als dat hij kan wachten tot hij achttien is om de aanvraag te doen, terwijl de minister had moeten aangeven dat het beleid voor meerderjarigen veel strenger is dan het beleid voor minderjarigen. Nu de minister bij beantwoording van vragen van burgers duidelijke antwoorden moet geven, en een zorgplicht heeft om te waarschuwen voor potentiële problematische situaties, heeft de minister hier zijn informatieplicht verzaakt en referente en [eiser] onjuist geïnformeerd. 6.1. De minister is van mening dat hij wel het juiste toetsingskader heeft gehanteerd door te toetsen aan het jongvolwassenenbeleid omdat de Afdeling in een uitspraak van 23 november 2020 heeft geoordeeld dat de leeftijd van [eiser] ten tijde van de aanvraag doorslaggevend is voor het bepalen wat het toepasselijke beleid is, maar dat de voorgeschiedenis in de belangenafweging meegewogen moet worden. Daarnaast meent de minister dat het vertrouwensbeginsel niet is geschonden nu er geen toezeggingen zijn gedaan over welk beleid toegepast zou worden als [eiser] een aanvraag in zou dienen of dat er aan [eiser] een machtiging tot voorlopig verblijf zou worden verleend. Sterker nog, de minister stelt dat hij getoetst heeft aan het beleid zoals is genoemd in de mailwisseling tussen [naam] en de IND voorafgaand aan de aanvraag. In onderhavig geval is naar het oordeel van de minister geen sprake van een eerder gedane aanvraag en ook niet van onjuist verleende informatie. Dat de door de minister verleende informatie de vraag van [naam] niet geheel beantwoord, maakt niet dat de verleende informatie onjuist is. 6.2. De rechtbank stelt als eerste vast dat de IND ruim drie-en-een-halve maand heeft gedaan over de beantwoording van de e-mail. Hierdoor heeft [naam] pas een week voor de achttiende verjaardag van [eiser] antwoord gekregen. De rechtbank stelt verder vast dat [naam] in zijn e-mail aan de IND heeft gevraagd of het mogelijk is een aanvraag in te dienen op het moment dat [eiser] minderjarig is en dat hij vervolgens als meerderjarige naar Nederland afreist. De rechtbank stelt ook vast dat de IND een onvolledig antwoord heeft gegeven. De IND is namelijk niet ingegaan op de gestelde vraag, heeft de vraag onjuist geherformuleerd en heeft toegelicht dat als een aanvraag voor [eiser] wordt gedaan als hij meerderjarig is, dat dan wordt getoetst aan het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft ook erkend dat het antwoord onvolledig is. De minister heeft zich echter op de zitting op het standpunt gesteld dat [naam] dan opnieuw de vraag had moeten stellen aan de IND dan wel een gemachtigde in de arm had moeten nemen. De rechtbank volgt de minister hier niet in. 6.3. De rechtbank overweegt als eerste dat tussen partijen niet in geschil is dat de uitlatingen per e-mail van de IND-medewerker aan de minister kunnen worden toegerekend. Verder overweegt de rechtbank dat de IND de e-mail pas een week voor de achttiende verjaardag van [eiser] heeft beantwoord, waardoor er redelijkerwijs niet genoeg tijd was om een nieuwe vraag per e-mail aan de IND te stellen, nu er drie-en-een-halve maand over de beantwoording van de eerste e-mail is gedaan. [naam] had de vraag echter enkel pas opnieuw kunnen stellen dan wel een gemachtigde in de arm kunnen nemen, als hij had geweten dat het antwoord op de gestelde vraag onvolledig was. [naam] had dit echter redelijkerwijs niet kunnen weten. Hij is immers een leek in het vreemdelingenrecht en de rechtbank acht het aannemelijk dat het antwoord van de IND door een leek gelezen kan worden als een volledig antwoord op de gestelde vraag. [naam] heeft er in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs op mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen werden gegeven. Door deze onvolledige inlichtingen is hij dan ook ‘op het verkeerde been gezet’. Bij het voorgaande speelt mee dat uit het preadvies van Damen over vertrouwen in de overheid volgt dat bestuursorganen er rekening mee moeten houden dat het gemiddeld niveau van de burgers middelbaar beroepsonderwijs is, dat veel burgers daar ruim onder zitten en dat meer dan twee miljoen burgers (functioneel) analfabeet of laaggeletterd zijn. De communicatie van de IND moet ook begrijpelijk zijn voor deze groep burgers. Een burger hoort immers in beginsel geen gemachtigde in de arm te nemen om te communiceren met de overheid. De minister had hier rekening mee moeten houden in de besluitvorming. 6.4. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat er verstrekkende negatieve gevolgen verbonden zitten aan het onvolledige antwoord dat is gegeven aan [eiser] een week voordat hij achttien jaar zou worden. Als [eiser] de aanvraag had ingediend voor zijn achttiende verjaardag, wat juridisch gezien mogelijk is en dat had ook het antwoord moeten zijn van de IND, had [eiser] aan minder strenge voorwaarden moeten voldoen voor het inwilligen van zijn aanvraag. De rechtbank ziet niet in waarom de gevolgen van het onvolledig informeren van [naam] door de IND, voor rekening en risico zou moeten komen van [eiser] . Er is immers geen sprake van een werkelijk kenbare fout van de IND die [naam] dan wel [eiser] verwijtbaar niet heeft opgemerkt. Deze handelswijze getuigt dan ook niet van een dienstbaar bestuursorgaan. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat de beroepsgrond van [eiser] slaagt. Jongvolwassenenbeleid 7. [eiser] heeft ook aangevoerd dat hij wel deel uitmaakt van het gezin van referente. De rechtbank begrijpt dat zo dat [eiser] hiermee aanvoert dat hij niet volgt dat hij niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hij heeft namelijk geen stappen naar zelfstandigheid gezet. Ook stelt [eiser] dat de minister niet aan hem kan tegenwerpen dat de gezinsband verbroken is, omdat referente noodgedwongen in het buitenland werkte. 7.1. De minister stelt zich op het standpunt dat [eiser] niet onder het jongvolwassenenbeleid valt omdat [eiser] als jongvolwassene niet met referente in gezinsverband heeft samengeleefd en dus dat de gezinsband als verbroken moet worden beschouwd. De minister betrekt hierbij dat de komst van referente naar Nederland geheel vrijwillig is geweest, waarbij zij [eiser] in het land van herkomst heeft achtergelaten en dat hij meerderjarig was op het moment van de aanvraag. 7.2. Voor de toepassing van het jongvolwassenenbeleid gelden een aantal voorwaarden die zijn opgenomen in paragraaf B7/3.8 van de Vc, maar de ratio achter dit beleid is dat een jongvolwassen kind feitelijk nog afhankelijk is van zijn ouders zolang het kind bij zijn ouders woont en zij het merendeel van de verzorging van het gezin en het huishouden op zich nemen. Dit ondanks het feit dat het kind juridisch niet meer onder de verantwoordelijkheid van de ouders valt en gelet op zijn leeftijd in beginsel geen verzorging meer nodig heeft. Hierbij is dus de vraag van belang of de gezinsband tussen [eiser] en referente verbroken is en of [eiser] nog deel uitmaakt van het gezin van referente. De rechtbank stelt vast dat de minister de conclusie heeft getrokken dat de gezinsband tussen [eiser] en referente als verbroken moet worden beschouwd enkel en alleen vanwege de omstandigheid dat [eiser] en referente niet samenwonen. De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling hiermee onvolledig is geweest. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt immers niet dat sprake moet zijn van samenwoning om als jongvolwassene te worden aangemerkt. Uit de jurisprudentie van het EHRM maakt de rechtbank juist op dat om te beoordelen of iemand kan worden aangemerkt als jongvolwassene het samenwonen van belang is en ook zwaarwegend kan zijn, maar dat altijd naar alle specifieke omstandigheden van het geval moet worden gekeken.Daarbij geldt dat hoe meer het meerderjarige kind zich heeft losgemaakt van zijn ouders, hoe minder snel sprake zal zijn van een jongvolwassene als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM. Dit moet van geval tot geval, op individuele basis, worden beoordeeld. De minister is dan ook gehouden om alle relevante feiten en omstandigheden te betrekken en een op het individuele geval toegespitste beoordeling te maken. 7.3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister heeft nagelaten de specifieke situatie van dit gezin te betrekken bij de vraag of [eiser] nog onderdeel is van het gezin van zijn moeder. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat de situatie van [eiser] voor zijn achttiende hetzelfde is als de situatie na zijn achttiende. Ook voordat [eiser] achttien jaar werd heeft referente op afstand invulling gegeven aan haar ouderlijke rechten. Referente heeft zowel tijdens de minderjarigheid als tijdens de meerderjarigheid van [eiser] jaren in het buitenland gewerkt om bijna wekelijks geld te kunnen sturen naar haar gezin. [eiser] heeft ook al die tijd gewoond met zijn oma en andere familieleden. Bovendien maakte referente op afstand toen en ook nu alle beslissingen over de opvoeding van [eiser] . Hieruit volgt dat de situatie van [eiser] zowel tijdens de minderjarigheid als tijdens de meerderjarigheid hetzelfde is. Het is de rechtbank niet gebleken dat [eiser] al stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. De minister heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom de gezinsband is verbroken en waarom [eiser] dus niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dit betekent onder andere dat de minister de verstrekkende gevolgen van het onvolledig informeren zoveel als mogelijk moet herstellen door de aanvraag te beoordelen alsof de aanvraag is gedaan tijdens de minderjarigheid van [eiser] dan wel moet motiveren waarom de verstrekkende gevolgen van het onjuist motiveren van [eiser] door de minister voor rekening en risico van [eiser] moet komen, nu geen sprake is van een werkelijk kenbare fout van de IND die [naam] dan wel [eiser] verwijtbaar niet heeft opgemerkt. De minister is vervolgens bij de beoordeling van de vraag of [eiser] onder het jongvolwassenenbeleid valt gehouden om rekening te houden met overwegingen 7.2 en 7.3. In het geval de minister van oordeel is dat [eiser] wel onder het jongvolwassenenbeleid valt, is de minister bij de daarbij te maken belangenafweging gehouden om rekening te houden met de omstandigheid dat de minister [naam] onvolledig heeft geïnformeerd en dat [eiser] daarom de aanvraag na zijn achttiende heeft ingediend. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 10. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een nadere dwangsom van € 100,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. 11. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan [eiser] vergoeden en krijgt [eiser] ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.750,- omdat de gemachtigde van [eiser] een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Als aan [eiser] een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 14 april 2023; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de minister aan [eiser] een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184 aan [eiser] moet vergoeden; en, - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan de gemachtigde van [eiser] . Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, rechter, in aanwezigheid van mr.I.S. Roefs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Immigratie- en Naturalisatiedienst. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2020:2780. “De vraag voor nu is of de procedure om hem naar Nederland te halen kans heeft wanneer we nu direct deze starten nu hij nog minderjarig is. Terwijl het moment van afreizen na zijn 18de verjaardag zal zijn. Of moet de zoon minderjarig zijn op het moment dat hij naar Nederland zou afreizen met een MVV?” “Vanwege onjuiste gegevens op zijn geboorte akte is het mogelijk dat hij pas na zijn achttiende over een paspoort kan beschikken. U wil weten of hij dan nog wel in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.” “Als de IND de aanvraag voor verblijf ontvangt nadat de zoon van uw vriendin achttien jaar is geworden, zal worden beoordeelt of het recht op uitoefening van het gezinsleven van toepassing is.” Zie ook het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10446. Vertrouwen in de overheid, ‘Is de burger triple A: alert, argwanend, assertief, of raakt hij lost in translation?’ van prof. mr. dr. L.J.A. Damen, Boom Juridisch, Den Haag 2018. Zie ook de vuistregels zoals die volgen uit het preadvies, p. 94: “BE1.4 verdisconteer bij het verstrekken van (algemene) informatie dat het gemiddelde niveau van de burgers middelbaar beroepsonderwijs is, dat veel burgers daar ruim onder zitten en dat meer dan twee miljoen burgers (functioneel) analfabeet of laaggeletterd zijn; schakel voor algemene informatie een testpanel van laaggeletterden in;” Zie ook pagina 46 van de Memorie van Toelichting bij de Consultatieversie Wet versterking waarborgfunctie Awb: “Een bestuursorgaan moet bij het zoeken van contact rekening houden met degenen tot wie het zich richt.” Zie ook de vuistregels zoals die volgen uit het preadvies, p. 94: “BE1.14 neem verantwoordelijkheid voor onbevoegd gegeven of onjuiste informatie, zelfs als die in strijd is met de wet; los een fout eventueel op middels schadevergoeding; BE1.15 leg het risico en de rekening voor een eigen fout primair bij je zelf, en alleen bij de burger als die werkelijk verwijtbaar een kenbare fout niet heeft opgemerkt; BE1.16 houd bij het bepalen van die verwijtbaarheid rekening met het kennen en kunnen van deze burger en lever dus maatwerk.” Vreemdelingencirculaire 2000. Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zo heeft het EHRM in de uitspraak van 21 juli 2022 in de zaak van Katsikeros tegen Griekenland, no. 2303/19, in overweging 43 geoordeeld dat: “As a rule, cohabitation is a requirement for a relationship amounting to family life. Exceptionally, other factors may also serve to demonstrate that a relationship has sufficient constancy to create de facto “family ties” (see Kroon and Others v. the Netherlands, 27 October 1994, § 30, Series A no. 297C, and L. v. the Netherlands, cited above, § 36).” Zo heeft het EHRM in de uitspraak van 24 januari 2017 in de zaak van Paradiso en Campanelli tegen Italië, no. 25358/12, in overweging 140 geoordeeld dat: “whether or not family life exists is essentially a question of fact depending upon the real existence in practice of close personal ties.” Arrest van het EHRM, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011 (nr. 38058/09), overweging 64. Zie pagina 4 van het gehoor. Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.