RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL24.39011 (beroep) NL24.39015 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1971, van Surinaamse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. J. van Bennekom), en de minister van Asiel en Migratie , hierna: de minister (gemachtigde: mr. J. Amokodo). Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Eiser wenst verblijf bij zijn minderjarige dochter [minderjarige] op grond van artikel 20 van het VWEU en op grond van het arrest Chavez-Vilchez. 1.
- In het besluit van 12 januari 2024 (het primaire besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen. In het besluit van 6 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen dit besluit ongegrond verklaard. 1.
- Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft hij de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was de dochter van eiser, [minderjarige] , op de zitting aanwezig. Voorafgaand aan de zitting heeft [minderjarige] door middel van een kindgesprek met de rechter en griffier die de zaak behandelen de gelegenheid gekregen om haar mening kenbaar te maken over deze procedure. Een samenvatting van dit kindgesprek is met partijen op zitting besproken. 1.
- De rechtbank heeft voor [minderjarige] een aparte samenvatting van de beslissing gemaakt. Deze samenvatting is als bijlage aan deze uitspraak gehecht en maakt onderdeel uit van deze uitspraak. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het besluit twee gebreken bevat. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt. Achtergrond
- Eiser heeft eerder een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij zijn dochter [minderjarige] op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. De minister heeft deze aanvraag afgewezen. Deze afwijzing staat in rechte vast. 3.
- Eiser heeft op 18 juli 2023 opnieuw een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. Hij wil graag verblijf bij [minderjarige] , die nu 16 jaar is. Besluitvorming
- De minister heeft deze aanvraag in het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, afgewezen omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden die worden gesteld onder paragraaf B10/2.5 van de Vc, onder c en d. Volgens de minister heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor [minderjarige] . Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er tussen hem en [minderjarige] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [minderjarige] gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister concludeert dat eiser daarom geen afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez. 4.
- De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de afwijzing van de aanvraag van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft weliswaar beschermenswaardig gezinsleven met [minderjarige] , maar de belangenafweging valt in zijn nadeel uit. Chavez-Vilchez Standpunt eiser
- Eiser betoogt dat de minister ten onrechte primair Unierecht heeft omgezet in nationale beleidsregels. De vier cumulatieve voorwaarden als bedoeld in paragraaf B10/2.5 van de Vc vloeien niet voort uit de rechtspraak van het Hof en zijn dus onverbindend. Eiser voert daarnaast aan dat het scheiden van een minderjarig kind van de verzorgende ouder vrijwel nooit in het hoger belang van het kind is. De minister had moeten nagaan wat de impact op [minderjarige] zal zijn. Zij kampt met angsten, concentratieproblemen en stress omdat zij vreest dat haar vader niet meer in Nederland mag blijven. Eiser is vanaf de geboorte bij [minderjarige] betrokken en onderhoudt een affectieve band met haar. Op hem rust de wettelijke plicht om zijn dochter te verzorgen en op te voeden en in haar levensonderhoud te voorzien. Gelet hierop staat volgens eiser vast dat hij een verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 van het VWEU. Het oordeel van de rechtbank 5.
- Volgens vaste rechtspraak van het Hof bestaan er zeer bijzondere situaties waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een van die Unieburger afgeleid verblijfsrecht moet worden toegekend. Dit is het geval als de Unieburger bij weigering van dit verblijfsrecht feitelijk verplicht is het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de belangrijkste van de aan die status ontleende rechten zou worden ontzegd. Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat zo’n bijzondere situatie zich voordoet in het geval tussen een familielid uit een derde land en een minderjarig kind dat Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Dit afgeleide verblijfsrecht vindt zijn grondslag in artikel 20 van het VWEU en vloeit daarmee rechtstreeks voort uit het Unierecht. 5.
- De minister heeft in paragraaf B10/2.5 van de Vc beleid opgenomen waarin staat onder welke voorwaarden de derdelands ouder van een minderjarig Nederlands kind dit afgeleide verblijfsrecht toekomt. Dit is het geval als de ouder: zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen; een minderjarig, Nederlands kind heeft; daadwerkelijk voor het kind zorgt; en er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelands ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat dit cumulatieve voorwaarden zijn en dat dus aan al deze voorwaarden moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor dit verblijfsrecht. 5.
- De rechtbank overweegt dat het de minister – anders dan eiser stelt – is toegestaan om beleidsregels op te stellen voor zover het de uitleg van de voorwaarden van dit verblijfsrecht betreft en deze uitleg in lijn is met de uitleg die het Hof hieraan in zijn rechtspraak heeft gegeven. Dat de minister beleid heeft opgesteld ten aanzien van de uitleg van de voorwaarden voor dit verblijfsrecht is op zichzelf dus niet in strijd met het Unierecht. Eiser voert echter terecht aan dat de minister de in paragraaf B10/2.5 van de Vc genoemde voorwaarden voor dit verblijfsrecht ten onrechte cumulatief uitlegt. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 juli 2025 geoordeeld dat volgens de rechtspraak van het Hof de afhankelijkheidsverhouding tussen een minderjarige burger van de Unie en diens familielid uit een derde land (voorwaarde d in het beleid van de minister) de grondslag vormt voor dit afgeleide verblijfsrecht. Dit aangezien die afhankelijkheid ertoe kan leiden dat de burger van de Unie als gevolg van die weigering gedwongen zal zijn niet alleen het grondgebied van de lidstaat waarvan hij de onderdaan is, maar eveneens het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Dit brengt met zich dat de minister niet als dwingende voorwaarde mag stellen dat de ouder meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht voor het kind (voorwaarde c). Dit neemt volgens de Afdeling echter enerzijds niet weg dat een afhankelijkheidsverhouding doorgaans niet voorstelbaar is als de ouder niet meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken verricht. Anderzijds is het verrichten van meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken niet zonder meer voldoende voor het doen ontstaan van een afhankelijkheidsverhouding. 5.
- Nu de minister in het bestreden besluit de voorwaarden als bedoeld in paragraaf B10/2.5 van de Vc ten onrechte cumulatief heeft toegepast, komt het besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank zal hierna in het kader van finale geschilbeslechting beoordelen of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. 5.
- Zoals hiervoor overwogen, dient voor het bestaan van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU sprake te zijn van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding tussen de derdelands ouder en zijn minderjarige kind die Unieburger is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de ouder al een afgeleid verblijfsrecht toekomt als vaststaat dat op de ouder de wettelijke, financiële of affectieve last van het kind berust. Uit de rechtspraak van het Hof en de Afdeling volgt namelijk dat dit een relevante, maar geen doorslaggevende factor is bij de beoordeling of tussen de ouder en het kind een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat. Bij deze beoordeling moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Meer in het bijzonder moet de minister rekening houden met de leeftijd van het kind, zijn/haar lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van de affectieve relatie van het kind zowel met de ouder die Unieburger is als met de ouder die derdelander is en het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van de ouder die derdelander is zou worden gescheiden. 5.
- Gelet op dit beoordelingskader heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser het bestaan van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding met [minderjarige] niet aannemelijk heeft gemaakt. Hoewel de minister, zoals hiervoor overwogen, niet als dwingende voorwaarde mocht stellen dat eiser meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor [minderjarige] verricht, is dit gelet op de eerder genoemde Afdelingsuitspraak wel een factor die de minister in zijn beoordeling mag betrekken. De minister heeft in dit verband terecht tegengeworpen dat eiser onvoldoende (objectieve) bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor [minderjarige] uitvoert. De minister heeft daarnaast terecht meegewogen dat de moeder van [minderjarige] de primaire verzorger is en zij het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft verkregen. De minister heeft dan ook kunnen concluderen dat het zwaartepunt van de verzorging bij de moeder van [minderjarige] ligt. [minderjarige] heeft in het gesprek met de rechter aangegeven dat zij graag wil dat haar vader in haar buurt kan blijven en dat zij zich niet goed kan concentreren en piekert als zij over de situatie van haar vader denkt. De rechtbank vindt het heel begrijpelijk dat [minderjarige] stress ervaart wegens de verblijfssituatie van haar vader en dat een scheiding van haar vader voor [minderjarige] moeilijk zal zijn. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank echter op goede gronden gemotiveerd dat dit onvoldoende is om te concluderen dat tussen eiser en [minderjarige] een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat, dat [minderjarige] gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. 5.
- De rechtbank concludeert dat de minister in het bestreden besluit voldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest Chavez-Vilchez toekomt. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen, zoals door eiser verzocht. Het horen van [minderjarige] Standpunt eiser
- Eiser voert aan dat de minister [minderjarige] ten onrechte niet heeft gehoord en beroept zich in dit kader op artikel 24 van het Handvest. Het oordeel van de rechtbank 6.
- Op grond van artikel 24, eerste lid, van het Handvest hebben kinderen die in staat zijn hun mening te vormen het recht om hun mening te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Op grond van het tweede lid van deze bepalingen dienen de nationale autoriteiten bij alle handelingen in verband met kinderen rekening te houden met het belang van het kind. 6.
- Uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 24 van het Handvest niet de verplichting oplegt om het kind in alle gevallen te horen, maar wel het bieden van de mogelijkheid voor het kind om te worden gehoord. Of het nuttig is om het kind te horen moet, in de licht van de belangen van het kind, in het concrete geval worden beoordeeld. Volgens het Hof vereist het recht van het kind om te worden gehoord dus niet dat het kind noodzakelijkerwijs wordt gehoord, maar impliceert dit wel dat er procedures en wettelijke voorwaarden aanwezig zijn om het kind in staat te stellen vrijelijk zijn mening te geven, en dat van deze mening kennis wordt genomen. Het is aan de lidstaten om alle passende maatregelen te nemen om het kind een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord, in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid. 6.
- De rechtbank leidt uit deze rechtspraak af dat de minister in een procedure zoals deze, waar de belangen van [minderjarige] een belangrijke rol spelen, niet verplicht was om [minderjarige] te horen. Wel was de minister gehouden om [minderjarige] in de gelegenheid te stellen haar mening vrijelijk te geven en om alle passende maatregelen te nemen om haar een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de minister dergelijke passende maatregelen heeft genomen. De rechtbank stelt namelijk vast dat de minister [minderjarige] niet heeft uitgenodigd voor het gehoor in de bezwaarfase, noch is gebleken dat zij op enige andere wijze in de gelegenheid is gesteld om haar mening over deze procedure naar voren te brengen. De minister heeft daarmee niet voldaan aan haar verplichting om [minderjarige] een daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid te bieden om te worden gehoord. Dat [minderjarige] in de bezwaarfase wel uit eigen beweging een verklaring heeft overgelegd doet hier niet aan af. Het is immers aan de minister om actief maatregelen te nemen om te waarborgen dat het kind voldoende in de gelegenheid wordt gesteld om zijn mening te uiten. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen. Het bestreden besluit is dus ook op dit punt gebrekkig. Artikel 7 van het Handvest en het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel
- De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de minister zijn aanvraag had moeten toetsen aan artikel 7 van het Handvest omdat deze bepaling verdergaande waarborgen biedt dan artikel 8 van het EVRM. Uit artikel 52, derde lid, van het Handvest volgt namelijk dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend. Volgens de Toelichting bij het Handvest correspondeert artikel 7 van het Handvest met artikel 8 van het EVRM. Artikel 7 van het Handvest biedt dan ook geen verdergaande bescherming aan eiser dan artikel 8 van het EVRM, waardoor de minister niet gehouden was nog een afzonderlijke beoordeling op grond van artikel 7 van het Handvest te maken. 7.
- Het beroep van eiser op het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin. De minister heeft de belangen van het kind en de overige door eiser aangevoerde belangen betrokken bij zijn beoordeling of aan eiser een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU toekomt en in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft niet onderbouwd waarom een beoordeling aan de hand van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel tot een materieel andere uitkomst zou leiden. Artikel 8 van het EVRM Standpunt eiser
- Eiser betoogt dat de minister bij de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM ten onrechte het belang van de openbare orde aan hem tegenwerpt. Van een actuele, ernstige van het gedrag van eiser uitgaande bedreiging voor de openbare orde is namelijk geen sprake. Het oordeel van de rechtbank 8.
- De rechtbank is van oordeel dat de minister het belang van de openbare orde aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. De minister heeft in dit verband kunnen tegenwerpen dat eiser meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat er sinds het laatst gepleegde feit van 21 april 2023 niet dusdanig veel tijd is verstreken dat niet langer van een gevaar voor de openbare orde kan worden gesproken. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond omdat de minister ten onrechte de voorwaarden uit zijn beleid voor het verkrijgen van een Chavez-verblijfsrecht cumulatief heeft toegepast en omdat de minister [minderjarige] geen daadwerkelijke en effectieve mogelijkheid heeft gegeven om over deze zaak te worden gehoord. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de minister namelijk wel voldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Daarnaast heeft [minderjarige] naar het oordeel van de rechtbank – ondanks dat de minister haar niet actief in de gelegenheid heeft gesteld om zich over deze procedure uit te laten – in deze procedure voldoende gelegenheid gehad om haar mening naar voren te brengen. Zij heeft namelijk in de bezwaarfase een schriftelijke verklaring overgelegd, die door de minister ook bij de besluitvorming is betrokken. Verder is [minderjarige] door middel van een kindgesprek door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om haar mening over deze procedure te geven. Het voorgaande geeft voor de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiser in stand blijft.
- Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep van eiser beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.
- Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de griffierechten aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.39011: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.39015: - wijst het verzoek af. De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken: - bepaalt dat de minister de griffierechten van € 374,- aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier. BIJLAGE – Samenvatting van de uitspraak voor [minderjarige] , Op 2 oktober 2025 hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Ik vind het heel goed van je dat je bent gekomen en mij hebt verteld wat je van de situatie vindt. Je hebt mij verteld dat je het fijn vindt om jouw vader regelmatig te zien. Het zou voor jou anders zijn, als hij naar Suriname gaat. Jullie hebben goed contact met elkaar. Doordeweeks zie je hem wat minder vanwege school en zijn werk, maar jullie bellen wel. In het weekend gaan jullie leuke dingen doen samen. Jouw vader is belangrijk voor jou en je hoopt dat hij in de buurt kan blijven. Je hebt ook last van de situatie; je piekert en kan je niet goed concentreren op school. Na ons gesprek was de zitting. Daar was jij ook bij aanwezig. Ik heb laten weten wat jij vindt van de situatie. Ook heb ik gepraat met jouw vader en zijn advocaat en met een meneer die kwam namens de minister voor Asiel en Migratie. Na de zitting heb ik, samen met mijn assistent, heel goed nagedacht over mijn beslissing. Ik heb gekeken naar het dossier en ik heb nagedacht over alles wat op de zitting is gezegd. Ook heb ik gekeken naar wat er in de wet staat. In deze brief leg ik uit wat mijn beslissing is geworden. Jouw vader heeft gevraagd of hij in Nederland mag blijven. De minister heeft gezegd dat hij niet in Nederland mag blijven. Mijn beslissing is dat de minister dit heeft mogen vinden. Jouw vader heeft op dit moment zelf geen recht om in Nederland te mogen blijven. De minister heeft gekeken of jouw vader toch in Nederland mag zijn wegens zijn banden met jou. Volgens de regels is dit alleen zo als het contact tussen jou en jouw vader zo vaak en belangrijk is dat de minister niet kan zeggen dat jouw vader weg moet. Ik vind dat de minister goed genoeg heeft uitgelegd dat dit niet het geval is. Voor de minister is het belangrijk dat vooral jouw moeder voor jouw opvoeding verantwoordelijk is. Jouw vader speelt ook een rol bij jouw opvoeding. Maar ik ben het met de minister eens dat deze rol niet zo groot en belangrijk is dat jouw vader daarom in Nederland moet blijven. Ik begrijp dat dit voor jou en jouw vader geen leuke beslissing is. Deze beslissing komt niet door jou. Jij hebt het juist heel goed hebt gedaan. Ik was blij dat je naar de rechtbank bent gekomen en ik vond het fijn om met jou te praten. Je hebt me goed verteld wat jij ervan vindt en dat heb ik ook serieus genomen. Als jouw vader het niet eens is met mijn beslissing, dan kan hij binnen vier weken in hoger beroep gaan. Dan kijkt een andere rechter opnieuw naar de zaak. Als er geen hoger beroep komt dan is de procedure na mijn beslissing klaar. Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat ik heb beslist, en waarom ik die beslissing heb genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou zal gaan. Groetjes, De rechter Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, ECLI:EU:C:2017:
- Vreemdelingencirculaire
- Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hof van Justitie van de Europese Unie. Zie bijvoorbeeld het arrest Ruiz Zambrano van 8 maart 2011 in de zaak C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124 en het arrest Dereci e.a. van 15 november 2011 in de zaak C-256/11, ECLI:EU:C:2011:
- In paragraaf B10/2.5.1.3 van de Vc staat dat hiervan sprake is als de ouder meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor het kind verricht. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:
- Zie het arrest O. e.a. van het Hof van 6 december 2012 in de zaak C-356/11 en C-357/11, ECLI:EU:C:2012:76, onder 56 en het arrest Chavez-Vilchez, onder 68 en de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, onder 3.
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zie het arrest Aguirre Zarraga van 22 december 2010 in de zaak C-491/10, ECLI:EU:C:2010:828 en het arrest Sagrario van 12 september 2024 in de zaak C-63/23, ECLI:EU:C:2024:
- [minderjarige] wordt in het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 14 augustus 2024 als aanwezig persoon vermeldt, maar met partijen en [minderjarige] is op de zitting vastgesteld dat zij niet op de hoorzitting aanwezig was en dat zij per abuis als aanwezig persoon is genoemd. Zie het arrest [naam] en de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986.