RECHTBANK Den Haag Team Handel Zaaknummer: C/09/684668 / HA ZA 25-384 Vonnis van 31 december 2025 in de zaak van [eiser] te [woonplaats 1] , eiser, hierna te noemen: ‘ [eiser] ’, advocaat: mr. P.M. Boiten, tegen [gedaagde] en QQ, in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [erflaatster] te [woonplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: ‘ [gedaagde] ’, advocaat: mr. J.C. Herweijer. 1De procedure 1.1. Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 2 april 2025, met producties 1 tot en met 6; de conclusie van antwoord, zonder producties; het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 december 2025. Daarbij zijn verschenen namens [eiser] mr. Boiten voornoemd en [gedaagde] bijgestaan door mr. Herweijer voornoemd. [eiser] was niet aanwezig. Partijen hebben hun standpunten toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat ter zitting is besproken. 1.3. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald. 2De feiten Inleiding, feiten en omstandigheden die niet in geschil zijn 2.1. Op [dag] 2021 is overleden mevrouw [erflaatster] (‘erflaatster’). 2.2. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [gedaagde] . Erflaatster is eerder gehuwd geweest en heeft vier kinderen uit die huwelijken. [eiser] is een van haar kinderen. 2.3. Erflaatster heeft bij testament van 12 november 1996 over haar nalatenschap beschikt. Daarin heeft zij [gedaagde] benoemd tot executeur en bepaald dat voor de tenuitvoerlegging van het testament Nederlands (erf)recht van toepassing zal zijn. In het testament heeft erflaatster aan [gedaagde] gelegateerd: het recht van vruchtgebruik van het gedeelte van de nalatenschap dat hij niet als erfgenaam heeft verkregen; en alle roerende en onroerende zaken die hij verkiest, zulks tegen inbreng van de waarde in de nalatenschap. 2.4. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht informatie te verschaffen over de samenstelling en omvang van de nalatenschap van erflaatster. 2.5. [gedaagde] heeft notaris mr. A.M.C. van Steenderen bezocht, waarna deze notaris bij e-mailbericht van 7 februari 2025 aan (de advocaat van) [eiser] heeft geschreven dat een ander notariskantoor werkzaamheden heeft verricht zonder dat een verklaring van erfrecht is opgemaakt, dat de andere drie kinderen reeds zijn uitbetaald en dat [gedaagde] heeft gezegd dat hij [eiser] een overzicht van de financiën zal sturen. 2.6. [gedaagde] heeft nadien aan [eiser] geschreven dat de nalatenschap van erflaatster als volgt is samengesteld: Rabobank € 1.600 ING Bank € 2.000 Inboedel € 450 Auto € 1.500 Sieraden en andere spullen in bezit bij dochter [gedaagde] Koelkast € 750 Totaal bezittingen € 6.300 Kosten notaris € 2.500 Bril € 750 Uitvaart / kerkdiensten € 4.500 Totaal schulden € 7.750 2.7. Bij de in 2.6 genoemde brief heeft [gedaagde] drie (ondertekende) verklaringen gevoegd, waarin staat dat de andere drie kinderen € 2.000 hebben ontvangen uit de nalatenschap. 3Het geschil 3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken: een afschrift van de aangifte en aanslag erfbelasting (indien aanwezig); een opgave van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap met bescheiden waaruit het saldo op de dag van overlijden blijkt, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen het saldo op de bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] ; een afschrift van de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden; een afschrift van de bankafschriften van alle bankrekeningen van de huwelijksgoederengemeenschap dan wel van erflaatster van de vijf jaar voorafgaand aan haar overlijden, waaronder in ieder geval doch niet uitsluitend begrepen de bankafschriften van bankrekeningen [rekeningnummer 1] , [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] ; en opgave van alle bezittingen van erflaatster (sieraden, voertuig, inboedel etc.); een opgave van alle schulden van erflaatster; een opgave van alle levensverzekeringen en een overzicht van (inmiddels) tot uitkering gekomen (levens)verzekeringen; een opgave van alle gedane giften van de afgelopen vijf jaar. een en ander op straffe van een dwangsom van € 100 per dag(deel) dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000 en met veroordeling van [gedaagde] in de (werkelijke) kosten van deze procedure. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat hij als mede-erfgenaam en deelgenoot in de nalatenschap van erflaatster recht op en belang heeft bij verstrekking van de gevraagde informatie, omdat hij enkel aan de hand hiervan zijn rechtspositie kan bepalen. [eiser] heeft meerdere grondslagen aan zijn vordering ten grondslag gelegd: artikel 3:15j onder a van het Burgerlijk Wetboek (‘BW’), artikel 3:166 BW in samenhang met artikel 6:2 BW, artikel 4:142 BW e.v., artikel 4:148 BW en artikel 4:184 BW en artikel 162 en 194 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (‘Rv’). 3.3. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan. [eiser] heeft 30 jaar lang geen contact gehad met erflaatster en heeft haar geschreven dat hij afstand deed van zijn erfdeel. [eiser] kan daar dan ook geen aanspraak meer op maken althans de redelijkheid en billijkheid verzetten zich ertegen dat hij nu alsnog zijn erfdeel kan opeisen. [gedaagde] heeft al aan zijn informatieplicht voldaan (2.6) en is bereid bankafschriften te verstrekken en mee te werken aan dat wat de rechtbank hem opdraagt. Oplegging van een dwangsom is dus niet nodig. De proceskosten moeten worden gecompenseerd. 3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4De beoordeling [eiser] heeft als erfgenaam recht op stukken 4.1. [eiser] is erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster. Dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn erfdeel en daar geen aanspraak meer op kan maken, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd en [eiser] heeft bestreden, blijkt uit niets. Niet gebleken is dat [eiser] een verklaring heeft afgelegd waarin hij afstand doet van erfrecht althans een verklaring nalatenschap heeft ingediend bij de griffie van de rechtbank, waarin hij de nalatenschap verwerpt. Een enkele – terloopse – opmerking dat [eiser] niets hoeft te hebben, welke opmerking wordt betwist, is onvoldoende om als afstandsverklaring te kunnen worden aanvaard. Ook de omstandigheid dat er dertig jaar geen contact geweest is tussen [eiser] en erflaatster, hetgeen overigens betwist wordt door [eiser] , maakt ook niet dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nu geen aanspraak kan maken op zijn erfdeel. 4.2. [gedaagde] heeft de benoeming als executeur aanvaard. [gedaagde] heeft toegelicht dat erflaatster en hij ten tijde van haar overlijden tegelijkertijd in het ziekenhuis lagen en dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten pas enkele weken daarna weer is thuisgekomen. De andere kinderen hebben in de tussentijd de feitelijke verdeling op zich genomen en vervolgens afgewikkeld, waartegen [gedaagde] zich niet heeft verzet. Naderhand heeft [gedaagde] de andere kinderen verteld hoeveel geld er nog was en welk deel daarvan hem toekwam. Hij heeft ieder van hen, met uitzondering van [eiser] , vervolgens € 2.000 gegeven ter afwikkeling van de nalatenschap, waarmee zij akkoord zijn gegaan, aldus [gedaagde] . 4.3. [eiser] en [gedaagde] zijn als erfgenamen krachtens artikel 3:166 lid 1 BW deelgenoten in de nalatenschap van erflaatster. Op grond van artikel 3:166 lid 3 in samenhang met artikel 6:2 BW dienen deelgenoten jegens elkaar de eisen van redelijkheid en billijkheid in acht te nemen. Dit brengt met zich mee dat een deelgenoot in een nalatenschap tegenover de andere deelgenoten recht heeft op inzage van alle stukken die deel uitmaken van die nalatenschap en die ter beoordeling van de omvang en de waarde van die nalatenschap van belang zijn. Dit is ook niet in geschil. 4.4. Daarnaast is in artikel 4:148 BW bepaald dat een executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Uit de toelichting bij dit artikel volgt dat [gedaagde] gehouden is inlichtingen te geven en inzage en afschrift te verstrekken van bescheiden die nodig zijn voor de vaststelling van de samenstelling en omvang van de nalatenschap althans dat op hem als executeur de plicht rust om een erfgenaam alle gewenste inlichtingen over de uitvoering van zijn taak te geven. Bankafschriften, belastingaangiften en -aanslagen en levensverzekeringen 4.5. [eiser] wenst over dezelfde informatie te beschikken als de andere erfgenamen voor het vaststellen van zijn aanspraak. De vordering heeft in eerste instantie betrekking op bankafschriften en belastingaangiften en -aanslagen. [eiser] heeft als erfgenaam recht om kennis te nemen van deze stukken, omdat deze stukken relevant zijn voor het bepalen van de omvang en de waarde van de nalatenschap van erflaatster. 4.6. [eiser] wil weten wat het banksaldo was ten tijde van het overlijden van erflaatster en wil aan de hand van (de mutaties
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.