Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-4689 (scheiding) en FA RK 25-8469 (verdeling) Zaaknummer: C/09/668800 (scheiding) en C/09/694354 (verdeling) Datum beschikking: 17 december 2025 Echtscheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 27 juni 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw], de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A. El Aqde in Amsterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man], de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. Y.R. Roosch in Den Haag. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift, met bijlagen, namens de vrouw; het verweerschrift, met zelfstandige verzoeken en bijlagen, namens de man; het bericht van 12 juli 2024, met bijlagen, namens de vrouw; de brief van 22 november 2024 van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad); het rapport en advies van de Raad van 17 april 2025, kenmerk KZ-1-617AGHC; het bericht van 22 mei 2025 namens de man; het bericht van 30 mei 2025 namens de man; het bericht van 2 juni 2025, met bijlage, namens de vrouw; de brief van 22 oktober 2025, met aanvullende zelfstandige verzoeken en met bijlagen, namens de man; de brief van 7 november 2025, met gewijzigd verzoek, namens de man; het bericht van 9 november 2025, met bijlagen, namens de vrouw; het bericht van 19 november 2025, met gewijzigde verzoeken en met bijlage, namens de vrouw. De minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om haar mening te geven over de verzoeken die haar betreffen, maar zij heeft daar geen gebruik van gemaakt. De rechtbank heeft wel op 17 november 2025 een e-mail ontvangen die met ‘[minderjarige]’ is ondertekend. Op 19 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en tolk N. Dogan, de man met zijn advocaat en tolk R. Vonk, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Door de advocaat van de man zijn pleitnotities overgelegd. Na de zitting heeft de rechtbank de berichten van 26 november, 10 december en 11 december 2025 namens de man ontvangen. Feiten De vrouw en de man zijn gehuwd op [datum] 2014 in [plaats 1], India. Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], [geboorteland]. De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit. De vrouw, de man en [minderjarige] hebben de Indiase nationaliteit. Deze rechtbank heeft op 17 oktober 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, inhoudende dat: [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd; de Raad is verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen in deze echtscheidingsprocedure. Verzoek en verweer Het verzoek van de vrouw strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: bepaling dat het nog in te dienen ouderschapsplan zal worden gehecht aan en deel zal uitmaken van de in deze te wijzen beschikking; vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw; vaststelling van door de man aan de vrouw te bepalen kinderalimentatie van € 960,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking; vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € PM,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de man – na aanvulling en wijziging – zelfstandig om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: vaststelling van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man; vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige], in die zin dat zij de ene week van maandag uit school tot en met maandag naar school bij de man verblijft en de daaropvolgende week van maandag uit school tot maandag naar school bij de vrouw verblijft, althans een zodanige regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie acht; vaststelling van een vakantie- en feestdagenregeling zoals verwoord onder VII. van het petitum van het verweerschrift met zelfstandige verzoeken van de man; bepaling dat er één keer per twee weken telefonisch overleg tussen partijen zal plaatsvinden over belangrijke aangelegenheden aangaande [minderjarige]; vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie van: € 82,- per maand voor de periode dat de man recht heeft op de 30% belastingregeling; € 4,- per maand voor de periode dat de man geen recht heeft op de 30% belastingregeling; althans een bijdrage vast te stellen die de rechtbank juist acht, met ingang van de datum van de te wijzen beschikking; vaststelling van de verdeling als volgt: verdeling van de echtelijke woning conform het voorstel van de man zoals verwoord onder I. tot en met IV. van het petitum van het aanvullend verzoekschrift van 22 oktober 2025 en: primair: bepaling dat de voor de eigendomsoverdracht noodzakelijke rechtshandelingen van de vrouw zullen worden vervangen door de beschikking en dat de beschikking in de plaats zal treden van de akte(
- n)of een deel daarvan die opgemaakt worden uit hoofde van de uitspraak; subsidiair: bepaling dat de vrouw een dwangsom zal verbeuren van € 1.000, - per dag dat de vrouw nalatig is haar medewerking te verlenen, waarbij een gedeelte van de dag als dag aan te merken, althans een zodanige dwangsom te bepalen en met een zodanig maximum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren; bepaling dat de vrouw verplicht is om de helft van de notariskosten te voldoen die betrekking hebben op de levering van het aandeel van de vrouw in de woning aan de man; verdeling van het goud van partijen, waarbij: primair: veroordeling van de vrouw om uiterlijk een maand na de beschikking het goud, zoals opgenomen op de als productie 33 overgelegde lijst, aan de man af te geven, bij gebreke waarvan de vrouw een dwangsom van € 1.000,- per dag zal verbeuren, waarbij een gedeelte van een dag als volledige dag wordt aangemerkt; subsidiair: bepaling dat de man recht heeft op vergoeding van € 27.020,- in verband met de aankoop van goud, zoals opgenomen op de als productie 33 overgelegde lijst, dat met privévermogen van de man is gefinancierd en bepaling dat dit verrekend wordt met het bedrag dat de man uit overbedeling aan de vrouw dient te voldoen; - bepaling dat partijen elkaar verder ten titel van hun huwelijksvermogensregime over en weer niets verschuldigd zijn. voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Beoordeling Echtscheiding Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. De rechtbank zal op grond van artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen. Ontvankelijkheid Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om overeenstemming te bereiken over de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de kinderalimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldoende gebleken dat de ouders niet in staat zijn om tot een gezamenlijk opgesteld en ondertekend ouderschapsplan te komen. Gelet hierop zal de rechtbank partijen toch ontvangen in hun verzoeken tot echtscheiding. Gelet op het bovengenoemde zal de rechtbank het verzoek van de vrouw voor aanhechting van een ouderschapsplan afwijzen. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en zij verzoeken om de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank zal het verzoek tot echtscheiding daarom als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek voor vaststelling van de hoofdverblijfplaats van en een zorgregeling voor [minderjarige]. Inhoudelijke beoordeling Uit de stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken is de rechtbank het volgende gebleken. De ouders kijken anders terug op hun huwelijk en gebeurtenissen die daarbinnen hebben plaatsgevonden. De vrouw geeft aan dat er is sprake is geweest van huiselijk geweld, wat de man betwist. In ieder geval staat vast dat de vrouw en [minderjarige] sinds de zomer van 2024 in een vrouwenopvang verblijven en dat er sindsdien geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de man. Uit het raadsrapport blijkt dat [minderjarige] niet de emotionele ruimte van de vrouw lijkt te hebben ervaren om met de man in contact te treden. De Raad maakt zich zorgen dat het contactverlies met de man impact maakt op de ontwikkeling van de identiteit en autonomie van [minderjarige]. De Raad ziet ruimte voor contactherstel onder begeleiding en op een openbare plek, omdat [minderjarige] daarvoor open staat. Verder adviseert de Raad meerdere vormen van hulpverlening zowel voor [minderjarige] als voor de ouders, waaronder omgangsbegeleiding en het traject parallel solo ouderschap. De rechtbank overweegt als volgt. Het valt te betreuren dat er zoveel maanden voorbij zijn gegaan en dat er nog geen aanmelding voor begeleide omgang is gedaan. Hoewel de Raad in het rapport heeft geadviseerd dat de ouders die aanmelding zo snel mogelijk moesten regelen, heeft de vrouw aangegeven zich niet te willen aanmelden voor begeleide omgang omdat zij de zitting in de onderhavige zaak wilde afwachten. De rechtbank vindt het, net als de Raad, van belang dat [minderjarige] onbelast contact met de man kan hebben in verband met haar identiteitsontwikkeling. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man al lang heeft moeten wachten, is de rechtbank van mening dat dit contactherstel onder professionele begeleiding plaats moet vinden, gelet op de lange termijn en op de uitdrukkelijke wens van [minderjarige]. Tijdens de mondelinge behandeling zijn hiervoor twee opties besproken, namelijk dat de ouders zelf een professional inschakelen, of dat de rechtbank de ouders doorverwijst in het kader van [zorginstantie]. Met de ouders is afgesproken dat zij zouden proberen om zelf een professional in te schakelen en dat zij de rechtbank binnen één week zouden informeren of dit gelukt is. Op 26 november 2025 heeft de rechtbank het bericht van de man ontvangen waarin hij aangeeft dat hij een voorstel voor begeleid contact en de verdeling van de kosten aan de vrouw heeft gedaan, maar dat hij hier geen reactie op heeft ontvangen. De rechtbank had daarom het voornemen om de ouders via [zorginstantie] te verwijzen naar zowel een ouderschapstraject (meer specifiek parallel solo ouderschap, zoals door de Raad is geadviseerd) als naar begeleide omgang. Gebleken is echter dat de gemeente waar de vrouw en [minderjarige] op dit moment staan ingeschreven niet in het arrondissement Den Haag is gelegen, waardoor de rechtbank de ouders niet in het kader van [zorginstantie] kan verwijzen. Aangezien de ouders tijdens de mondelinge behandeling wel beiden de bereidheid hebben uitgesproken om aan de genoemde hulpverleningstrajecten mee te werken, en de rechtbank deze trajecten net als de Raad zeer belangrijk acht in het belang van [minderjarige], draagt de rechtbank de vrouw op om zich binnen twee weken na de datum van deze beschikking via de huisarts of het Wijkteam door te laten verwijzen naar (een) hulpverleningsinstantie(
- s)voor parallel solo ouderschap en omgangsbegeleiding. Als voor de hulpverlening de aanwezigheid van tolken nodig is en de betreffende instantie dat niet kan faciliteren, moeten de ouders daar zelf zorg voor dragen. Gelet op de nog op te starten hulpverlening en de adviezen uit het raadsrapport ziet de rechtbank aanleiding om de beslissingen over de hoofdverblijfplaats van en zorgregeling voor [minderjarige] met zes maanden aan te houden. Informatie- en consultatieregeling Rechtsmacht en toepasselijk recht Aangezien de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek voor vaststelling van een informatie- en consultatieregeling voor [minderjarige]. Inhoudelijke beoordeling Op de zitting hebben de ouders afgesproken dat de vrouw maandelijks een e-mail aan de man zal sturen met informatie over [minderjarige]. De rechtbank zal conform deze afspraak van de ouders beslissen en daarbij bepalen dat dit uiterlijk de laatste dag van iedere maand gebeurt. Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu partijen en [minderjarige] in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen. Inhoudelijke beoordeling Aangezien de rechtbank geen definitieve zorgregeling zal vaststellen, kan zij ook geen definitieve kinderalimentatie vaststellen, gelet op de zorgkorting. De rechtbank ziet wel aanleiding om een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen 2025 (het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro's. Ingangsdatum De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie de datum van deze beschikking hanteren. Behoefte Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NGBI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De ouders zijn in juni 2024 feitelijk uit elkaar gegaan. De ouders zijn het erover eens dat er op basis van hun inkomen sprake is van een NBGI in de hoogste staffel conform het rapport, te weten € 6.000,- per maand of meer, zodat de behoefte van de [minderjarige] in 2024 € 880,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 937,- per maand. Verder zijn de ouders het erover eens dat er sprake is van behoefteverhogende kosten voor de school en dat er daarvoor rekening wordt gehouden met een extra bedrag van € 758,- per maand voor de behoefte van [minderjarige]. Rekening houdend met deze extra kosten voor school bedraagt de behoefte van [minderjarige] in 2025 € 1.695,- per maand (€ 937,- + € 758,-). Draagkracht De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)]. Draagkracht vrouw Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.100,- bruto per maand, zoals blijkt uit de loonstroken van juli tot en met september 2025. De rechtbank gaat niet mee met de stelling van de man dat er rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit gelijk aan het voormalige inkomen van de vrouw van € 41.603,- per jaar, omdat haar huidige inkomen ongeveer gelijk is aan dat bedrag, namelijk € 40.176,- per jaar. Naast het brutoloon houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie van € 68,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.010,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 767,- per maand, te weten 70% x [3.010 - (0,3 x 3.010 + 1.310)]. Draagkracht man Bij de berekening van de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 10.742,- bruto per maand, zoals blijkt uit de loonstroken van juli tot en met september 2025. Naast het brutoloon zal de rechtbank, aangezien de man dit in zijn eigen alimentatieberekening ook heeft gedaan, rekening houden met 8% vakantiegeld, een dertiende maand van € 895,- per maand, de compensatie NNP van € 219,- per maand, de bijdrage voor zorgverzekering van € 451,- per maand en de 30% belastingregeling van € 4.132,- per maand. Tussen partijen is in geschil of er rekening moet worden gehouden met de mobility allowance en de commuting allowance. De rechtbank overweegt dat vergoedingen voor reiskosten over het algemeen niet worden meegenomen bij de berekening van de draagkracht, omdat dit kosten zijn die daadwerkelijk worden gemaakt en daarom niet als inkomen gelden. In dit geval ziet de rechtbank ook geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vrouw op de zitting heeft bevestigd dat de man ook tijdens het huwelijk ongeveer twee keer per maand voor zijn werk naar het buitenland moest. De rechtbank zal daarom geen rekening houden met de mobility allowance en de commuting allowance. Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 9.151,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht. De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 3.567,- per maand, te weten 70% x [9.151 - (0,3 x 9.151 + 1.310)]. Conclusie Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen van (€ 767,- + € 3.567,- =) € 4.334,- per maand bedraagt het eigen aandeel van de man in de kosten van [minderjarige] naar rato van zijn draagkracht [(€ 3.567,- / € 4.334,-) x € 1.695,- =] € 1.395,- per maand. Op de door de man te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte (zonder behoefteverhogende kosten), welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Op dit moment ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 5%, aangezien het contact tussen de man en [minderjarige] weer opgestart zal worden. Dat bedrag aan zorgkorting bedraagt € 47,- per maand (5% van € 937,-). Wanneer de definitieve zorgregeling tussen de man en [minderjarige] wordt vastgesteld, zal de rechtbank aan de hand daarvan de definitieve zorgkorting bepalen. Aangezien de vrouw vaststelling van een kinderalimentatie van € 960,- per maand heeft verzocht, zal de rechtbank dat bedrag vaststellen als de voorlopig door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige]. Partneralimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Op grond van artikel 3 van de Alimentatieverordening is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Haags Protocol 2007 Nederlands recht toepassen op het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde (de vrouw) de gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Inhoudelijke beoordeling In haar verzoek voor vaststelling van een bedrag aan partneralimentatie heeft de vrouw in het petitum alleen “€ PM,- per maand” opgenomen, zonder een bedrag te noemen en zonder nadere onderbouwing, omdat zij niet over de inkomensgegevens van de man beschikte. Op 12 september 2024 heeft de man bij zijn verweerschrift zijn inkomensgegevens overgelegd. Op 9 november 2025 heeft de vrouw haar recente loonstroken en de jaaropgaven van 2022-2024 overgelegd, zonder nadere toelichting of berekening. De vrouw heeft één dag voor de mondelinge behandeling voor het eerst een alimentatieberekening overgelegd en in het bijgaande F9-formulier een te betalen bedrag aan partneralimentatie vermeld van € 5.294,- per maand. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aangegeven dat, gelet op het late moment van indiening, de berekening van de vrouw van 18 november 2025 buiten beschouwing wordt gelaten. Namens de vrouw is vervolgens mondeling toegelicht dat het verzochte bedrag aan partneralimentatie tot stand is gekomen door bij de berekening van haar behoefte uit te gaan van de hofnorm en voor de berekening van de draagkracht van de man uit te gaan van de financiële stukken die in het kader van de kinderalimentatie zijn overgelegd. De man heeft daarop mondeling verweer gevoerd. Daarbij heeft de man aangegeven dat er gelet op het huwelijksvermogensregime van partijen, namelijk strikt gescheiden vermogens, voor de berekening van de behoefte van de vrouw niet uit kan worden gegaan van de hofnorm. Gelet op deze standpunten van partijen is de rechtbank van oordeel dat de vrouw haar behoefte, mede gelet op het verweer van de man, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bedrag aan partneralimentatie afwijzen. Afwikkeling huwelijksvermogen Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om de verdeling van de gemeenschap van goederen te bevelen. Aangezien de huwelijksdatum van partijen tussen 1 september 1992 en 29 januari 2019 ligt, namelijk op [datum] 2014, is op het huwelijksvermogensregime het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (het Verdrag) van toepassing. Artikel 4 van het Verdrag luidt als volgt: Indien de echtgenoten vóór het huwelijk het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat op welks grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen. Het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten wordt echter beheerst door het interne recht van de Staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit: indien door die Staat de in artikel 5 bedoelde verklaring is afgelegd en de werking daarvan niet door het tweede lid van dat artikel is uitgesloten; indien die Staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen: a. in een Staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd, of b. in een Staat die geen partij is bij het Verdrag en waarvan het internationaal privaatrecht eveneens de toepassing van hun nationale recht voorschrijft; 3. indien de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk niet op het grondgebied van dezelfde Staat vestigen.
(3)Bij gebreke van een gewone verblijfplaats van de echtgenoten op het grondgebied van dezelfde Staat en bij gebreke van een gemeenschappelijke nationaliteit, wordt hun huwelijksvermogensregime beheerst door het interne recht van de Staat waarmee het, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden. Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. De vrouw en de man hebben na hun huwelijk hun eerste gewone verblijfplaats in Dubai in de Verenigde Arabische Emiraten gevestigd. Partijen hebben de Indiase nationaliteit gemeenschappelijk, maar aangezien India een zogeheten ‘domicilieland’ is, is er geen sprake van de uitzondering zoals genoemd in artikel 4 lid 2 van het Verdrag. Dat betekent dat op grond van artikel 4 lid 1 van het Verdrag in beginsel het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het recht van de Verenigde Arabische Emiraten. De man heeft bij het Internationaal Juridisch Instituut vragen gesteld over het toepasselijke recht en de inhoud daarvan in dit specifieke geval. Het Internationaal Juridisch Instituut komt tot de conclusie dat het recht van de Verenigde Arabische Emiraten (Dubai) het recht is dat moet worden toegepast op het huwelijksvermogensregime, maar dat er geen juridische regeling is waar partijen onder vallen, omdat zij niet moslim zijn, geen onderdaan van de Verenigde Arabische Emiraten zijn en ook niet in de Verenigde Arabische Emiraten verblijven. Het enige artikel dat op partijen van toepassing zou kunnen zijn verwijst binnen het internationaal privaatrecht naar ander recht (renvoi), wat zowel volgens Nederlands internationaal privaatrecht als volgens het Verdrag niet is toegestaan. Er moet daarom volgens artikel 19 van het Verdrag worden aangeknoopt bij het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, te weten het Indiase recht. Het Internationaal Juridisch Instituut overweegt verder dat Indiaas recht geen gemeenschap van goederen als gevolg van het huwelijk kent. Ten aanzien van de woning in Nederland stelt het Internationaal Juridisch Instituut dat er sprake is van een eenvoudige gemeenschap en dat hierop Nederlands recht van toepassing is, aangezien de woning zich in Nederland bevindt. Ten aanzien van het goud geeft het Internationaal Juridisch Instituut aan dat hierover geen relevante informatie is gevonden en dat de vraag welk recht op de verdeling hiervan van toepassing is aan een Indiase deskundige moet worden voorgelegd. De rechtbank ziet aanleiding om de bevindingen en conclusies van het Internationaal Juridisch Instituut over te nemen en tot de hare te maken. Inhoudelijke beoordeling Tijdens de mondelinge behandeling is namens de vrouw voor het eerst om aanhouding verzocht ten aanzien van de behandeling van de door de man verzochte afwikkeling van het huwelijksvermogen op 22 oktober
- De vrouw heeft daarbij aangegeven dat zij onvoldoende tijd heeft gehad om zich tegen deze verzoeken te verweren en om eigen verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogen in te dienen, zoals het verzoek om een gebruikersvergoeding voor de echtelijke woning. De rechtbank heeft na overleg met partijen beslist dat de vrouw een aanvullende termijn van drie weken na de datum van de zitting krijgt om verweer te voeren en eventueel aanvullende verzoeken in te dienen, en dat de man daarna drie weken de tijd krijgt om daarop te reageren. De rechtbank heeft na de mondelinge behandeling geen verweer van de vrouw ontvangen, ook niet buiten de vastgestelde termijn. De rechtbank zal daarom, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken, een spoorboekje opnemen voor de verdeling van de echtelijke woning, waarbij partijen het erover eens zijn dat de man de kans krijgt om de woning over te nemen. Het verzoek van de man om te bepalen dat hij recht heeft op een vergoeding van de vrouw ter hoogte van de door hem betaalde rente per 1 november 2025 zal de rechtbank afwijzen, aangezien de man het alleengebruik van de woning heeft en de rechtbank het daarom redelijk acht dat hij daar ook de lasten voor voldoet. Daarnaast is met partijen besproken dat de rechtbank zich op dit moment onvoldoende geïnformeerd acht om een beslissing te nemen ten aanzien van het goud van partijen, gelet op het advies van het Internationaal Juridisch Instituut dat dit aan een Indiase deskundige moet worden voorgelegd. De man is daarom op de mondelinge behandeling een termijn van drie weken gegeven om een voorstel te doen over een deskundige, de benodigde termijn voor het opstellen van het advies en hoe de voortgang van de procedure wat betreft de man zal zijn. Op 10 december 2025 heeft de man via een bericht aan de rechtbank zijn verzoeken met betrekking tot het goud ingetrokken, zodat de rechtbank daar niet meer op hoeft te beslissen. De rechtbank zal verder het verzoek van de man, om te bepalen dat partijen elkaar verder ten titel van hun huwelijksvermogensregime over en weer niets verschuldigd zijn, toewijzen. Beslissing De rechtbank: * spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2014 in [plaats 1], [geboorteland]; * draagt de vrouw op om binnen twee weken na heden het gezin via de huisarts of het Wijkteam door te laten verwijzen naar (een) hulpverleningsinstantie(s) voor parallel solo ouderschap en omgangsbegeleiding; * bepaalt dat de vrouw met ingang van heden de man één keer per maand, uiterlijk op de laatste dag van iedere maand, schriftelijk per e-mail informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats], [geboorteland], en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed gelijkende recente kleurenfoto; * bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie voor [minderjarige] van € 960,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * wijst af het verzoek van de vrouw voor vaststelling van een door de man aan haar te betalen partneralimentatie; * stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand: met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] in ([postcode]) [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening:
- de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden: voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen één maand na de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen één week één kiest; partijen verstrekken vervolgens binnen één week een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning; deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen; de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen; de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen; de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van eventueel aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur; e kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan; partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de notariële overdracht; 2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden, dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden: a. partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde; deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning; de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen; de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van eventueel aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur; partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning; als een partij niet meewerkt aan de notariële overdacht, dan zal deze beschikking in de plaats treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de verkoop en de notariële overdracht; * stelt vast dat partijen elkaar verder ten titel van hun huwelijksvermogensregime over en weer niets verschuldigd zijn; * wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen; * verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad; * houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie aan tot 15 juni 2026 pro forma. Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, rechter, ook kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 december 2025.