Rechtbank DEN HAAG Team Jeugd- en Zorgrecht Zaaksgegevens: C/09/695751 / JE RK 25-2090 Datum uitspraak: 17 december 2025 Beschikking van de kinderrechter Ondertoezichtstelling in de zaak naar aanleiding van het mondeling op 3 december 2025 gedane verzoek, dat schriftelijk is bevestigd op 8 en 10 december 2025, van: de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad), betreffende: - [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ; - [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ; - [minderjarige 3] geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] ; hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de vader] , hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. I.J. Pieters in Leiden. [de moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H. van Pelt-De Jong in Bodegraven. Het procesverloop Op 3 december 2025 vond er een mondelinge behandeling plaats in het kader van de brief die [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de rechtbank hebben verstuurd, waarin zij aangeven dat zij graag bij de vader willen wonen (zaak- en rekestnummer C/09/693295 / FA RK 25-7912). Op de zitting waren aanwezig: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad. Op de zitting heeft de Raad een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verzocht voor de duur van één jaar. Daarbij heeft de Raad aangegeven dat een nader onderzoek niet nodig is. Na de zitting heeft de kinderrechter op 8 en 10 december 2025 een schriftelijke bevestiging van de Raad ontvangen van het door haar gedane mondelinge verzoek. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 5 november 2025 een gesprek met de kinderrechter gehad naar aanleiding van de door hen aan de rechtbank verstuurde brief. Feiten De vader en de moeder zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2011 tot [dag 2]
- Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. De kinderen verblijven feitelijk bij de vader. Bij beschikking van 13 december 2023 van de kinderrechter van deze rechtbank zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland van 13 december 2023 tot 13 september
- Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de periode van één jaar. De Raad heeft het verzoek – kort en zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd. De Raad maakt zich ernstig zorgen om de kinderen en vindt een ondertoezichtstelling noodzakelijk om op die manier zicht te krijgen op de opvoedingssituatie. De kinderen hebben eerder onder toezicht gestaan, maar vanwege wachtlijsten is hier feitelijk nooit uitvoering aan gegeven. De zorgen zijn niet verminderd en op de zitting is gebleken dat de kinderen nu geen contact hebben met hun moeder. De moeder zou dat wel graag willen, maar de Raad heeft vraagtekens bij de mate waarin dit op een veilige manier kan plaatsvinden. De Raad is van mening dat de maatregel direct moet worden uitgevoerd, zo mogelijk en bij voorkeur door een vaste jeugdbeschermer. De vader en de moeder hebben op de zitting ingestemd met het verzochte, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet. Beoordeling De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en dat wat op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen bestaan uit het volgende. Sinds 8 oktober 2025 is er geen (fysiek) contact meer geweest tussen de moeder en de kinderen. De kinderen waren op die dag bij de moeder. Zij hebben de vader gebeld en hem verteld dat de moeder opnieuw dronken was. De vader heeft de kinderen vervolgens opgehaald en heeft hen vervolgens bij zich gehouden. De moeder heeft niet ontkend dat zij problemen heeft, maar zij geeft aan dat zij complexe PTSS heeft en af en toe alcohol gebruikt om de spanningen te dempen. Op de zitting heeft de moeder gezegd dat als het even wat minder goed met haar gaat, zij van de kinderen verwacht dat zij daarmee rekening houden en haar even met rust laten. De kinderrechter vindt de problematiek van de moeder een zorgelijk signaal en vraagt zich, mede gezien de verwachtingen van de moeder op de momenten dat zij zich niet in orde voelt, af hoe deze problematiek doorwerkt in de opvoeding van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderrechter is daarom met de Raad van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat er zicht komt op de opvoedingssituatie bij de moeder thuis en dat de jeugdbeschermer onderzoekt hoe en wanneer de omgang met de moeder kan worden hersteld. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de Raad toewijzen en de kinderen onder toezicht stellen voor de duur van één jaar. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er eerder een ondertoezichtstelling voor de kinderen is geweest, maar dat er toen geen jeugdbeschermer beschikbaar was en de ondertoezichtstelling daarom niet is verlengd. Naar het oordeel van de kinderrechter is er nu sprake van een urgente situatie en is het van het hoogste belang dat er dit keer zo spoedig mogelijk een jeugdbeschermer voor de kinderen beschikbaar komt. In de procedure met zaaknummer C/09/693295 heeft de rechtbank een raadsonderzoek gelast naar welke zorgregeling het meest in het belang van de kinderen wordt geacht. In die procedure heeft de rechtbank ook een brief naar de kinderen gestuurd over welke beslissing zij in die procedure en in de onderhavige heeft genomen. Beslissing De kinderrechter: stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van 17 december 2025 tot 17 december 2026 onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland; verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 december
- Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. P.M.A. van Oosten als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 december
- Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld: - door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof Den Haag.