← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26691

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige Kamer Rekestnummer: FA RK 24-6798 (echtscheiding) en FA RK 25-2172 (verdeling) Zaaknummer: C/09/672872 (echtscheiding) en C/09/682316 (verdeling) Datum beschikking: 18 december 2025 Scheiding met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 19 september 2024 ingekomen verzoek van: [verzoekster] , hierna te noemen: [verzoekster] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P.J.W.M. Sliepenbeek te Rotterdam. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [belanghebbende] , hierna te noemen: [belanghebbende] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. A.D. van Erp te Utrecht. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; van de zijde van [verzoekster] ; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift; het verweer tegen het zelfstandig verzoek; het bericht 26 september 2024 van de zijde van [verzoekster] ; het bericht van 14 oktober 2024 van de zijde van [verzoekster] , inhoudende een aanvulling op het verzoekschrift; het bericht van 6 maart 2025 van de zijde van [belanghebbende] ; het bericht van 29 september 2025 van de zijde van [verzoekster] ; het bericht van 3 oktober 2025 van de zijde van [belanghebbende] ; het bericht van 6 november 2025 van de zijde van [verzoekster] ; het bericht van 11 november 2025 van de zijde van [belanghebbende] ; het bericht van 18 november 2025 van de zijde van [belanghebbende] . Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: [verzoekster] met haar advocaat en [belanghebbende] met haar advocaat. Omdat partijen elkaar in de processtukken hebben aangeduid bij de voornaam zal de rechtbank hen daarin volgen. Feiten - Partijen zijn gehuwd op [datum] 2003 te [plaats 1] . - Zij zijn de ouders van de volgende (jong-)meerderjarige kinderen: - [meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] , - [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats] . - Partijen zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Verzoek en verweer Het verzoek strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot: - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van [verzoekster] , inhoudende dat: de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaats 1] ( [postcode] ) wordt verkocht conform het door [verzoekster] voorgestelde spoorboekje; de inboedel bij helfte wordt verdeeld; de auto, met merk Volvo en kenteken [kenteken] , aan [belanghebbende] wordt toebedeeld, onder de voorwaarde dat [belanghebbende] de helft van de waarde aan [verzoekster] vergoedt; de saldi van de bank- en spaarrekeningen bij helfte tussen partijen worden verdeeld; - oplegging van een verbod aan [belanghebbende] om werkzaamheden aan de woning te verrichten zoals opgenomen onder randnummer 17 van het verzoekschrift op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat [belanghebbende] zich daar niet aan houdt; - veroordeling van [belanghebbende] – indien en voor zover zij zonder toestemming werkzaamheden aan de woning laat verrichten na indiening van het verzoekschrift – in de kosten van de werkzaamheden voor de woning, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [belanghebbende] voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Bovendien heeft [belanghebbende] zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot: - bepaling dat [verzoekster] met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking een partneralimentatie aan [belanghebbende] betaalt van € 2.064,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, welke bijdrage jaarlijks met de wettelijke indexering wordt verhoogd, althans een bijdrage die de rechtbank juist acht; - vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform het voorstel van [belanghebbende] , inhoudende dat: primair: de echtelijke woning gelegen aan de [adres] te [plaats 1] ( [postcode] ) onverdeeld blijft gedurende een periode van drie jaar, waarbij [belanghebbende] gerechtigd is tot voortzetting van het gebruik van de echtelijke woning met inboedel en zij gehouden is de lasten van de woning te dragen; subsidiair: [verzoekster] wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan het verkoop klaar maken van de bovenste verdieping en de verkoop ervan aan een derde, alsmede om haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de ondertekening van alle daarmee verband houdende stukken tegen een door de makelaar in overleg met partijen te bepalen vraagprijs, zulks binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking c.q. binnen een door de rechtbank te bepalen nadere termijn; [verzoekster] wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan toedeling van de echtelijke woning aan [belanghebbende] en haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de ondertekening van alle met de toedeling aan [belanghebbende] verband houdende stukken, zulks binnen een maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking c.q. binnen een door de rechtbank te bepalen nadere termijn; wordt bepaald dat de overwaarde van de aan [belanghebbende] toe te delen echtelijke woning zal worden bepaald aan de hand van een taxatie door een door partijen aan te wijzen makelaar naar de waarde van de woning in juli 2023; de auto, met merk Volvo en kenteken [kenteken] , aan [belanghebbende] wordt toebedeeld, onder vergoeding van de helft van de waarde aan [verzoekster] ; de inboedel die zich bevindt in de woning te [plaats 2] wordt toebedeeld aan [verzoekster] en de inboedel die zich bevindt in de woning te [plaats 1] wordt toebedeeld aan [belanghebbende] en dat [verzoekster] een bedrag van € 4.000,- aan [belanghebbende] dient te voldoen wegens overbedeling ter zake; ieder de op haar naam staande bankrekening(

  1. en)voortzet zonder verdere verrekening en de saldi van de op beider naam gestelde gezamenlijke bank- en depositorekeningen aan [belanghebbende] worden toebedeeld; [verzoekster] wordt veroordeeld om inzage te verschaffen in alle op haar naam staande bankrekeningen over de periode 1 januari 2023 tot de peildatum, althans over een periode die de rechtbank juist acht; [verzoekster] in verband met de ontvangen uitkering van de inboedelverzekering een bedrag van € 41.011,- aan [belanghebbende] dient te betalen, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie neemt te behoren; te bepalen dat het gebruikersrecht van het zomerhuisje in [provincie] onverdeeld blijft, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [verzoekster] voert – onder referte ten aanzien van de echtscheiding, de verdeling van de auto, – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Beoordeling Echtscheiding Zowel [verzoekster] als [belanghebbende] hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen. Partneralimentatie Behoefte Tussen partijen is de behoefte van [belanghebbende] in geschil. [belanghebbende] heeft haar verzoek om partneralimentatie gebaseerd op de zogenoemde Hofnorm. [verzoekster] heeft de toepassing van de Hofnorm betwist en zich op het standpunt gesteld dat [verzoekster] met haar eigen inkomen in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. [belanghebbende] heeft vervolgens met een behoeftespecificatie aangegeven dat dit niet het geval is. Hoewel [verzoekster] de door [belanghebbende] overgelegde behoeftespecificatie heeft betwist, is de rechtbank van oordeel dat geen van partijen het eigen standpunt over de behoefte heeft voorzien van verifieerbare stukken. Hierdoor kan de rechtbank de juistheid hiervan niet vaststellen en zal zij bij de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte uitgaan van de Hofnorm. Daarbij wordt de behoefte van [belanghebbende] berekend op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van het uiteengaan, verminderd met de kosten voor de kinderen [meerderjarige] en [jongmeerderjarige] . Nu partijen in de tweede helft van het jaar 2023 uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank rekenen met de periode 2023-2. Voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van [verzoekster] zal de rechtbank uitgaan van haar jaaropgave 2023, waaruit een bruto jaarinkomen van € 178.451,- volgt. Gelet hierop berekent de rechtbank het NBI van [verzoekster] ten tijde van het huwelijk op € 8.275,- per maand. [belanghebbende] is bij de berekening van haar NBI uitgegaan van een totaal bruto jaarinkomen van € 118.703,-, waarvan € 109.769,- staat vermeld in de jaaropgave 2023 van de [werkgever belanghebbende] en € 8.934,- door [belanghebbende] gesteld inkomen uit nevenwerkzaamheden betreft. Dit laatste bedrag is door [verzoekster] niet betwist. Derhalve zal de rechtbank van dit bedrag uitgaan en berekent zij het NBI van [belanghebbende] ten tijde van het huwelijk op € 5.760,- per maand. Gelet op bovenstaande bedraagt het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan (8.275 + 5.760 =) € 14.035,- per maand. Hiervan moeten de kosten van [jongmeerderjarige] en [meerderjarige] worden afgetrokken. Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [jongmeerderjarige] en [meerderjarige] € 991,- per kind per maand bedraagt. Hierbij is aansluiting gezocht bij de WSF-norm voor thuiswonende studenten, vermeerderd met een twaalfde deel van het verschuldigde collegegeld minus de basisbeurs. Gelet op het voorgaande, bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van [belanghebbende] 60% van (14.035 – 1.982 =) € 7.232,- per maand in 2023. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van [belanghebbende] € 8.180,- per maand. Aanvullende behoefte Op de huwelijksgerelateerde behoefte van [belanghebbende] van € 8.180,- per maand in 2025 moet haar NBI in mindering worden gebracht. Voor de berekening van het NBI van [belanghebbende] in 2025 zal de rechtbank uitgaan van een bruto maandinkomen van € 9.046,60, zoals volgt uit de door [belanghebbende] overgelegde salarisstrook van september 2025. De rechtbank houdt verder rekening met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 750,87 per maand, een ingehouden pensioenpremie van € 741,79 per maand en een premie arbeidsongeschiktheid van € 15,23 per maand. Verder houdt [belanghebbende] rekening met een inkomen uit nevenwerkzaamheden van in totaal door haar gesteld € 7.244,- bruto per jaar. Dit is door [verzoekster] niet betwist, zodat de rechtbank hier ook vanuit zal gaan. Rekening houdend met de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van [belanghebbende] in 2025 op € 6.091,- per maand. Partijen zijn overeengekomen dat [verzoekster] ’s aandeel in de kosten van [jongmeerderjarige] en [meerderjarige] € 620,- per kind per maand bedraagt en [belanghebbende] aandeel € 370,- per kind per maand. Dit betekent dat [belanghebbende] een bedrag van € 740,- per maand uit haar eigen inkomen aan [jongmeerderjarige] en [meerderjarige] dient te besteden. Dit bedrag komt in mindering op haar NBI, zodat het eigen inkomen dat zij aan zichzelf kan besteden (6.091 – 740 =) € 5.351,- bedraagt. Dit inkomen wordt in mindering gebracht op de behoefte van € 8.180,- per maand, zodat [belanghebbende] een aanvullende behoefte heeft van (8.180 – 5.351 =) € 2.829,- netto per maand in 2025. Dat is € 5.604,- bruto per maand in 2025. Draagkracht [verzoekster] De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van [verzoekster] uit van een bruto maandinkomen van € 13.959,-, zoals volgt uit de door [verzoekster] overgelegde salarisstrook van augustus 2025. De rechtbank houdt verder rekening met 8% vakantietoeslag, een eindejaarsuitkering van € 1.158,60 per maand, een toeslag verzwarende omstandigheden van € 671,55 per maand, een ingehouden pensioenpremie van € 805,- per maand, een premie AOP van € 25,85 per jaar en een premie AOV-3 van € [nummer 2] ,86 per maand. Gelet op het voorgaande, berekent de rechtbank het NBI van [verzoekster] in 2025 op € 8.889,- per maand. Omdat het NBI van [verzoekster] hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van haar draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.310)] toepassen. Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van [verzoekster] € 4.912,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor de partneralimentatie, wat neerkomt op € 2.947,- per maand. Daarop wordt door de rechtbank het aandeel van [verzoekster] in de kosten van [jongmeerderjarige] en [meerderjarige] van € 1.240,- per maand in mindering gebracht. Dit betekent dat er (2.947 – 1.240 =) € 1.707,- netto per maand beschikbaar is voor partneralimentatie. Dat is € 2.730,- bruto per maand. Inkomensvergelijking Om te bepalen of [verzoekster] door de voldoening van de hiervoor berekende partneralimentatie aan [belanghebbende] niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan [belanghebbende] , heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit deze inkomensvergelijking volgt dat [verzoekster] bij een bedrag van € 2.033,- bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt als [belanghebbende] . Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van [verzoekster] , zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen. Wettelijke indexering De door [belanghebbende] verzocht bepaling dat de partneralimentatie jaarlijks wordt verhoogd met de wettelijke indexering volgt al uit de wet, zodat de rechtbank dit verzoek bij gebrek aan belang afwijst. Conclusie De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat [verzoekster] , met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een partneralimentatie van € 2.033,- bruto per maand aan [belanghebbende] moet betalen. Aanhechten berekeningen De rechtbank zal de alimentatieberekeningen aan deze beschikking hechten. Verdeling huwelijksgoederengemeenschap Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW, zoals dat gold voor 1 januari 2018, moet worden aangenomen dat tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de huwelijksgemeenschap ingevolge artikel 1:100 BW bij helfte tussen de echtgenoten wordt verdeeld, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen. Peildatum De rechtbank stelt voorop dat als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap heeft te gelden het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding ofwel19 september 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken. Omvang [verzoekster] en [belanghebbende] hebben de volgende vermogensbestanddelen en schulden naar voren gebracht die (eventueel) in de verdeling dienen te worden betrokken: de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 1] , [adres] met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij Floris van Lanschot Bank; de inboedel; de auto; e banksaldi. Ad a.) de echtelijke woning te ( [postcode] ) [plaats 1] , [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen Partijen zijn het niet eens over de verdeling van de echtelijke woning. [verzoekster] wil dat de echtelijke woning zo snel mogelijk wordt verkocht aan een derde, zodat zij met haar aandeel in de overwaarde een eigen woning kan kopen. Partijen zijn medio 2023 uit elkaar gegaan, waarbij [verzoekster] de echtelijke woning heeft verlaten. [verzoekster] is van mening dat van haar niet langer verwacht kan worden dat zij in onverdeeldheid blijft. [belanghebbende] woont samen met de twee meerderjarige dochters van partijen in de echtelijke woning. Het is voor zowel haarzelf als voor de dochters van partijen belangrijk dat zij in de echtelijke woning kunnen blijven wonen. Om deze reden verzoekt zij dan ook primair de woning onverdeeld te laten voor de duur van drie jaar onder de verplichting dat [belanghebbende] alle lasten van de woning voor haar rekening neemt. [belanghebbende] wenst daarnaast te onderzoeken op welke wijze zij de echtelijke woning kan overnemen. Door het appartement op de bovenverdieping van de woning te verkopen, heeft [belanghebbende] de verwachting dat zij met haar aandeel in de overwaarde van de bovenverdieping in staat is om het aandeel van [verzoekster] in de overwaarde van het resterende deel van de echtelijke woning te financieren. Subsidiair verzoekt [belanghebbende] dan ook te bepalen dat [verzoekster] haar medewerking dient te verlenen aan de splitsing van de echtelijke woning en verkoop van het appartement op de bovenverdieping van de echtelijke woning, waarna het resterende deel van de echtelijke woning aan [belanghebbende] kan worden toegedeeld tegen vergoeding van het aandeel van [verzoekster] in de overwaarde van dit resterende deel van de echtelijke woning. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:178 BW volgt dat deelgenoten in beginsel niet in onverdeeldheid hoeven te blijven, maar vrij zijn om verdeling van een gemeenschappelijk goed te vorderen. Op dit beginsel is een aantal uitzonderingen gemaakt. Zo bepaalt het derde lid van artikel 3:178 BW dat indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend de rechter op verlangen van een deelgenoot een of meerdere malen, telkens voor ten hoogste drie jaar, een vordering tot verdeling kan uitsluiten. De rechtbank moet in dit geval dus beoordelen of het belang van [belanghebbende] bij het nu onverdeeld laten van de woning groter is dan het belang van [verzoekster] bij verdeling van de woning. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het belang van [belanghebbende] en de meerderjarige dochters van partijen om in de echtelijke woning te blijven wonen, acht zij het in dit geval geen redenen aanwezig om de verdeling van de echtelijke woning (met de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen) voor een bepaalde periode uit te sluiten. Dat één of beide partijen nadelige gevolgen ondervindt van de verdeling van de echtelijke woning bij scheiding is doorgaans een gegeven en maakt niet dat dit voldoende reden is om de verdeling uit te stellen. De huidige situatie duurt al geruime tijd. Partijen zijn immers in 2023 feitelijk uit elkaar gegaan, waarna [belanghebbende] in de woning is blijven wonen. Met haar aandeel in de overwaarde, haar eigen inkomen en de partneralimentatie heeft [belanghebbende] voldoende financiële middelen om andere eigen woonruimte te bekostigen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet langer van [verzoekster] worden verwacht dat zij in de onverdeeldheid blijft en al die tijd niet kan beschikken over haar aandeel in de overwaarde waarmee zij eigen woonruimte wil kopen. Er bestaat voorts geen juridische grondslag om [verzoekster] te veroordelen mee te werken aan de splitsing van de echtelijke woning en de verkoop van de bovenverdieping. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat partijen de woning moeten verkopen. Door [verzoekster] is een ‘spoorboekje’ voorgesteld. Nu door [belanghebbende] geen verweer is gevoerd tegen het door [verzoekster] verzochte ‘spoorboekje’, zal de rechtbank dit opnemen in de beschikking, met uitzondering van de in het verzoekschrift onder e verzochte machtiging en indeplaatstreding en de onder f verzochte dwangsom. De rechtbank gaat er namelijk vanuit dat [belanghebbende] zal meewerken aan de verkoop van de echtelijke woning. Gebruiksvergoeding [verzoekster] verzoekt te bepalen dat [belanghebbende] wordt veroordeeld tot het betalen van een gebruiksvergoeding aan [verzoekster] indien de rechtbank het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende de onverdeeldheid aan [belanghebbende] zou toekennen. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen omdat de echtelijke woning niet onverdeeld blijft, maar verkocht zal worden en [belanghebbende] geen verzoek tot het voortgezet gebruik heeft gedaan voor de situatie waarin de echtelijke woning aan een derde zal worden verkocht. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat op de zitting is gebleken dat [belanghebbende] op dit moment alle aan de woning verbonden lasten betaalt. [verzoekster] heeft daarom op dit moment geen kosten aan de woning. Daarbij zal de woning binnen een overzienbare periode worden verkocht en zullen beide partijen meedelen in de eventuele waardestijging van de woning tot aan het moment van verkoop. Ad
  2. b)de inboedel Partijen zijn het er in ieder geval over eens dat de inboedel die zich bevindt in de woning in [plaats 2] en het vakantiehuisje in [provincie] aan [verzoekster] wordt toegedeeld en de inboedel die zich bevindt in de echtelijke woning in [plaats 1] aan [belanghebbende] wordt toegedeeld. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de waarde van de inboedel die aan [belanghebbende] wordt toegedeeld hoger is dan de waarde van de inboedel die aan haar wordt toegedeeld, maar stelt voor dat de verdeling met gesloten deuren plaatsvindt. [belanghebbende] stelt zich echter op het standpunt dat [verzoekster] een bedrag van € 4.000,- aan [belanghebbende] dient te voldoen wegens overbedeling, waarbij [belanghebbende] zich op het standpunt stelt dat een deel van de inboedel die zich bij haar bevindt aan de kinderen van partijen in eigendom toebehoort en buiten de gemeenschap valt De rechtbank is van oordeel dat partijen onvoldoende inzichtelijk hebben gemaakt wat de omvang van de inboedel was per peildatum en de waarde hiervan. De rechtbank kan niet vaststellen of en in welke mate een deel van de inboedel in [plaats 1] als eigendom van de kinderen kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank aan ieder de inboedel toedelen die zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening met de ander. Ad
  3. c)de auto Partijen zijn het erover eens dat [belanghebbende] de auto (Volvo V40) tegen een waarde van € 16.179,- toegedeeld zal krijgen, onder verplichting de helft van de waarde aan [verzoekster] te voldoen, te weten € 8.089,50. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Ad
  4. d)de bank- en spaarrekeningen Partijen hebben de volgende bank- en spaarrekeningen opgevoerd, te weten: gezamenlijke bankrekening bij Van Lanschot, eindigend op [nummer 1] ; gezamenlijke spaarrekening bij Van Lanschot, eindigend op [nummer 2] ; gezamenlijke spaarrekening bij ASN bank, eindigend op [nummer 3] ; gezamenlijke spaardeposito bij Van Lanschot, eindigend op [nummer 4] ; gezamenlijk spaardeposito bij Van Lanschot, eindigend op [nummer 4] ; bankrekening bij ASN bank, op naam van [belanghebbende] , eindigend op [nummer 5] ; creditcard bij Van Lanschot, op naam van [belanghebbende] , eindigend op [nummer 6] ; bankrekening bij ABN AMRO, op naam van [verzoekster] , eindigend op [nummer 7] ; bankrekening bij ASN bank, op naam van [verzoekster] , eindigend op [nummer 8] ; spaarrekening bij ABN AMRO, op naam van [verzoekster] , eindigend op [nummer 9] ; spaarrekening bij ASN bank, op naam van [verzoekster] , eindigend op [nummer 10] ; creditcard bij ABN AMRO, op naam van [verzoekster] , eindigend op [nummer 11] . Partijen zijn het erover eens dat de saldi van de bank- en spaarrekeningen op de peildatum bij helfte worden verdeeld, waarbij ieder van partijen de rekeningen houdt die op haar eigen naam staat. Verder zijn partijen het erover eens dat de gezamenlijke rekeningen en spaardeposito’s voortaan uitsluitend op naam van [belanghebbende] zullen worden gezet en dat zij de helft van de saldi per de peildatum van 19 september 2024 aan [verzoekster] zal voldoen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat [verzoekster] op de zitting heeft aangegeven af te zien van de rente die na de peildatum op de spaardeposito’s is ontvangen, zodat die rente aan [belanghebbende] wordt toegedeeld. Verzoek inzage bankrekening op grond van artikel 843a (oud) Rv [belanghebbende] wenst inzage in de bankgegevens van [verzoekster] over de periode 1 januari 2023 tot de peildatum van 19 september 2024. Zij heeft namelijk het vermoeden dat [verzoekster] geld aan derden heeft geschonken of dat er mogelijk geld naar een voor [belanghebbende] onbekende rekening is overgemaakt. [verzoekster] betwist dit en stelt dat het wantrouwen jegens haar misplaatst is. De rechtbank overweegt als volgt. [belanghebbende] baseert haar verzoek tot inzage in de bankgegevens van [verzoekster] op artikel 843a (oud) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). Op grond van dit artikel heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking, recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens indien zij daar voldoende belang bij heeft. Die partij kan de rechter verzoeken om de wederpartij tot het verstrekken van die gegevens te verplichten, waarbij de verzoekende partij de kosten draagt die voor de verstrekking moeten worden gemaakt. De rechtbank wijst dit verzoek van [belanghebbende] af. Op grond van artikel 843a (oud) Rv dient een partij bij het vorderen van bepaalde bescheiden een rechtmatig belang te hebben. Het vereiste dat bescheiden voldoende bepaald behoren te zijn, dient om zogenoemde ‘fishing expeditions’ te voorkomen. Artikel 843a (oud) Rv biedt immers geen grond voor het opvragen van bescheiden waarvan een partij indicaties heeft of vermoedt dat de wederpartij over die stukken beschikt en waarvan hij vermoedt dat die bescheiden wel eens steun kunnen geven aan zijn of haar stelling. Het verzoek van [belanghebbende] heeft betrekking op de bankafschriften van [verzoekster] over de periode januari 2023 tot de peildatum, te weten 19 september 2025, waaruit de financiële transacties blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek van [belanghebbende] daarmee te ruim en te weinig specifiek geformuleerd. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat [belanghebbende] een voldoende rechtmatig belang heeft bij de verzochte bescheiden. [belanghebbende] lijkt haar verzoek te baseren op vermoedens en wantrouwen. Hieruit valt af te leiden dat het in dit geval inderdaad om een ‘fishing expedition’ gaat. Daardoor wordt niet voldaan aan de twee belangrijkste vereisten van artikel 843a (oud) Rv, omdat met de daarin opgenomen beperkingen juist wordt beoogd een dergelijke ‘fishing expedition’ te voorkomen. Gebruiksrecht zomerhuisje [provincie] [belanghebbende] heeft verzocht te bepalen dat het gebruiksrecht van het zomerhuisje – een stacaravan – in [provincie] onverdeeld blijft. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de ouders van [verzoekster] het zomerhuisje in erfpacht hebben en dat partijen daar geregeld gebruik van hebben mogen maken. Er is ter zake geen sprake van een vermogensbestanddeel dat onderdeel uitmaakt van de gemeenschap van goederen van partijen. Overigens is op de zitting gebleken dat de ouders van [verzoekster] hebben besloten de erfpacht van het zomerhuisje te beëindigen, waarna deze zal worden afgevoerd. Vorderingen Vordering inboedelverzekeraar In de zomer van 2023 heeft er een brand in de echtelijke woning van partijen plaatsgevonden. Om deze reden hebben partijen van de inboedelverzekeraar een uitkering van ongeveer € 60.000,- ontvangen. Een deel van deze uitkering is aangewend om de inboedel in de echtelijke woning te vervangen en het andere deel is over de bankrekeningen van [verzoekster] en [belanghebbende] verdeeld. [belanghebbende] stelt zich op het standpunt dat een deel van de uitkering, te weten € 41.011,-, verknocht is aan haar en de meerderjarige dochters van partijen omdat dit bedrag zag op de vergoeding van hun persoonlijke eigendommen. Volgens haar kan [verzoekster] slechts aanspraak maken op een bedrag van € 3.629,- en dient zij een bedrag van € 41.011,- aan [belanghebbende] te betalen. [verzoekster] betwist dit. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van verknochtheid van enige inboedel en/of de uitkering die op vervanging van de inboedel betrekking had. Dat bepaalde inboedelgoederen meer of uitsluitend door een specifiek gezinslid werden of worden gebruikt, brengt niet met zich mee dat die goederen aan die persoon zijn verknocht en daarmee buiten de gemeenschap vallen. Voor zover er op de peildatum nog een deel van de uitkering van de inboedelverzekeraar over was, maakt het onderdeel uit van de banksaldi die tussen partijen bij helfte zullen worden gedeeld. Over de verdeling van de op de peildatum aanwezige inboedel heeft de rechtbank hiervoor al beslist. Daarom zal de rechtbank het verzoek van [belanghebbende] afwijzen. Vordering renovatie huis Partijen hebben op de zitting afgesproken dat [verzoekster] aan [belanghebbende] een bedrag van € 2.500,- zal voldoen in verband met de door [belanghebbende] na de peildatum betaalde factuur van de aannemer. Daarnaast hebben partijen afgesproken dat [verzoekster] een bedrag van € 1.000,- aan [belanghebbende] zal voldoen in verband met kosten van schilderwerk aan de echtelijke woning die door [belanghebbende] na de peildatum zijn betaald. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Beslissing De rechtbank: * spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2003 te [plaats 1] ; * bepaalt dat [verzoekster] aan [belanghebbende] , met ingang van de datum van inschrijving de echtscheidingsbeschikking, een partneralimentatie van € 2.033,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * stelt de wijze van verdeling van de algehele gemeenschap, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, als volgt vast: 1. Ten aanzien van de echtelijke woning te ( [postcode] [plaats 1] ), [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen bij Floris van Lanschot Bank: 1.1 de verkoop geschiedt door een gezamenlijke opdracht van partijen aan een makelaar in onroerend goed. Indien partijen niet binnen vier weken na de datum van deze beschikking gezamenlijk een makelaar daartoe opdracht hebben gegeven, dient de voormalige echtelijke woning door [makelaarskantoor] te [plaats 1] aan een derde te worden verkocht. Ieder van partijen is bevoegd de makelaar daartoe opdracht te geven; 1.2 partijen zullen in overleg met de makelaar de vraagprijs (en eventueel laatprijs) bepalen, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, alsmede de leveringstermijn op advies van de makelaar. Indien partijen niet binnen twee weken na de opdrachtverlening erin slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, dan zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs; 1.3 partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet een kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, danwel de leveringsdatum, dan zal de makelaar dit naar beste weten en kunnen bepalen; 1.4 [belanghebbende] dient binnen drie dagen na een verzoek van de makelaar haar medewerking te verlenen aan een bezichtiging door de makelaar en de potentiële kopers toegang tot de woning te verlenen. [belanghebbende] en/of derden mag/mogen niet bij de bezichtiging van de woning aanwezig zijn in de woning en [belanghebbende] dient de woning naar het oordeel van de makelaar verzorgd achter te laten voor de bezichtiging; 1.5 beide partijen zijn gehouden aan deze verkoop en de daarop volgende overdracht mee te werken; 1.6 iedere partijen is gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake de verkoop en levering te dragen; 1.7 na verkoop en overdracht van de voormalige echtelijke woning wordt de verkoopopbrengst, na aflossing van de hypothecaire schulden, gelijkelijk tussen partijen verdeeld, danwel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dragen en betalen. In dit kader zullen de eventueel aan de hypothecaire leningen verbonden polissen en levensverzekeringen worden afgekocht en zal de afkoopwaarde bij helfte tussen partijen worden verdeeld, danwel in mindering worden gebracht op de restschuld; 2. aan [verzoekster] wordt toegedeeld: 2.1 de inboedel die zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening met [belanghebbende] ; 2.2 de saldi van de bank- en spaarrekening(
  5. en)op naam van [verzoekster] , onder de verplichting de helft van de saldi per peildatum aan [belanghebbende] te doen toekomen; 3. aan [belanghebbende] wordt toegedeeld: 3.1 de inboedel die zij thans onder zich heeft, zonder nadere verrekening met [verzoekster] ; 3.2 de auto (Volvo V40), onder de verplichting de helft van de waarde, te weten € 8.089,50 aan [verzoekster] te betalen; 3.3 de saldi van de bank- en spaarrekening(
  6. en)op naam van [belanghebbende] , onder de verplichting de helft van de saldi per peildatum aan [verzoekster] te doen toekomen; 3.4 de saldi van de gezamenlijke bank- en spaarrekening(
  7. en)en spaardeposito’s inclusief de na de peildatum ontvangen rente, onder de verplichting deze rekeningen en deposito’s op haar naam te doen stellen en de helft van de saldi per peildatum aan [verzoekster] te doen toekomen; * stelt vast dat [belanghebbende] jegens [verzoekster] de volgende vorderingen heeft: - een vordering van € 2.500,- ten aanzien van de door [belanghebbende] na de peildatum betaalde factuur van de aannemer; - een vordering van € 1.000,- ten aanzien van de door [belanghebbende] na de peildatum betaalde schilderwerkkosten; * verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Olthoff als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 december 2025. Partij alimentatieplichtige Zaak alimentatieplichtige / alimentatiegerechtigde

(672872)Berekening Behoefte Tarieven 2023-2 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon volgens jaaropgaaf
(60)60 Loon volgens jaaropgaaf € 178.451 Op het bruto loon ingehouden 59 Inkomsten (transport) € 178.451 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 178.451 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 178.451 - Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703) € 13.719 - Schijf 1b, 36,93% over € 37.150 (€ 38.704) t/m € 73.031 € 13.251 - Schijf 2, 49,5% over € 73.032 of meer € 52.182 95 Inkomensheffing box 1 € 79.152 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 178.451 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 79.152 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 79.152 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 99.299 120 Besteedbaar inkomen € 99.299 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 99.299 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 8.275 Partij alimentatiegerechtigde Zaak alimentatieplichtige / alimentatiegerechtigde
(672872)Berekening Behoefte Tarieven 2023-2 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon volgens jaaropgaaf
(60)60 Loon volgens jaaropgaaf € 118.703 Specificaties voor post: 60 (Optellen) Hogeschool W € 109.769 jaar nevenfuncties € 8.934 jaar Op het bruto loon ingehouden 59 Inkomsten (transport) € 118.703 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 118.703 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 118.703 - Schijf 1a, 36,93% (19,03%) over € 0 t/m € 37.149 (€ 38.703) € 13.719 - Schijf 1b, 36,93% over € 37.150 (€ 38.704) t/m € 73.031 € 13.251 - Schijf 2, 49,5% over € 73.032 of meer € 22.607 95 Inkomensheffing box 1 € 49.577 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 118.703 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 49.577 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 49.577 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 69.126 120 Besteedbaar inkomen € 69.126 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 69.126 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 5.760 NBGI voor scheiding Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding NBI voor scheiding alimentatieplichtige € 8.275 NBI voor scheiding alimentatiegerechtigde € 5.760 Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding € 14.035 Behoefte obv 60% norm Netto Behoefte Netto gezinsinkomen € 14.035 Af: kosten van de kinderen - € 1.982 Saldo € 12.053 Netto behoefte obv 60% € 7.232 Netto behoefte € 7.232 # Indexeren ja Startjaar 2023 Eindjaar 2025 Netto behoefte geïndexeerd € 8.180 Partij alimentatiegerechtigde Zaak alimentatieplichtige / alimentatiegerechtigde Berekening draagkracht Tarieven 2025-2 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 108.852 44 Vakantietoeslag € 8.708 48 Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering € 9.000 49b Overige bruto arbeidsinkomsten € 7.244 Bruto inkomsten € 133.804 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 9.021 53 Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat - € 183 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 124.600 59 Inkomsten € 124.600 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 124.600 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 124.600 - Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€
  1. [nummer 5] ) € 13.769 - Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 € 14.383 - Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer € 23.652 95 Inkomensheffing box 1 € 51.804 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 124.600 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 51.804 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 292 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 51.512 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 73.088 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 0 jaar Arbeidskorting € 292 jaar 120 Besteedbaar inkomen € 73.088 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 73.088 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 6.091 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) € 73.088 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) € 6.091 Bruto aanvullende behoefte Netto Behoefte Netto behoefte € 8.180 Berekening Bruto aanvullende Behoefte Netto behoefte aan inkomen € 8.180 Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit) € 6.091 Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen € 740 Restant: € 740 Kosten kinderen uit eigen inkomen € 740 Zelf beschikbaar netto inkomen - € 5.351 Netto aanvullende behoefte € 2.829 Bruto aanvullende behoefte € 5.604 Partij alimentatieplichtige Zaak alimentatieplichtige / alimentatiegerechtigde Berekening draagkracht Tarieven 2025-2 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 167.508 44 Vakantietoeslag € 13.401 47 13de maand/14de periode € 13.903 49a Belaste onkostenvergoeding € 8.059 Bruto inkomsten € 202.871 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 9.660 53 Aanvullende pensioenpremie / premie reparatie WAO/WIA-gat - € 1.536 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 191.675 Specificaties voor post: 53 (Optellen) AOP € 300 jaar AOV € 1.236 jaar 59 Inkomsten € 191.675 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 191.675 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 191.675 - Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€
  2. [nummer 5] ) € 13.769 - Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 € 14.383 - Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer € 56.854 95 Inkomensheffing box 1 € 85.006 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 191.675 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 85.006 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 85.006 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 106.669 120 Besteedbaar inkomen € 106.669 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 106.669 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 8.889 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) € 106.669 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) € 8.889 Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie 120b Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie € 8.889 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122b Kosten van levensonderhoud € 1.310 123b Woonbudget € 2.667 135b Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie € 3.977 136b Draagkrachtruimte € 4.912 Draagkracht tbv partneralimentatie 136b Draagkrachtruimte € 4.912 137b Draagkrachtpercentage % 60 Draagkracht tbv partneralimentatie € 2.947 140 Beschikbaar € 2.947 Partneralimentatie (141-144) 141 Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting) - € 1.240 Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie - € 0 Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) - € 1.240 142 Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen € 0 Berekende ruimte voor partneralimentatie € 1.707 143 Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel € 1.707 144 Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie) € 2.730 Specificaties voor post: 144 Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 20.484 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van: € 191.675 jaar In de schijf van 37,48% valt € 20.484, € 20.484 x ( 100 / (100 - 37,48)) = € 32.764 jaar In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) = € 0 jaar In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) = € 0 jaar Het resultaat van de brutering is per jaar € 32.764 jaar Of per maand € 2.730 maand
  3. Inkomensvergelijking - beschikbaar netto inkomen Zaak alimentatieplichtige / alimentatiegerechtigde Tarieven 2025-2 Percentage 100% Datum uitdraai 9-12-2025 alimentatieplichtige alimentatiegerechtigde Bruto inkomen box 1 € 191.675 € 124.600 Feitelijk inkomen box 2 en 3 € 0 € 0 Onbelast inkomen € 0 € 0 Berekend kindgebonden budget € 0 € 0 Te ontvangen partneralimentatie € 0 € 24.390 Alimentatieverplichtingen ex-partner - € 0 - € 0 ---------- ---------- Totaal inkomen € 191.675 € 148.990 Inkomen box 1 € 191.675 € 124.600 Fiscale aftrekposten box I - € 0 - € 0 Te betalen partneralimentatie - € 24.390 - € 0 Alimentatieverplichtingen ex-partner - € 0 - € 0 Te ontvangen partneralimentatie € 0 € 24.390 ---------- ---------- Belastbaar inkomen box 1 € 167.285 € 148.990 IB box 1 € 72.933 € 63.877 IB box 2 € 0 € 0 IB box 3 € 0 € 0 Correctie aftrek toptarief € 2.932 € 0 Heffingskorting - € 0 - € 292 Bijdrage ZVW vanwege partneralimentatie € 0 € 0 ---------- ---------- Totale IB - € 75.865 - € 63.585 Inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - € 0 - € 0 ---------- ---------- Besteedbaar inkomen € 115.810 € 85.405 Bedrag dat meer/minder dan de beschikbare fiscale winst kan worden onttrokken - € 0 - € 0 Netto uitgaven en premies - € 0 - € 0 Extra lasten - € 0 - € 0 ---------- ---------- Besteedbaar inkomen voor partneralimentatie € 115.810 € 85.405 Kosten kinderen (deel > kindgebonden budget) en bijdrage andere kinderen - € 14.880 - € 8.880 Te betalen bruto partneralimentatie per jaar - € 24.390 - € 0 ---------- ---------- Beschikbaar netto inkomen € 76.540 € 76.525 Bedragen per maand Kosten kinderen (deel > kindgebonden budget) en bijdrage andere kinderen € 1.240 € 740 Te betalen bruto partneralimentatie per maand € 2.033 € 0

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.