RECHTBANK DEN HAAG zaaknummer: 6522885 RL EXPL 17-30325 datum uitspraak: 3 april 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. G. van Dijk. tegen Dexia Nederland B.V., vestigingsplaats: Amsterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. J.M.K.P Cornegoor. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: - de dagvaarding met bijlagen; o de vrijwaringsvordering van Dexia; o het antwoord op de vrijwaringsvordering van [eiser]; o het tussenvonnis waarin de vrijwaring is toegestaan; het antwoord van Dexia in de hoofdzaak met bijlagen; de repliek met bijlagen; de dupliek met bijlagen. 2Waar gaat de zaak over? 2.
- [eiser] heeft zes overeenkomsten gesloten met Dexia. Die overeenkomsten hielden het volgende in. [eiser] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser] betaalde tijdens de looptijd van de overeenkomsten met name rente (inleg). Aan het einde van de overeenkomsten werden de aandelen verkocht en moest [eiser] het geleende bedrag terugbetalen. Als de aandelen meer waard waren geworden, dan hoefde [eiser] dus niets terug te betalen en was de winst voor [eiser]. In dit geval zijn de aandelen echter minder waard geworden, en dus moest [eiser] nog een deel van het geleende bedrag bijbetalen (de restschuld). 2.
- Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde. De Hoge Raad heeft onder meer beslist dat Dexia in het algemeen bij het aangaan van de overeenkomst onvoldoende heeft gewaarschuwd dat het zo kan zijn dat bij het einde van de overeenkomst de klant nog moet bijbetalen (een restschuld). Wel was volgens de Hoge Raad voldoende duidelijk dat werd belegd met geleend geld. Dexia is daarom aansprakelijk voor schade die klanten hebben geleden, maar er is ook sprake van eigen schuld. Dexia moet daarom 2/3 deel van de restschuld sowieso zelf dragen. 3De beoordeling 3.
- De rechter geeft [eiser] in deze zaak gelijk. [eiser] is de overeenkomsten aangegaan nadat een financieel adviseur hem dat heeft geadviseerd. Die omstandigheid maakt dat in dit geval Dexia alle schade moet betalen. Deze schade bestaat uit de door [eiser] betaalde inleg en restschuld. Daarop moeten de voordelen die [eiser] heeft gehad wel in mindering worden gebracht. De rechter zal hierna uitleggen waarop deze beslissing is gebaseerd. De rechter gaat ervan uit dat [eiser] de vordering heeft ingesteld 3.
- De rechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de gemachtigde van [eiser] deze procedure is gestart zonder daartoe de opdracht te hebben gekregen van [eiser]. Dit verweer van Dexia wordt daarom verworpen. Dexia moet alle schade betalen vanwege de rol van de tussenpersoon 3.
- Dexia moet alle schade van [eiser] vergoeden, omdat zij wist of behoorde te weten dat [eiser] was geadviseerd om de overeenkomst aan te gaan door een tussenpersoon die niet over de vereiste vergunning beschikte. De Hoge Raad heeft beslist dat in zo’n geval in beginsel alle schade door Dexia moet worden vergoed. De Hoge Raad heeft het standpunt van Dexia dat doorslaggevend is of de tussenpersoon stond ingeschreven – welke standpunt Dexia ook in deze zaak weer heeft ingenomen – reeds verworpen. De rechtbank verwerpt dit standpunt daarom ook in deze zaak. De schade bestaat uit de inleg en uit restschuld. Dat de adviseur een vergunning nodig had voor het advies dat hij heeft gegeven en dat Dexia op de hoogte hoorde te zijn van dit advies, stelt de rechter vast op grond van het volgende. 3.
- Uit de brief van de tussenpersoon van oktober 1999 volgt dat de tussenpersoon adviezen gaf over de te nemen aandelenleaseovereenkomsten. Zo staat in de brief “een hele mooie constructie, waar op dit moment ook een heel interessant ‘instapmoment’ voor aanwezig is”. Op de bijgevoegde overeenkomsten stond de tussenpersoon als adviseur vermeld. Dit maakt dat aangenomen moet worden dat de tussenpersoon (ook bij de eerste overeenkomst) advies heeft gegeven over het aangaan van de overeenkomsten. Dat de datum op de brief is van na de overeenkomsten maakt dit niet anders, omdat uit de inhoud van de brief volgt dat er al een eerder advies aan ten grondslag ligt. Dexia heeft hiertegenover onvoldoende betwist dat deze adviezen zijn gegeven. 3.
- Dexia handelde in strijd met de wet door ondanks dit advies een overeenkomst met [eiser] aan te gaan. De adviseur van [eiser] had namelijk niet de vergunning voor het geven van een advies zoals hij heeft gedaan. Dat voor dit advies een vergunning nodig was blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juni
- Volgens de Hoge Raad was een vergunning nodig voor gepersonaliseerde aanbevelingen tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst. Dat wil zeggen een aanbeveling die voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer. Dat is hier het geval. De adviseur van [eiser] heeft inzicht gehad in de financiële situatie en de financiële wensen van [eiser] en vervolgens deze overeenkomsten met Dexia aanbevolen. Dat mocht niet. 3.
- Uit de vele rechtspraak die er al is, volgt dat Dexia er niet alleen van op de hoogte was dat er tussenpersonen waren die adviseerden om specifieke producten van Dexia af te nemen, maar dat dit ook tot de standaard werkwijze van Dexia behoorde. Daarom mocht van Dexia worden verwacht dat zij zou controleren of deze tussenpersonen geen advies gaven zonder over de vereiste vergunning te beschikken. Dat Dexia niet wist dat deze werkwijze in strijd was met de wet, komt voor rekening van Dexia. Dat Dexia wist dat [eiser] was geadviseerd volgt uit de schriftelijke overeenkomst want daarop staat de naam van de adviseur. Dexia had daarom moeten controleren of er een vergunningplichtig advies was gegeven. Niet van belang is of [eiser] zelf een belangrijke functie vervulde bij een grote onderneming en dat hij mede daarom goed in staat was de financiële consequenties van de overeenkomst in te schatten. Dit neemt namelijk niet weg dat Dexia had moeten weigeren de overeenkomst aan te gaan. Bovendien handelde [eiser] niet vanuit zijn functie maar als consument. 3.
- Dexia heeft verder onvoldoende betwist dat [eiser] de enige kostwinner in het gezin was. De schade wordt verder geacht te zijn geleden om het moment van de betalingen. Op dat moment was de echtgenote van [eiser] nog niet overleden. De rechter stelt daarom vast dat [eiser] de schade heeft geleden. De vordering is niet verjaard en [eiser] hoefde niet eerder te klagen 3.
- De vordering van [eiser] is niet verjaard en [eiser] hoefde ook niet te klagen. Er bestond geen plicht voor [eiser] om te klagen, omdat de vordering is gebaseerd op een onrechtmatige daad. De vordering is niet verjaard omdat de vordering door de collectieve actie en de brieven van [eiser] steeds is gestuit. Daarbij is niet van belang of in de brieven iets stond over het aangaan van de overeenkomst via een tussenpersoon. Deze vraag is namelijk alleen van belang in het kader van de verdeling van de schade op grond van artikel 6:101 BW. Verder kan Dexia worden toegegeven dat de brieven van [eiser] duidelijker hadden gekund, maar in het licht van de vele procedures die er zijn gevoerd moet voor Dexia op basis van de brief voldoende duidelijk zijn geweest waartegen zij zich moest verweren. Dexia diende immers te begrijpen dat [eiser] van mening was dat Dexia bij het aangaan van de overeenkomsten niet juist heeft gehandeld. De schade bestaat uit de betaalde inleg en restschuld, min de verkregen voordelen 3.
- De schade van [eiser] bestaat uit de inleg en de restschuld die zij heeft betaald. Ook dit volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen. 3.
- De kosten van de hypotheek van [eiser] komen niet voor vergoeding in aanmerking. Die schade staat namelijk te ver af van het onrechtmatig handelen van Dexia en kan niet als gevolg daarvan aan Dexia worden toegerekend. Dexia was niet betrokken bij de totstandkoming van de hypothecaire geldlening. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Dexia hoeft niet meer te doen om de BKR-registratie van [eiser] te schrappen 3.
- [eiser] vordert dat Dexia bewerkstelligt dat de BKR-registratie van [eiser] wordt geschrapt. Deze vordering wordt afgewezen. Dexia heeft namelijk gesteld dat zij al heeft gevraagd om de BKR-registratie van onder meer [eiser] te schrappen. Zonder nadere uitleg is niet duidelijk wat [eiser] nog meer van Dexia verwacht. Dexia hoeft geen buitengerechtelijke incassokosten te betalen 3.
- Dexia hoeft geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen. De Hoge Raad heeft namelijk beslist dat de werkzaamheden die Leaseproces heeft verricht niet voor vergoeding in aanmerking gekomen en [eiser] heeft niet gesteld dat hij in deze zaak andere werkzaamheden heeft verricht. proceskosten 3.
- Dexia krijgt voor het grootste deel ongelijk en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). 4De beslissing De kantonrechter: 4.
- verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld; 4.
- veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eiser] geleden schade, bestaande uit de door [eiser] betaalde bedragen aan inleg in de effectenleaseovereenkomsten en de betaalde restschuld, te vermeerderen met wettelijke rente, telkens van vanaf de dag van de door [eiser] gedane betalingen; 4.
- verklaart voor recht dat [eiser] de restschuld niet verschuldigd is; 4.
- veroordeelt Dexia in de proceskosten die tot aan vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op € 78,00 aan griffierecht, € 97,31 aan dagvaardingskosten en € 678,00 aan vergoeding voor het salaris van de gemachtigde van [eiser]. Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken door mr. F.A.M. Veraart als rolrechter. 371 Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 Zie Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2015 Hoge Raad 10 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:862 Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1176 r.o. 3.6 Hoge Raad 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2815 Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590