← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26857

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: SGR 25/5197 en SGR 25/5713 uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker (gemachtigde: mr. G.J. de Kaste), en het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder (gemachtigden: [naam] en mr. G. Günes). Inleiding

  1. Met het primaire besluit van 27 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen. Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 op het bezwaar van verzoeker is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  2. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om en voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. 1.
  3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 9 oktober
  5. Hierbij waren aanwezig: verzoeker en zijn gemachtigde via beeldverbinding en de gemachtigden van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  6. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht niet alleen uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, maar ook op het beroep. Waar gaat deze zaak over?
  7. Verzoeker woont met zijn partner en hun minderjarig kind in de woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is gelegen op de tweede verdieping. Verzoeker heeft op 3 maart 2025 een urgentieverklaring aangevraagd bij verweerder en bij de aanvraag aangegeven dat hij meerdere lichamelijke en psychische klachten heeft. Zo lijdt hij aan forse communicerende hydrocephalus (hierna: hydrocephalus), een aandoening waarbij zich te veel hersenvocht ophoopt in de holtes van de hersenen. Ook is hij gediagnosticeerd met diepe veneuze trombose (hierna: trombose), die gepaard gaat met de nodige knieproblemen. Verder ervaart hij psychische klachten door traumatische gebeurtenissen in zijn jeugd waarbij regelmatig herbelevingen opkomen. Verzoeker heeft in de aanvraag aangegeven dat de woning gelet op zijn medische beperkingen niet passend is. Ten eerste is de woning te klein. Verzoeker heeft door de beperkte bewegingsruimte al meerdere ongelukken gehad. Ten tweede is de woning voor verzoeker slecht bereikbaar omdat hij eerst twee trappen moet oplopen. Dit levert gelet op zijn knieproblemen en verhoogde hersendruk problemen op. 3.
  8. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring afgewezen omdat er sprake is van meerdere weigeringsgronden. Zo is in het geval van verzoeker geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, kon het huisvestingsprobleem in zijn geval worden voorkomen of was dit te voorzien en kan het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar een zelfstandige woonruimte of een ándere zelfstandige woonruimte. Omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, komt verweerder niet toe aan de beoordeling van de sociale en medische omstandigheden van verzoeker. Ook voor de toepassing van de hardheidsclausule bestaat volgens verweerder geen aanleiding omdat verzoeker zich met zijn situatie onvoldoende onderscheidt van de situatie van andere woningzoekenden. 3.
  9. Op 23 april 2025 heeft verzoeker bezwaar tegen het primaire besluit gemaakt. Op 11 augustus 2025 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. In dit verzoek stelt verzoeker dat hij omstreeks 13 augustus 2025 zal worden geopereerd aan zijn knie en herstel hiervan rust, mobiliteit binnen huis en een valveilige woonomgeving vereist. Verder zijn ook begeleiding en toezicht noodzakelijk. Al deze voorzieningen kunnen in zijn huidige woning echter niet worden getroffen. Er is dan ook sprake van een acuut medisch risico. Met het instellen van het verzoek beoogt verzoeker primair de onverwijlde toewijzing van een tijdelijke, veilige woonruimte waarin hij kan herstellen. Subsidiair verzoekt hij de voorzieningenrechter om verweerder onverwijld te verplichten om een onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid van de huidige woning voor postoperatief herstel. 3.
  10. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en daaraan dezelfde weigeringsgronden ten grondslag gelegd. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? Spoedeisend belang
  11. Op de zitting is gebleken dat de geplande knieoperatie bij verzoeker niet is doorgegaan vanwege het risico op ernstige complicaties. Hoewel de door verzoeker ingediende voorlopige voorziening hoofdzakelijk betrekking heeft op deze operatie en het herstel hiervan, ziet de voorzieningenrechter in de stukken – maar ook in het feit dat de operatie is uitgesteld omdat deze volgens de arts medisch gezien onverantwoord was – voldoende aanknopingspunten voor de stelling dat de medische situatie van verzoeker zodanig is dat redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij de uitspraak op het door hem ingestelde beroep afwacht. Gelet daarop komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. Weigeringsgronden
  12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder de door verzoeker aangevraagde urgentieverklaring op goede gronden heeft geweigerd. 5.
  13. Allereerst heeft verweerder terecht gesteld dat een te kleine woning niet kan worden aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat het niet voor zijn rekening mag komen dat de woning te klein is. Net als verweerder neemt de voorzieningenrechter aan dat de woning ook al te klein was toen verzoeker deze op 17 januari 2022 betrok. Op dat moment had hij namelijk al de hiervoor genoemde psychische en lichamelijke beperkingen. Verzoeker heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie gedurende de tijd dat hij de woning bewoont is verslechterd. Een andere aanwijzing dat de woning altijd al te klein was, ziet de voorzieningenrechter in het gegeven dat verzoeker op de zitting heeft verklaard dat hij er noodgedwongen voor zijn vrouw, die in een onveilige thuissituatie zat, ging wonen. Dit wekt de indruk dat als verzoeker destijds wél een keuze had gehad, hij een andere, ruimere woning zou hebben betrokken. 5.
  14. Verder mocht verweerder verzoeker ook tegenwerpen dat het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien omdat hij zijn huishouden heeft uitgebreid zonder over daarvoor passende woonruimte te beschikken. Anders dan verzoeker heeft betoogd, levert dit geen inbreuk op met het recht op zijn gezinsleven. Het door verweerder opgestelde beleid omtrent urgentieverklaringen verbiedt namelijk niet gezinsuitbreiding, maar bepaalt slechts dat de consequenties van deze keuze bij het verdelen van schaarse woonruimte niet voor rekening van verweerder hoeven te komen. 5.
  15. Tot slot heeft verzoeker niet betwist dat in zijn geval de weigeringsgrond van artikel 4:5, aanhef, onder g, van de Huisvestingsverordening jo. artikel 2.1.7, aanhef en onder d, van de Beleidsregel van toepassing is.
  16. Nu gelet op het voorgaande meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, was verweerder niet gehouden de urgentieaanvraag van verzoeker op sociale of medische gronden te beoordelen. Hardheidsclausule
  17. Verweerder voert het zeer terughoudende beleid dat toepassing van de hardheidsclausule alleen is bedoeld voor uitzonderlijke en schrijnende gevallen vanwege het tekort aan sociale huurwoningen en de vele woningzoekenden in de [regio]. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat de situatie voor verzoeker en zijn gezin niet ideaal is, heeft hij niet met recente medische stukken onderbouwd dat zijn huisvestingsprobleem dermate schrijnend is dat verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, een urgentieverklaring te verlenen. Dat verweerder zelf een medisch onderzoek bij verzoeker had moeten laten uitvoeren, zoals verzoeker heeft betoogd, volgt de voorzieningenrechter niet. Daarvoor moeten door verzoeker eerst zelf medische verklaringen van een of meer behandelend artsen of medisch specialisten worden overlegd. Hoewel verzoeker wel dergelijke medische verklaringen heeft overlegd, dateren deze allen van voor 17 januari 2022, de datum waarop hij de woning betrok. Er zijn dan ook geen stukken beschikbaar die aantonen dat tussen de medische problematiek van verzoeker en zijn huisvestingsprobleem een causaal verband bestaat. In de Wmo-rapportage van [plaats] Support van 4 juni 2024 die over verzoeker is opgemaakt in het kader van een eerdere aanvraag om een urgentieverklaring, ziet de voorzieningenrechter juist een aanwijzing dat een dergelijk causaal verband in dit geval ontbreekt. Hierin is namelijk opgenomen dat sprake is van een ernstige, maar niet levensbedreigende- of ontwrichtende woonsituatie en daarom ook geen noodzaak bestaat voor een verhuizing op korte termijn. Verweerder had dan ook geen aanleiding hoeven zien om zelf een medisch onderzoek in te stellen. Conclusie en gevolgen
  18. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Dat betekent dat verzoeker geen gelijk krijgt. Omdat met deze uitspraak op het beroep wordt beslist, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober
  19. griffier de voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. Zie artikel 4:5, onder b, van de Huisvestingsverordening Delft 2023 (hierna: de Huisvestingsverordening) in samenhang gelezen met artikel 2.1.2, onder c, van de Beleidsregel urgentieverklaringen Delft 2023 (hierna: de Beleidsregel). Zie artikel 4:5, onder d, van de Huisvestingsverordening in samenhang gelezen met artikel 2.1.4, onder a, van de Beleidsregel. Zie artikel 4:5, onder g, van de Huisvestingsverordening in samenhang gelezen met artikel 2.1.7, onder d, van de Beleidsregel. In de zin van artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Op grond van artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening. In de zin van artikel 4:7, eerste lid, van de Huisvestingsverordening. Zie de algemene toelichting bij de Huisvestingsverordening. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:349.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.