RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR 25/9043 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 december 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. P.J. Schüller), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.V. de Kort). Samenvatting
- Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de ongegrondverklaring van het bezwaar dat verzoeker heeft ingediend tegen het besluit van verweerder tot intrekking van zijn Nederlanderschap. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. 1.
- De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet. Procesverloop
- Met het primaire besluit van 17 juni 2022 heeft verweerder besloten tot intrekking van het Nederlanderschap van verzoeker. Het door verzoeker hiertegen ingediende bezwaar heeft verweerder met het besluit van 4 oktober 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Verzoeker heeft tegen deze beslissing beroep ingesteld. Met de uitspraak van 8 juli 2024 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om met inachtneming van de uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van verzoeker. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en is hij bij het primaire besluit gebleven. 2.
- Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit op beroep ingesteld en de voorzieningenrechter op 2 december 2025 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen vanwege het einde van de strafdetentie van verzoeker en zijn geplande invrijheidstelling op 22 december
- 2.
- Verweerder heeft op de gevraagde voorziening gereageerd met een verweerschrift. 2.
- Op 18 december 2025 heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een ordemaatregel te treffen door te bepalen dat verzoeker in ieder geval tot aan de behandeling van de voorziening ter zitting wordt behandeld als ware hij een Nederlander. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op 19 december 2025 afgewezen. Diezelfde dag nog heeft de gemachtigde van verzoeker een aanvullend verzoek om het treffen van een ordemaatregel ingediend met eenzelfde strekking. Op 22 december 2025 heeft de voorzieningenrechter ook dit aanvullende verzoek om het treffen van een ordemaatregel afgewezen. Nu de motivering van de afwijzing van beide verzoeken nagenoeg gelijkluidend is aan de motivering van de afwijzing van de door verzoeker gevraagde voorziening, verwijst de voorzieningenrechter in dit verband naar wat hierover in rechtsoverwegingen 7 tot en met 11 is overwogen in combinatie met het feit dat op dat moment al duidelijk was dat de voorzieningenrechter de zaak op korte termijn op zitting zou behandelen. 2.
- De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over?
- Verzoeker is op [geboortedatum] 1999 geboren in [geboorteplaats] . De ouders van verzoeker hebben voor zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit door naturalisatie verkregen zonder daarbij afstand te hebben gedaan van hun Iraakse nationaliteit. Dit brengt met zich dat verzoeker bij zijn geboorte zowel de Iraakse als de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Bij vonnis van 29 juni 2021 heeft de rechtbank Rotterdam verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren wegens medeplegen van voorbereiding van een terroristische aanslag en medeplegen van deelneming aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS). Vanwege de ernst van de feiten en het hoge recidiverisico is in ditzelfde vonnis ook een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) opgelegd, waarmee de mogelijkheid wordt gecreëerd om verzoeker na zijn vrijlating onder toezicht te stellen door middel van gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden.
- Vanwege de in het vonnis bewezen verklaarde strafbare feiten is verweerder met het primaire besluit van 17 juni 2022 overgegaan tot de intrekking van het Nederlanderschap van verzoeker. Met het bestreden besluit van 13 november 2024 is verweerder bij dat besluit gebleven. In een afzonderlijk besluit, eveneens van 17 juni 2022, is tegen verzoeker een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twintig jaren uitgevaardigd. Eerder op 24 mei 2022, dus voordat het primaire besluit is genomen maar nadat het voornemen tot intrekking al was uitgebracht, heeft verzoeker uit eigen beweging de Iraakse autoriteiten verzocht in te stemmen met het doen van afstand van zijn Iraakse nationaliteit. Als reden hiervoor heeft verzoeker tegenover de Iraakse autoriteiten verkrijging van het Nederlanderschap opgegeven. Op 7 oktober 2022 hebben de Iraakse autoriteiten laten weten dat zijn verzoek op 14 augustus 2022 door het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Irak is geaccepteerd. Dat betekent dat hij vanaf dat moment stateloos is. 4.
- Verzoeker is, na zijn gevangenisstraf van zes jaren die hem met het vonnis van 29 juni is opgelegd te hebben uitgezeten, op 22 december 2025 in vrijheid gesteld. Omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat verzoeker nog steeds een actueel en ernstig gevaar vormt voor de nationale veiligheid, is zijn vrijlating de afgelopen maanden in overleg met verschillende ketenpartners intensief voorbereid en zijn er verschillende maatregelen genomen. Zo wordt op diplomatiek niveau getracht om verzoeker zijn Iraakse nationaliteit terug te laten krijgen zodat daarna kan worden gewerkt aan zijn vertrek naar Irak, wordt er ingezet op een gebiedsgebod voor de gemeente Zoetermeer op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en heeft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) op 25 november 2025 een voornemen uitgebracht tot het opleggen van een wekelijkse meldplicht bij de politie voor de duur van zes maanden. Verder wordt in het kader van de tenuitvoerlegging van de GVM ingezet op een aantal recidive beperkende voorwaarden. Het gaat hierbij om een meldplicht voor verzoeker bij de reclassering, het zich houden aan de aanwijzingen van de reclassering en bereikbaar zijn voor de reclassering, het direct kenbaar maken van zijn adres en telefoonnummer alsook de veranderingen in dat opzicht aan de reclassering en meedoen met een motivatietraject voor een behandeling en een contactverbod met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] . Met het vonnis van 18 december 2025 heeft de rechtbank Rotterdam de tenuitvoerlegging van de GVM met de hiervoor genoemde voorwaarden gelast voor een periode van twee jaar. Wat vindt verzoeker?
- Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarnaast de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Allereerst betoogt hij dat aan het bestreden besluit meerdere gebreken kleven waardoor al op voorhand duidelijk is dat het onrechtmatig is. Zo heeft verweerder hierin ten onrechte niet getoetst of sprake is van een actuele dreiging voor de Nederlandse Staat. Daarbij heeft verweerder in strijd met het wettelijke verbod op stateloosheid gehandeld door het Nederlanderschap van verzoeker in te trekken op het moment dat hij al afstand had gedaan van zijn Iraakse nationaliteit. Verder wijst verzoeker op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 waarin is geoordeeld dat artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN onverbindend moet worden verklaard omdat hierin een verboden onderscheid wordt gemaakt op grond van afkomst of nationale of etnische afstamming tussen Nederlanders met alleen de Nederlandse nationaliteit en Nederlanders met meerdere nationaliteiten. 5.
- Mocht het toch aankomen op een belangenafweging, dan valt deze uit in het voordeel van verzoeker. Hij heeft het verleden inmiddels achter zich gelaten, is gedurende zijn detentie gederadicaliseerd en hoopt na zijn vrijlating een constructieve bijdrage te leveren aan de maatschappij. Door het verlies van zijn Nederlandse nationaliteit maakt hij echter geen aanspraak op gemeentelijke voorzieningen die zijn gericht op zijn resocialisatie en re-integratie. Ook kan hij hierdoor geen werkzaamheden verrichten, ondanks dat hij al beschikt over een intentieverklaring van een werkgever. Dergelijke belemmeringen vormen een obstakel voor een volwaardige terugkeer in de maatschappij. Dit klemt te meer nu de verwachting is dat verzoeker nog wel even in Nederland zal blijven omdat hij door zijn stateloosheid niet binnen afzienbare tijd zal kunnen terugkeren naar Irak. Daarbij leert de ervaring dat de behandeling van de beroepsprocedure nog wel even op zich laat wachten. Van verzoeker kan dan ook redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij hierop wacht en in de tussentijd de genoemde nadelen ondervindt van het verlies van zijn Nederlanderschap. Daarbij moet de voorzieningenrechter ook meewegen dat verschillende betrokken instanties de opvatting zijn toegedaan dat het in het kader van de nationale veiligheid beter zou zijn als personen zoals verzoeker hun Nederlanderschap behouden, zodat ze niet uit het zicht raken en verdwijnen in de illegaliteit. Als dit laatste gebeurt kan verzoeker immers niet behandeld en geresocialiseerd worden. Gelet op het voorgaande verzoekt hij de voorzieningenrechter de werking van het bestreden besluit in ieder geval gedurende de beroepsprocedure op te schorten. Beoordeling door de voorzieningenrechter Spoedeisend belang
- Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker na zijn vrijlating op 22 december 2025 door het verlies van zijn Nederlanderschap geen aanspraak maakt op re-integratievoorzieningen en sociale voorzieningen. Evenmin ter discussie staat dat een terugkeer van verzoeker naar Irak niet op korte termijn valt te verwachten, nu ook de minister van Justitie en Veiligheid deze verwachting in een brief van 5 december 2025 aan het Openbaar Ministerie heeft uitgesproken. Verder is er nog geen zicht op het moment dat de behandeling van het door verzoeker tegen het bestreden besluit ingestelde beroep zal plaatsvinden. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, dan betekent dit dus dat verzoeker naar alle waarschijnlijkheid gedurende langere tijd verstoken blijft van de rechten die het Nederlanderschap met zich brengen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee sprake van onverwijlde spoed waardoor redelijkerwijs niet van hem kan worden verwacht dat hij de uitspraak op het door hem ingestelde beroep afwacht. (On)rechtmatigheid van het bestreden besluit
- In het kader van de beantwoording van de vraag of het bestreden besluit onmiskenbaar onrechtmatig is, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de RWN het specifiek mogelijk maakt om bij een veroordeling wegens een terroristisch misdrijf tot de maatregel van intrekking van het Nederlanderschap over te gaan. De gedachte achter deze wetgeving is dat de band met Nederland niet langer kan blijven bestaan op het moment dat een persoon de essentiële belangen van Nederland schaadt. Het is de uitdrukkelijke wens van de wetgever om in deze mogelijkheid te voorzien. Dat legt gewicht in de schaal om het besluit onmiddellijk uit te voeren. 7.
- Niet in geschil is dat verzoeker is veroordeeld voor het medeplegen van voorbereiding van een terroristische aanslag en medeplegen van deelneming aan de terroristische organisatie IS. Deze veroordeling is onherroepelijk. De voorzieningenrechter is het voorlopige oordeel toegedaan dat, gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in vergelijkbare zaken en gelet op wat verzoeker in het kader van deze voorlopige voorziening heeft aangevoerd, het bestreden besluit niet onmiskenbaar onrechtmatig is. Er is dan ook niet zonder meer aanleiding voor het oordeel dat de beroepsprocedure waarschijnlijk zal leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. In de door verzoeker aangehaalde uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2025 ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. In de beroepsprocedure zijn weliswaar meerdere complexe rechtsvragen aan de orde, waaronder de vraag of het handhaven van de intrekking van het Nederlanderschap in bezwaar nadat verzoeker afstand heeft gedaan van zijn Iraakse nationaliteit strijd oplevert met het verbod op stateloosheid, maar deze lenen zich niet voor beantwoording in een voorlopige voorzieningenprocedure en maken het bestreden besluit evenmin op voorhand onrechtmatig. 7.
- De voorzieningenrechter zal daarom op het verzoek beslissen aan de hand van een belangenafweging. Belangenafweging
- De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij zich bewust is van het complexe spanningsveld die de huidige situatie van verzoeker met zich brengt. Enerzijds is er het belang van verweerder dat verzoeker als een vreemdeling wordt behandeld zodat de inspanningen op diplomatiek niveau niet onnodig worden gefrustreerd en de voorgenomen (vreemdelingenrechtelijke) maatregelen jegens hem kunnen worden uitgevoerd. Daar komt nog bij het al onder rechtsoverweging 7 en 7.1 genoemde zwaarwegende belang van het verbreken van de band met Nederland vanwege het schaden van de essentiële belangen van dit land als gevolg van de gedragingen van verzoeker. Daar staat tegenover het belang van verzoeker om, gedurende de tijd dat hij nog in Nederland verblijft, te resocialiseren en re-integreren in de samenleving. De voorzieningenrechter overweegt in dat kader dat uit het reclasseringsadvies van 5 december 2025 kan worden afgeleid dat van de betrokken ketenpartners in ieder geval de gemeente Zoetermeer liever had gezien dat verzoeker als Nederlander wordt behandeld zodat er aanvullende begeleiding of ondersteuning kan worden ingezet. Daarbij is ook de voorzieningenrechter niet gebleken van signalen die erop wijzen dat de uitzetting van verzoeker naar Irak snel zal worden gerealiseerd, waardoor hij naar alle waarschijnlijk nog gedurende langere tijd in Nederland zal verblijven. Deze omstandigheden leggen het nodige gewicht in de schaal.
- Wat daar verder ook van zij, een succesvolle resocialisatie en re-integratie valt of staat met de bereidwilligheid van verzoeker om hieraan mee te werken. Van een dergelijke houding bij verzoeker is de voorzieningenrechter uit de beschikbare stukken echter niet gebleken. Zo volgt uit het voornemen van de NCTV tot de oplegging van een meldplicht aan verzoeker van 25 november 2025 onder meer dat verzoeker sinds zijn veroordeling nergens meer aan heeft meegewerkt, het contact met het PI-personeel heeft afgehouden en geen hulpvragen heeft gedaan. Dit terwijl de kans op recidive van gewelddadig extremisme bij het uitblijven van passende interventie door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) in 2021 als hoog werd geschat. Verder wordt in het voornemen beschreven dat verzoeker gedurende zijn detentie altijd in contact is gebleven met personen en netwerken die een Jihadistische ideologie aanhangen en uitdragen en dat daarbij sprake was van wederzijdse ideologische beïnvloeding. Voorts hebben professionals op grond van meerdere signalen – waaronder het aantreffen van een logboek waarin details werden bijgehouden over terroristische aanslagen – geconcludeerd dat bij verzoeker nog steeds sprake lijkt te zijn van kenmerken van ideologische geweldsbereidheid. Ook de verslagen van de vertrekgesprekken die verzoeker met de Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) heeft gevoerd getuigen van een weinig proactieve opstelling bij verzoeker om weer volwaardig mee te doen in de maatschappij. Zo gaf hij tijdens het vertrekgesprek van 8 december 2025 aan dat hij nog niet wist hoe zijn dagbesteding eruit zou zien als hij vrij zou komen en dat “hij dat allemaal wel zou zien als hij weer buiten was.” Tot slot volgt ook uit het reclasseringsadvies van 5 december 2025 dat bij verzoeker de motivatie ontbreekt om in behandeling te gaan. De stelling van verzoeker ter zitting dat hij klaar is met zijn verleden, vanaf nu vooruit wil kijken en openstaat voor een behandeling, is tegen de achtergrond van voornoemde informatie onvoldoende om aan te nemen dat hij gedurende zijn detentie is gederadicaliseerd en dat hij vanaf het moment van zijn vrijlating daadwerkelijk een constructieve bijdrage wil leveren aan de maatschappij.
- Verder weegt de voorzieningenrechter nog mee dat hoewel sommige instanties wellicht liever meer instrumenten hadden gewild om een zo effectief mogelijk toezicht te kunnen houden op verzoeker na zijn vrijlating, dit nog geenszins betekent dat de maatregelen die in dat kader nu zijn genomen, gegeven de bestaande situatie en het gebrek aan medewerking van verzoeker, tekortschieten om de nationale veiligheid voldoende te kunnen borgen. Dit laatste kan ook niet uit de beschikbare stukken worden afgeleid. Tot slot betrekt de voorzieningenrechter nog bij de belangenafweging dat verzoeker heeft aangegeven dat hij na zijn vrijlating bij zijn familie kan verblijven. Van een situatie waarbij hij door de intrekking van zijn Nederlanderschap zonder enig sociaal vangnet wordt blootgesteld aan de illegaliteit, is dan ook geen sprake.
- Het voorgaande in onderling verband bezien brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van verweerder bij de onmiddellijke uitvoering van het bestreden besluit zwaarder weegt dan het belang van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is aan partijen medegedeeld op 24 december 2025 en op 6 januari 2025, tezamen met de motivering hiervan, in het openbaar uitgesproken. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: ECLI:NL:RBROT:2021:
- Als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op grond van artikel 56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet
- Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding. Bekend onder nummer ECLI:NL:RBAMS:2025:
- Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:
- De voorzieningenrechter vindt steun voor dit oordeel in de uitspraken van deze rechtbank van 11 augustus 2025 en 11 december 2025 met de nummers ECLI:NL:RBDHA:2025:14976 respectievelijk ECLI:NL:RBDHA:2025:25576.