RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.52078 en NL24.40474 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres) (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de Minister van Asiel en Migratie Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de vaststelling van verweerder dat zij geen verblijfsrecht in Nederland heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn). 1.
- Met het besluit van 17 september 2024 heeft verweerder medegedeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het primaire besluit gebleven. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van eiseres deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat de zaak over?
- Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum]
- Eiseres heeft op 14 augustus 2024 aanspraak willen maken op tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn. Omdat eiseres de Oekraïne vóór 27 november 2021 heeft verlaten en daarna niet meer is teruggekeerd met de intentie om zich duurzaam te vestigen in de Oekraïne, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Wat vindt eiseres?
- Eiseres stelt dat zij voldoet aan de Richtlijn. Zij erkent vóór de peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne te zijn vertrokken en daarna voor familiebezoek te zijn teruggekeerd. Zij heeft echter nooit haar hoofdverblijf verplaatst buiten Oekraïne, omdat zij slechts tijdelijk verbleef in Polen voor haar studie. Dit blijkt onder andere uit haar tijdelijke studievisum. Uiteindelijk was een permanente terugkeer naar Oekraïne, gelet op de oorlog, geen mogelijkheid. Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat zij voldoet zij aan de voorwaarden voor gezins- of familieleden, nu haar ouders in Nederland een verblijfsrecht hebben op grond van de Richtlijn en zij een afhankelijkheidsrelatie met hen heeft. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader
- De Raad van de Europese Unie heeft op 4 maart 2022 besloten om de Richtlijn van toepassing te verklaren op de toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de Europese Unie. Daarvoor is een Uitvoeringsbesluit vastgesteld. Daarin is vastgelegd welke ontheemden in aanmerking komen voor tijdelijke bescherming. Dat zijn onder andere Oekraïense onderdanen die vóór 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven. De lidstaten kunnen het Uitvoeringsbesluit ook toepassen op andere categorieën ontheemden. Deze keuzemogelijkheid wordt de facultatieve bepaling genoemd. 4.
- Verweerder heeft het Uitvoeringsbesluit verwerkt in artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Uit die bepaling volgt dat ten eerste tijdelijke bescherming wordt toegekend aan vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit die na 26 november 2021 Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd (eerste lid, onder a). Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van de facultatieve bepaling. Verweerder heeft deze keuze toegelicht in een brief van 30 maart
- Hieruit volgt dat verweerder heeft besloten om de Richtlijn ook van toepassing te verklaren op ontheemden die Oekraïne op of na 27 november 2021 hebben verlaten vanwege de toenemende spanningen of die zich net vóór die datum op het grondgebied van de Unie bevonden (bijvoorbeeld voor vakantie of werk) en die als gevolg van het gewapende conflict niet naar Oekraïne kunnen terugkeren. Voor het bepalen van deze datum is aangesloten bij de visumvrije termijn van Oekraïners, namelijk 90 dagen. Verder wordt op grond van artikel 3.9a van het VV 2000 tijdelijke bescherming verleend aan vreemdelingen die de Oekraïense nationaliteit hebben en die kunnen aantonen dat zij in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland verbleven (artikel 3.9a, eerste lid, onder b van het VV 2000). Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europa verbleven vallen niet onder de Richtlijn. Valt eiseres onder de reikwijdte van de Richtlijn?
- Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de Richtlijn niet van toepassing is op eiseres. Onder verwijzing naar overweging 4.
- stelt de rechtbank vast dat uit artikel 3.9a van het VV 2000 volgt dat de Richtlijn niet ziet op Oekraïense onderdanen die al vóór 26 november 2021 uit Oekraïne zijn vertrokken. Zij kunnen worden geacht hun hoofdverblijf elders te hebben, zodat zij ook niet ‘ontheemd’ zijn. Dit geldt ook voor eiseres. Zij is immers voor de peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne is vertrokken, namelijk op 27 september 2021 om te gaan studeren in Polen. Vanaf dat moment heeft zij haar hoofdverblijf verplaatst naar Polen, zodat niet kan worden aangenomen dat zij als gevolg van de Russische invasie in februari 2022 ontheemd is geraakt. Dat zij in 2022 en 2023 vijf keer voor kortere periodes is teruggereisd naar de Oekraïne toont temeer aan dat zij haar hoofdverblijf in Polen had. Daarnaast kan, anders dan eiseres stelt, hieruit niet worden afgeleid dat eiseres hiermee de intentie had zich weer duurzaam te vestigen in Oekraïne. Eiseres heeft immers verklaard dat zij terugkeerde vanwege familiebezoek. 5.
- De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder terecht stelt dat, hoewel eiseres sinds haar aankomst in Nederland samenwoont met haar ouders, dit niet maakt dat zij in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als naaste familielid van een persoon die onder de Richtlijn valt. Dit is op grond van artikel 3.1a, eerste lid, onder d van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) het geval als het familielid afhankelijk is van de persoon die onder de Richtlijn valt en met die persoon samenwoonde op de peildatum. Eiseres heeft niet aangetoond dat hiervan sprake is.
- Ter zitting heeft eiseres zich nog op het standpunt gesteld dat, nu verweerder niet ter zitting is verschenen en geen verweerschrift heeft ingediend, dit betekent dat verweerder zich niet verzet tegen de gronden van beroep. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt nu er in beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd waarop verweerder niet is ingegaan. Het ontbreken van een verweerschrift en de afwezigheid van verweerder ter zitting leidt dan ook niet tot een motiveringsgebrek. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
- Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening buiten zitting niet-ontvankelijk verklaard. BeslissingDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. D. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr.N. Bagheri Shirazi, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen. Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan. Artikel 2, eerste lid en onder a, van het Uitvoeringsbesluit. Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. TK 2021-2022, 19 637, nr.
- Zie ook TK 2021-2022, 19 637, nr.
- Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb (Algemene wet bestuursrecht).