← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26895

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.212 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser V-nummer: [v-nummer] (gemachtigde: mr. K. Ross), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser. 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Zowel de gemachtigde als verweerder waren met voorafgaand bericht niet aanwezig bij de zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
  4. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Kenyaanse nationaliteit. Hij heeft op 15 juli 2024 aangifte gedaan van mensenhandel. Aan hem is een verblijfsvergunning onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ verleend. Verweerder heeft de verblijfsvergunning onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ ingetrokken per 1 augustus 2024 omdat op die datum is besloten het onderzoek naar de aangifte van eiser voortijdig te beëindigen. Wat vindt eiser in beroep?
  5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser heeft beklag ingediend op grond van artikel 12 van het wetboek van Strafvordering (WvSv) bij het Gerechtshof Den Haag tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om geen nader strafrechtelijk onderzoek te doen naar mogelijke mensenhandel. Verweerder had de uitkomst van het beklag moeten afwachten voordat zij de verblijfsvergunning introk. Verder is eiser ten onrechte niet uitgenodigd voor een hoorzitting. Hierdoor kan verweerder niet tegenwerpen dat eiser onvoldoende onderbouwing heeft gegeven met betrekking tot zijn homoseksualiteit en de belemmeringen die hij ondervindt om zijn privéleven in Kenia uit te oefenen. Daarnaast heeft verweerder in strijd gehandeld met de werkinstructie (hierna: WI 2019/17) door eiser te vragen om bewijsstukken te overleggen, nu verklaringen van de vreemdeling voldoende dienen te zijn. Al met al is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  6. Tussen partijen is niet in geschil dat het Openbaar Ministerie het onderzoek naar de aangifte van eiser voortijdig heeft beëindigd. In geschil is de vraag of verweerder de uitkomst van de klacht van eiser op grond van artikel 12 WvSv had moeten afwachten. 4.1 Bij besluit van 20 juli 2012, WBV 2012/16, heeft de toenmalige minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, de Vreemdelingencirculaire 2000 (B) onder meer in die zin gewijzigd dat de beklagprocedure tegen een sepotbeslissing niet in Nederland mag worden afgewacht. De toelichting bij deze wijziging luidt als volgt: “Zodra de strafzaak door het OM wordt geseponeerd […] komt de grond aan de verblijfsvergunning als bedoeld in B9 te ontvallen […]. Met een sepot-beslissing is het strafrechtelijke onderzoek afgerond. De nog geldige verblijfsvergunning als bedoeld in B9 kan worden ingetrokken. De verblijfsvergunning als bedoeld in B9 waarvan de geldigheidsduur is verstreken, wordt niet verlengd. Als er tegen de sepotbeslissing beklag wordt ingesteld, zoals bedoeld in artikel 12 WvSv, mag de beslissing op dit beklag niet in Nederland worden afgewacht. Indien het beklag gegrond wordt verklaard herleeft het recht op een verblijfsvergunning.” Nu de rechtbank dit beleid niet kennelijk onredelijk acht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de beslissing op het beklag ex artikel 12 Sv van eiser niet heeft hoeven afwachten alvorens de verleende verblijfsvergunning in te trekken. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. 4.2 Verweerder mag op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en wat eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mocht verweerder afzien van het horen van eiser. De beroepsgrond dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn hoorplicht faalt dus. 4.3 Tot slot heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de gestelde homoseksuele gerichtheid niet kan niet worden meegewogen in de belangenafweging in het kader van het privéleven omdat de homoseksuele gerichtheid moet worden beoordeeld in de asielprocedure. Conclusie en gevolgen
  7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.