RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL25.263 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. B. Manawi), en de Minister van Asiel en Migratie , verweerder Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verblijfsvergunning. 1.1. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de vader van eiser (referent) en G. Gunes als tolk. Verweerder was met voorafgaand bericht niet aanwezig bij de zitting. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser heeft op 4 juli 2022 een aanvraag ingediend met het doel ‘familie en gezin’ om bij zijn vader, [referent] (referent) te verblijven. 3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en hij niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Eiser valt niet onder het jongvolwassenenbeleid. Verder is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Ten onrechte is gesteld dat hij niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Hij verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Raad van State van 23 augustus 2019. Verder voert eiser aan dat er wel sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hem en referent. Dat eiser noodgedwongen enkele maanden naar Oekraïne is gestuurd, maakt dit niet anders, nu hij zich daar om medische redenen niet staande kon houden. Dit geldt ook voor de verklaringen dat hij in Turkije heeft gewerkt, nu dit schijnovereenkomsten betreffen. Ook heeft verweerder de medische omstandigheden niet op de juiste wijze betrokken in zijn beoordeling. Wat is het oordeel van de rechtbank? Jongvolwassenenbeleid 5. Volgens het jongvolwassenenbeleid neemt verweerder familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouder(
- s)en het meerderjarig kind aan als het meerderjarig kind jongvolwassen is, met de ouder(
- s)in gezinsverband samenleeft, niet in zijn eigen onderhoud voorziet en geen zelfstandig gezin heeft gevormd door het aangaan van een huwelijk of relatie. Er hoeft dan geen sprake te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 29 mei 2024 volgt verder dat als het meerderjarig kind noodgedwongen zelfstandig is geworden, verweerder dit niet zomaar mag tegenwerpen bij de beoordeling of het meerderjarig kind feitelijk tot het gezin is blijven behoren. Verweerder mag dit enkel tegenwerpen als dat kind zich zelfstandig en moeiteloos handhaaft. Hieraan is voldaan wanneer het meerderjarig kind zelfstandig is gaan wonen en er ten tijde van de mvv-aanvraag in is geslaagd zijn leven zelfstandig vorm te geven. Hieraan is niet voldaan als een meerderjarig kind slechts noodgedwongen de noodzakelijke stappen heeft ondernomen om zichzelf staande te kunnen houden. 5.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. Gelet op de leeftijd van eiser, 28 jaar, mag van hem verwacht worden dat hij in staat is zich zelfstandig te handhaven. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser, ondanks zijn terugkeer naar Turkije, enkele maanden zelfstandig in Oekraïne heeft gewoond. Dit duidt op een stap naar zelfstandigheid, ook al was deze beslissing ingegeven door de slechte omstandigheden in Turkije. Het feit dat eiser nadien weer naar Turkije is teruggekeerd vanwege medische redenen, doet niet af aan het oordeel dat hij in staat was om zich zelfstandig in Oekraïne te handhaven. Verder heeft verweerder mogen tegenwerpen dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van zijn werk- en financiële afhankelijkheid. Zo heeft eiser zelf in het nareisgehoor verklaard dat hij 20 uur per week werkte bij de bibliotheek, naast zijn studie. Dit geldt ook voor zijn verklaring dat hij in Oekraïne zelf in zijn levensonderhoud voorzag door parttime te werken. Deze stappen tonen aan dat eiser zelfredzaam is en in staat is zelfstandig te functioneren, ook al heeft hij in beperkte mate financiële ondersteuning van zijn ouders ontvangen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet onder het jongvolwassenenbeleid valt. 5.2 Het beroep van eiser op de uitspraak van de hoogste bestuursrechter maakt dit oordeel niet anders. In de aangehaalde zaak speelde namelijk dat sprake was een noodgedwongen scheiding tussen de betrokkene en de referent en dat ondanks dat de betrokkene enige tijd had gewerkt, uit andere omstandigheden kon worden afgeleid dat de betrokkene zich niet zelfstandig en moeiteloos kon handhaven. Deze aangehaalde zaak verschilt op relevante punten van dit geval. Vooral nu referent in het bezwaarschrift heeft aangegeven dat zijn zoon wel heeft gewerkt en geld zou hebben verdiend, maar werd ontslagen. Ook zijn de ontslagverklaringen bij de nareisaanvraag overgelegd. De enkele stelling van eiser dat het een schijnovereenkomst betreft en dat hij feitelijk niet heeft gewerkt, maar het voorgaande niet anders. 6. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de vraag of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheid tussen volwassen familieleden, die uitstijgt boven het gebruikelijke. Bij de beoordeling van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, dient verweerder alle individuele omstandigheden van het geval te betrekken. Zo kan van belang zijn de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de medische omstandigheden, de banden met het land van herkomst en of de gezinsleden in het land van herkomst behoorden tot hetzelfde gezin en hebben samengewoond. Het is aan de betrokken vreemdeling om te stellen, en zoveel mogelijk te onderbouwen, uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de door verweerder gegeven motivering voor het antwoord op de vraag of er familieleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM, als dit wordt betwist, volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend. 6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiser. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat de overgelegde medische verklaringen onvoldoende aanwijzingen bieden dat eiser zodanig afhankelijk is van zijn moeder dat hij zelfstandig niet zou kunnen functioneren. Hoewel de verklaringen aangeven dat eiser medische klachten heeft, wordt niet duidelijk welk type dagelijkse ondersteuning hij precies nodig heeft en dat zijn moeder de enige persoon is die deze zorg kan bieden. De verklaringen van eiser zelf wijzen ook niet op een zodanige afhankelijkheid die uitstijgt boven het gebruikelijke, en het feit dat de zoon bepaalde taken moeilijk vindt vanwege het ontbreken van de zorg van zijn moeder, maakt niet dat hij niet in staat zou zijn om deze vaardigheden zelf aan te leren, zoals het onthouden van zijn eetschema. 6.2 Tot slot heeft referent, ter zitting – kort samengevat - het volgende naar voren gebracht. Referent voelt zich schuldig over het feit dat zijn zoon in de problemen is gekomen als gevolg van zijn eigen politieke activiteiten. Volgens referent is zijn zoon gedwongen om naar Oekraïne te gaan; dit was geen vrije keuze. De bedoeling was dat zijn zoon daar langere tijd zou blijven, maar vanwege medische problemen moest hij terugkeren naar Turkije. De rechtbank is van oordeel dat uit deze verklaringen echter nog steeds niet blijkt dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en eiser. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft. 8. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Gunster, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. ECLI:NL:RVS:2019:2863 Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145 (de Afdeling). Zie onder meer uitspraak van het EHRM van 2 september 2022 (Azerkane t. Nederland), ECLI:CE:ECHR:2020:0602JUD000313816. Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.