RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.38529 en NL24.38530 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. F.H. Bruggink), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het buiten behandeling stellen van zijn aanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. 1.
- Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 16 september 2024 buiten behandeling gesteld. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
- De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder was met voorafgaand bericht niet aanwezig bij de zitting vanwege een tekort aan personeel. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?
- Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1968 en de Oekraïense nationaliteit te hebben. Eiser heeft zich in Nederland ingeschreven in de BRP bij de gemeente om bescherming te krijgen onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.
- De minister heeft eiser met het voornemen van 12 augustus 2024 bericht dat hij een afspraak moet maken bij de IND voor de beoordeling van het recht op tijdelijke bescherming en voor het indienen van een asielaanvraag. De minister heeft daarbij aangegeven dat hij van plan is om het verzoek om tijdelijke bescherming en de asielaanvraag buiten behandeling te stellen, omdat de IND het verblijfsrecht van eiser niet heeft kunnen beoordelen nu eiser zich nog niet heeft gemeld bij de IND. Tevens is vermeld dat eiser verplicht is om zich in persoon bij de IND te melden, om ook de asielaanvraag te kunnen ondertekenen. De minister heeft eiser gedurende vier weken in de gelegenheid gesteld om alsnog bij de IND langs te komen, of om schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen als hij het niet eens is met het voornemen. Eiser heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de minister met het bestreden besluit het verzoek om tijdelijke bescherming en de asielaanvraag buiten behandeling gesteld. De minister heeft eiser tevens een terugkeerbesluit opgelegd. Wat vindt eiser?
- Volgens eiser is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat hij niet de mogelijkheid heeft gehad om op het voornemen te reageren. Het voornemen heeft eiser nooit bereikt, aangezien de envelop met de brief retour is gekomen. Daarnaast was eiser niet op de hoogte van de verplichting om een afspraak te maken met verweerder, zodat dit hem niet kan worden tegengeworpen. Het terugkeerbesluit is daarom ten onrechte opgelegd. De aanvraagprocedure
- Op 4 maart 2022 heeft de Raad van de EU besloten om de Richtlijn Tijdelijke Bescherming te activeren voor Oekraïense ontheemden. De procedure om onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (hierna: de Richtlijn) te vallen is uiteengezet in Werkinstructie 2022/
- Uit paragraaf 2.1 blijkt dat er bewust voor is gekozen om de procedure anders in te richten dan voor andere asielaanvragen, omdat anders te veel beslag zou worden gelegd op het aanmeldcentrum in Ter Apel en op de besliscapaciteit van verweerder. 5.1 In paragraaf 2.1 is verder vermeld dat een vreemdeling die meent onder de bescherming van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming te vallen, zich eerst moet wenden tot de gemeente voor opvang en zich daar kan inschrijven in de BRP. Vervolgens is als tweede stap vermeld dat de inschrijving in de BRP wordt aangemerkt als startdatum van een (op dat moment nog niet voltooide) asielaanvraag. Vervolgens wordt de vreemdeling uitgenodigd om de asielaanvraag bij verweerder te formaliseren en te ondertekenen. 5.2 Op grond van artikel 3.108 van het Vb 2000 is eiser verplicht om zijn asielaanvraag in persoon in te dienen en te ondertekenen op de door verweerder aangewezen plaats. De buitenbehandelingstelling
- De rechtbank overweegt dat verweerder zowel in het nationaal recht als krachtens het Unierecht de bevoegdheid heeft een (asiel)aanvraag buiten behandeling te stellen als de aanvrager – kort gezegd – niet de benodigde informatie verstrekt of zich niet houdt aan een andere wettelijk voorschrift dat geldt voor de indiening van de aanvraag. De situatie in deze zaak is in zoverre bijzonder dat verweerder in het kader van de Richtlijn anders dan bij normale asielaanvragen de inschrijving in de BRP als startpunt van de beoordeling op grond van de Richtlijn dan wel de asielaanvraag aanmerkt. Het voornemen waar het hier om gaat, dient om de bescherming op grond van de Richtlijn dan wel de asielaanvraag te formaliseren en is het eerste moment dat verweerder in contact treedt met de betrokkene.
- Eiser stelt dat hij het voornemen nooit heeft ontvangen en ter onderbouwing een verklaring van de woningbeheerder overgelegd, waarin wordt gesteld dat de brief niet is gezien. Eiser betwist niet dat het voornemen is verzonden naar het door hem opgegeven adres, maar stelt dat het hem niet heeft bereikt zodat het voor hem niet mogelijk was aan zijn verplichting te voldoen. Verweerder betwist op zijn beurt niet dat eiser het voornemen niet heeft ontvangen aangezien het als onbestelbaar retour is gekomen, maar stelt dat dit voor eisers rekening en risico dient te komen, nu verweerder niet verantwoordelijk is voor de wijze waarop met de post wordt omgegaan als deze is bezorgd..
- De rechtbank is van oordeel dat de beschreven werkwijze van verweerder in het algemeen niet als onredelijk kan worden aangemerkt of als ongeschikt om het daarmee gediende doel te bereiken. Dit laat onverlet dat de combinatie van het feit dat het voornemen het eerste contactmoment betreft tussen verweerder en iemand die mogelijk recht heeft op bescherming onder de Richtlijn, het feit dat verweerder ervoor gekozen heeft dit voornemen niet aangetekend te verzenden en het feit dat de gevolgen als met de bezorging iets misloopt voor de betrokkene groot zijn omdat dit leidt tot weigering van de bescherming en een terugkeerbesluit, in relatie tot de individuele omstandigheden van het geval kan maken dat deze werkwijze in een bepaald geval toch onvoldoende zorgvuldig is.
- Niet in geschil is dat eiser woont op een landgoed met 26 kamers en vijf appartementen en dat er maar één postbus is aan de weg. De post wordt door verschillende beheerders doorgeleid aan de bewoners. In de bovengenoemde door eiser overgelegde verklaring, geeft één van de beheerders aan dat de wijze waarop dit gebeurt niet standaard is en dat het vaak goed gaat, maar dat het ook met enige regelmaat voorkomt dat er post zoekraakt. De rechtbank is van oordeel dat het te ver gaat om eiser – die daar op het relevante moment nog maar kort verbleef – volledig voor deze omstandigheid verantwoordelijk te maken dan wel hem hiervoor het risico te laten dragen, gelet op het hiervoor weergegeven kader. Dit geldt temeer nu de door verweerder gevolgde werkwijze niet voorziet in een extra of alternatieve mogelijkheid om alsnog in contact te komen met eiser en hem op de hoogte te stellen van het voornemen. De rechtbank is gelet op alle relevante omstandigheden in dit geval dan ook van oordeel dat het bestreden besluit van onvoldoende zorgvuldigheid getuigt.
- Gelet op het voorgaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hierbij geldt dat indien vast komt te staan dat eiser recht heeft op bescherming onder de Richtlijn, verweerder zolang eiser bescherming geniet niet hoeft te beslissen op de asielaanvraag. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de aanvraag weer in behandeling moet worden genomen.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
- Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek niet-ontvankelijk verklaren omdat de bodemprocedure waaraan het was gekoppeld, is afgerond. Omdat het beroep gegrond is geldt dat ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening verweerder in de proceskosten moet worden veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. De voorzieningenrechter: verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Basisregistratie Personen. Richtlijn 2001/55/EG. Vreemdelingenbesluit
- Artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 28 van de Procedurerichtlijn omgezet in artikel 30c van de Vreemdelingwet 2000.