← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26899

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummers: NL24.34426 en NL24.34427 uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen), en de minister van Asiel en Migratie , verweerder (gemachtigde: mr. F.E. Mahler). Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres. 1.
  2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.
  3. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.
  4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar partner, de gemachtigde van eiseres, S. Olia als tolk, [naam 1] als behandelaar en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de voorzieningenrechter Waar gaat deze zaak over?
  5. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiseres heeft op 7 september 2022 een aanvraag ingediend om afgifte van een nieuw verblijfsdocument EU/EER, waaruit blijkt dat eiseres een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU, het arrest Chavez-Vilchez en het arrest K.A. tegen België. Eiseres beoogt verblijf bij haar meerderjarige dochter, [naam 2] . Eerder heeft eiseres van 13 september 2017 tot 4 december 2021 verblijfsrecht gehad op grond van artikel 20 VWEU en het arrest Chavez-Vilchez bij haar toen nog minderjarige dochter. Dit verblijfsrecht is komen te vervallen vanaf het moment dat de dochter van eiseres meerderjarig is geworden.
  6. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Ook is er in het geval van eiseres geen sprake van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest K.A. Verder neemt verweerder wel aan dat er gezinsleven uit artikel 8 van het EVRM bestaat tussen eiseres en haar dochter in het kader van het jongvolwassenenbeleid en tussen eiseres en haar echtgenoot, maar valt de belangenafweging in haar nadeel uit. Wat vindt eiseres in beroep?
  7. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Ten eerste was de bevoegde beslissingsautoriteit op het moment van het bestreden besluit de Minister van Asiel en Migratie. De beslissing is genomen door een onbevoegde beslissingsautoriteit, omdat het bestreden besluit is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Ten tweede volgt uit het E.K. arrest dat het Chavez-verblijfsrecht geen tijdelijk verblijfsrecht is. Eiseres vindt om die reden dat zij als niet-Nederlandse ouder van een Nederlands kind duurzame verblijfsrechten heeft opgebouwd en zij in aanmerking kan komen voor een permanente verblijfsstatus op grond van artikel 20 VWEU dan wel artikel 21 VWEU. Eiseres verwijst hierbij naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. Het verblijfsrecht moet voortgezet worden, nu de dochter van eiseres psychische klachten heeft en (zorg)afhankelijk is van eiseres. Ten derde moet eiseres in aanmerking komen voor wijziging van het verblijfsdoel, namelijk verblijf bij haar echtgenoot. Ten vierde heeft verweerder ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om ambtshalve een artikel 8 EVRM toets uit te voeren. In dat kader had verweerder niet enkel moeten toetsen aan het afgeleid verblijfsrecht, maar ook aan het verblijfsdoel op grond van gezinsleven met haar echtgenoot en dochter. Ten slotte heeft verweerder miskend dat er sprake is van beschermenswaardig gezinsleven met de dochter en echtgenoot van eiseres. Wat is het oordeel van de rechtbank?
  8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Bevoegdheid tot het nemen van het bestreden besluit
  9. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht de minister van Asiel en Migratie. Nu het bestreden besluit van 16 juli 2024 is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, is er sprake van een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit zorgvuldigheidsgebrek te passeren omdat eisers hierdoor niet zijn benadeeld. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat het bestreden besluit is genomen en ondertekend door een ambtenaar die daartoe op grond van mandaat bevoegd was. Doorlopen Chavez-status bij meerderjarigheid
  10. In geschil is of de Chavez-status van eiseres kan doorlopen, nu haar dochter meerderjarig is geworden. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 24 maart 2021 en het beleid van verweerder specifiek gericht is op burgers van de Unie. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiseres geen burger van de Unie is en dus geen geslaagd beroep kan doen op dit specifieke beleid van verweerder. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiseres alleen op grond van het criterium zoals dat volgt uit het arrest K.A. tegen België een verlengd Chavez-verblijfsrecht kan krijgen. Chavez loopt niet door, maar de rechtbank zal in het midden laten of aan dit criterium wordt voldaan, gelet op het volgende. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM
  11. Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een “fair balance” moet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. 8.
  12. Verweerder heeft gewicht kunnen toekennen aan het Nederlandse economisch belang, maar daar staat tegenover dat eiseres al meer dan 15 jaar in Nederland verblijft. Aanvankelijk had zij vanaf 2003 verblijfsrecht bij haar echtgenoot, met wie zij in 2002 is getrouwd. Vervolgens is zij in 2011 een paar jaar met haar echtgenoot en dochter teruggekeerd naar Iran. Daarna had zij verblijfsrecht tot de meerderjarigheid van haar dochter tot
  13. De echtgenoot en de dochter van eiseres hebben inmiddels de Nederlandse nationaliteit. Eiseres leeft in gezinsband met hen samen. Verder is sprake van ernstige angstklachten bij de dochter en een grote mate van afhankelijkheid van haar moeder. Dit is bevestigd door de behandelaar. Zij was ook op zitting aanwezig en heeft dit nader toegelicht. De echtgenoot van eiseres is hier altijd werkzaam geweest. Hoewel zijn laatste dienstverband bij de gemeente na drie tijdelijke jaren is beëindigd, wordt verwacht dat hij op korte termijn weer werk zal vinden. Dat de dochter momenteel een studie volgt, doet niet af aan de ernst van haar psychische klachten. Dat eiseres zelf niet heeft gewerkt en van 2017 tot 2021 een uitkering heeft ontvangen in het kader van de Participatiewet, legt onvoldoende gewicht in de schaal, nu sprake is van een echtgenoot die werkzaam kan zijn. Verweerder heeft deze feiten en omstandigheden onvoldoende betrokken bij de belangenafweging. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 7:12 van de Awb onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit
  15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister binnen vier weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
  16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt en een wegingsfactor 1).
  17. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Ook voor het verzoek om een voorlopige voorziening wordt verweerder in de proceskosten veroordeeld. Deze vergoeding bedraagt € 907,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde van € 907,- per punt met een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt verweerder op om opnieuw op de aanvraag van eiser om een EU/EER verblijfsdocument te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,-. De voorzieningenrechter: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 907,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri Shirazi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zoals bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verdrag betrekkende de Werking van de Europese Unie. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 10 mei 2017, ECLI:NL:C:2017:
  18. Arrest van het Hof van 8 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:
  19. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Arrest van het Hof van 7 september 2022, ECLI:EU:C:2022:
  20. Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:
  21. Zoals volgt uit artikel 3.6b, aanhef en onder c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Zie artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ECLI:NL:RVS:2021:
  22. Paragraaf B10/2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:
  23. Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
  24. Algemene wet bestuursrecht.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.