← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26910

Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-4985 Zaaknummer: C/09/687841 Datum beschikking: 22 december 2025 Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gezagsuitoefening Beschikking op het op 3 juli 2025 ingekomen verzoek van: [de moeder] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. N. van Amsterdam te [plaats 2] . Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] , de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie te Den Haag. Procedure Bij beschikking van 13 oktober 2025 van deze rechtbank: - is aan de moeder toestemming verleend, die de toestemming van de vader vervangt, om met [de minderjarige] op vakantie te gaan naar [land] van 18 oktober 2025 tot en met 25 oktober 2025; zijn partijen verwezen naar een traject Parallel Solo Ouderschap; zijn de zelfstandige verzoeken van de vader aangehouden. De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook: - het verweerschrift op zelfstandige verzoeken, met bijlagen. Op 28 november 2025 is de behandeling op een zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Beoordeling Aan de rechtbank liggen nog de door de vader ingediende zelfstandige verzoeken voor. De moeder heeft daarnaast op de zitting mondeling een verzoek gedaan op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW), in die zin dat zij verzoekt om te bepalen hoe de weken 1 t/m 4 uit de reguliere zorgregeling, zoals bepaald in de beschikking van 22 april 2025, verlopen als de reguliere zorgregeling wordt doorkruist door een vakantie. Wijziging zorgregeling De vader verzoekt om de zorgregeling uit de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025 te wijzigen. De vader heeft tegen deze zorgregeling ook hoger beroep ingesteld. De zitting bij het Hof zal plaatsvinden op 9 januari

  1. In de tussentijd zijn partijen op 16 oktober 2025 in onderling overleg overeengekomen dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling zal worden gewijzigd, omdat deze in het verband met werk van de vader feitelijk niet uitvoerbaar bleek. De vader verzoekt nu opnieuw om een wijziging. De rechtbank zal hierin niet meegaan. Ongeacht de vraag of het de rechtbank – gelet op het hoger beroep – vrijstaat om de zorgregeling nu te wijzigen, acht de rechtbank dit niet in het belang van [de minderjarige] . De rechtbank zal de voorlopige zorgregeling die partijen onderling zijn overeengekomen op 16 oktober 2025 vastleggen in een beschikking. Daarbij verblijft [de minderjarige] bij de vader gedurende drie weekenden per maand van vrijdagmiddag uit school/de BSO tot zondagavond 18.30 uur, waarbij de wissel plaatsvindt bij de McDonalds in [plaats 1] . Deze zorgregeling zal gelden totdat in hoger beroep een beslissing is genomen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Inschrijving BSO en basisschool De vader verzoekt subsidiair om te bepalen dat [de minderjarige] wordt ingeschreven op een BSO in [plaats 1] en, indien dat voor de BSO nodig is, ook op een basisschool in [plaats 1] . De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen. Conform de zorgregeling, zoals hiervoor besproken, kan de vader [de minderjarige] uit school of de BSO in [plaats 2] halen. Daarnaast acht de rechtbank het ook niet in het belang van [de minderjarige] om (opnieuw) te wisselen van school en naar school of een BSO te gaan op een plek waar zij niet woont. Vakanties De vader verzoekt verder om een wijziging van de in de beschikking van 22 april 2025 opgenomen verdeling van de vakanties ten aanzien van de herfst- en kerstvakantie
  2. De herfstvakantie heeft al plaatsgevonden, zodat de vader hierbij geen belang meer heeft. Ten aanzien van de kerstvakantie 2025 geldt dat de verdeling van deze vakantie ook voorligt in het hoger beroep. De rechtbank ziet – in het licht van wat de vader hierover heeft aangevoerd – geen aanleiding om nu een wijziging aan te brengen in de verdeling van de kerstvakantie 2025, zoals opgenomen in de echtscheidingsbeschikking. Verhouding reguliere zorgregeling en vakantieregeling Tussen partijen is in de afgelopen periode discussie ontstaan over de vraag van het verloop van de weken van de reguliere zorgregeling, als deze wordt doorkruist door een vakantie. De moeder heeft daarom aan rechtbank verzocht om hierover een beslissing te nemen. In ieder geval is tussen partijen niet in geschil dat de vakantieregeling vóórgaat op de reguliere zorgregeling. De vader is van mening dat na een vakantie weer bij week 1 van de reguliere zorgregeling wordt begonnen; volgens de moeder moet er worden doorgeteld vanaf de week waar partijen waren gebleven. De rechtbank sluit aan bij het standpunt van de moeder: als de zorgregeling wordt onderbroken door een vakantie, dan wordt na de vakantie doorgeteld, ongeacht het aantal weken vakantie. Bijvoorbeeld: na week 1 is er een vakantie van twee weken, dan wordt na de vakantieweek weer gestart bij week, 2, week 3, et cetera. Rugby In de afgelopen periode is [de minderjarige] door de moeder ingeschreven op rugby, zonder toestemming hiervoor te vragen aan de vader. De vader is het niet eens met deze inschrijving. Volgens hem is de inschrijving vooral ingegeven door de nieuwe partner van de vrouw en diens familie. Hoewel de moeder ziet dat [de minderjarige] plezier beleeft aan de rugby, merkt zij ook dat [de minderjarige] het lastig vindt, omdat zij weet dat haar vader tegen het rugbyen is. Op de zitting is daarom door de moeder toegezegd dat [de minderjarige] voorlopig niet naar rugby zal gaan, in ieder geval tot het moment dat de ouders dit onderwerp hebben kunnen bespreken bij het traject Parallel Solo Ouderschap. Communicatie De vader heeft ook verzocht aan de rechtbank om vast te leggen dat de communicatie tussen de ouders enkel tussen hen onderling zal plaatsvinden. De partner van de moeder is op dit moment vaak betrokken en de vader ervaart dit als zeer belemmerend. Het is echter niet aan de rechtbank om te beslissen of en hoe de communicatie tussen partijen en derden plaats moet vinden. De procedure loopt immers enkel tussen partijen. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Daarnaast is naar oordeel van de rechtbank de wijze van communiceren bij uitstek een onderwerp waarover partijen afspraken kunnen maken in het ouderschapstraject. Partijen hebben voor (in ieder geval) de komende periode wel de intentie uitgesproken om zoveel mogelijk rechtstreeks te communiceren. Terugbetalen kinderbijslag Tussen partijen is in geschil hoe omgegaan moet worden met de (al gestorte) kinderbijslag voor [de minderjarige] . Door de moeder is gesteld dat de vader niet-ontvankelijk is in dit verzoek. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1718). Hieruit volgt dat een geschil over de uitvoering van de financiële afspraken over kinderen, kan worden opgevat als een geschil zoals bedoeld in artikel 1:253a BW. De vader zal daarom worden ontvangen in zijn verzoek. Uit de beschikking van 22 april 2025 volgt dat partijen op de zitting van 21 maart 2025 zijn overeengekomen dat de kinderbijslag zal worden gestort op een bankrekening op naam van [de minderjarige] . Gebleken is dat de moeder deze bijdrage heeft gestort op een nieuw door haar geopende beleggingsrekening op naam van [de minderjarige] bij Brand New Day (met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ), in plaats van de bestaande spaarrekening bij de ING-bank (met rekeningnummer [rekeningnummer 2] ). Op de zitting van 28 november 2025 is afgesproken dat partijen elkaar inzage zullen geven in beide rekeningen. Hetgeen al op de rekening bij Brand New Day is gestort zal daarop blijven staan en moeder dient er voor te zorgen dat het saldo op die rekening in ieder geval gelijk is aan de kinderbeslag voor [de minderjarige] vanaf 21 maart 2025 tot en met 31 december
  3. Vanaf de volgende storting van de kinderbijslag (op 1 januari 2026) zal de moeder de kinderbijslag steeds storten op voornoemde spaarrekening van [de minderjarige] bij ING. Dwangsom De vader heeft op de zitting zijn verzoek om aan de beslissingen omtrent rugby, de onderlinge communicatie en de storting van de kinderalimentatie een dwangsom te verbinden, ingetrokken. De rechtbank hoeft hierover daarom geen beslissing meer te nemen. Proceskosten Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank, met wijziging in zoverre van de uitspraak van deze rechtbank van 22 april 2025: stelt vast dat partijen op 16 oktober 2025 zijn overeengekomen dat dat de minderjarige, [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , tot het moment waarop het Gerechtshof Den Haag uitspraak heeft gedaan over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, bij de man zal zijn: gedurende drie weekenden per maand (week 1, 2, 3) van vrijdag na schooltijd/de buitenschoolse opvang tot zondagavond 18.30 uur, waarbij de wissel plaatsvindt bij de McDonalds in [plaats 1] ; bepaalt dat ingeval de reguliere zorgregeling wordt onderbroken door een vakantie, na deze vakantie de reguliere zorgregeling wordt hervat met het weekend waar partijen waren gebleven; er wordt aldus doorgeteld; stelt vast dat partijen zijn overeengekomen dat [de minderjarige] niet naar rugby zal gaan in ieder geval tot het moment waarop partijen dit onderwerp hebben kunnen bespreken in het traject Parallel Solo Ouderschap; bepaalt dat de door de moeder te ontvangen kinderbijslag voor [de minderjarige] met ingang van 1 januari 2026 wordt gestort op de spaarrekening van [de minderjarige] bij de ING-bank met rekeningnummer [rekeningnummer 2] , ten name van [de minderjarige] en dat partijen elkaar over en weer inzage zullen geven in voornoemde bankrekening en de beleggingsrekening van [de minderjarige] bij Brand New Day, met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ; bepaalt dat het saldo op de beleggingsrekening van [de minderjarige] bij Brand New Day, met rekeningnummer [rekeningnummer 1] in ieder geval gelijk is aan de kinderbijslag voor [de minderjarige] van 21 maart 2025 tot en met 31 december 2025; een eventueel tekort zal door de moeder binnen een maand worden aangevuld; verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad; bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. A.S. Perniciaro, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.B. Boekema als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 december 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.