RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43950 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer 2] , eiser (gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. M. Smeulders). Procesverloop Bij besluit van 31 augustus 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser heeft tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 13 september 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 17 september 2025 gereageerd. De rechtbank heeft op 19 september 2025 het onderzoek gesloten. Overwegingen Als de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet als sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Namens eiser is aangevoerd dat verweerder dient te beoordelen of de vreemdeling een risico loopt op een schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) indien verweerder een land wil opnemen in het terugkeerbesluit. In dit geval heeft verweerder eiser niet gehoord over zijn bezwaren en mogelijk risico bij terugkeer naar Zuid-Afrika. Eiser heeft daarbij tevens verwezen naar het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, waaruit volgt dat de rechtbank moet toetsen of het terugkeerbesluit zou leiden tot een schending van het beginsel van non-refoulement. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat eiser op 31 augustus 2025 een asielverzoek aan de grens heeft ingediend en dat het verzoek in de grensprocedure is behandeld. Op 15 september 2025 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en is tevens aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd waarin is bepaald dat eiser dient terug te keren naar Pakistan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een voldoende actuele beoordeling heeft gemaakt op het risico op refoulement bij terugkeer naar Pakistan nu er in de asielprocedure een beoordeling is gemaakt of eiser te vrezen heeft voor vervolging dan wel of er in zijn geval sprake is van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Pakistan. Dat eiser volgens de gemachtigde niet is gehoord over een eventuele terugkeer naar Zuid-Afrika treft geen doel nu Zuid-Afrika niet in het terugkeerbesluit is opgenomen. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiser tijdens het nader gehoor van 10 september 2025 gevraagd is of er mogelijke redenen zijn waarom hij niet naar Zuid-Afrika uitgezet zou kunnen worden, waarop hij heeft verklaard dat die redenen er niet zijn. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig voortduurt. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. ECLI:EU:C:2024:892. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ECLI:EU:C:2022:858.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.