RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.19308 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. A. Weststrate). Procesverloop Bij besluit van 30 maart 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer M. Fayez. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Wat vindt eiseres? De opgelegde maatregel is onrechtmatig, omdat er aanwijzingen zijn dat eiseres minderjarig is. Dit blijkt uit de kopie van het paspoort, waardoor zij niet in bewaring mocht worden gesteld. Eiseres is ook onvoldoende gehoord voorafgaand aan de oplegging van de maatregel. Verder betoogt eiseres dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is, omdat het [bewaringsaccommodatie] (hierna: [bewaringsaccommodatie] ) geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Zij wijst in dat verband naar de prejudiciële vragen die zijn gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) bij verwijzingsuitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam van 20 maart
- Daarnaast voert eiseres aan dat de bewaringsmaatregel niet zo kort mogelijk duurt, zoals is bepaald in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Tot slot maak de niet ondertekende removal order, dat er geen zicht is op uitzetting. Wat is het oordeel van de rechtbank? Eiseres heeft erop gewezen dat op de kopie van het (Zuid-Afrikaanse) paspoort een andere geboortedatum staat dan op haar (Zimbabwaanse) identiteitskaart. Voor zover eiseres betoogt dat er aanwijzingen zijn dat zij minderjarig is, heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een originele Zimbabwaanse identiteitskaart waarop zij als meerderjarig staat geregistreerd. Ook uit de Eurodac-gegevens blijkt dat eiseres zelf heeft verklaard dat zij is geboren op [geboortedatum]
- Bovendien heeft eiseres bij aanvang van de zitting bevestigd op die datum geboren te zijn. In de enkele kopie van het paspoort waarop een andere datum staat, heeft verweerder dus geen aanleiding hoeven zien anders te concluderen. Verweerder heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat eiseres voorafgaand aan het opleggen van de bewaring voldoende in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze ten aanzien van de maatregel van bewaring te geven. Gelet op de door eiseres gegeven antwoorden, had verweerder ook geen aanleiding hoeven zien om in dit kader aanvullende vragen te stellen. Daarmee is voldaan aan de vereisten binnen deze procedure. Het betoog dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld, slaagt niet. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de maatregel van bewaring voor eiseres onredelijk bezwarend zijn en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De vraag of sprake is van onttrekkingsgevaar is in dit kader niet relevant, nu de maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw, dus met het oog op het grensbewakingsbelang. Onder verwijzing naar de uitspraken van de hoogste bestuursrechter van 28 juni 2024 en van 28 november 2024, is de rechtbank van oordeel dat voor het antwoord op de vraag of een vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in grensdetentie is gehouden, zoals is bepaald in artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, van belang is dat de minister tijdig op het asielverzoek heeft beslist en dat het asielberoep binnen afzienbare termijn op een zitting is behandeld. Artikel 83b, derde lid, aanhef en onder c, van de Vw geeft een termijn voor de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van een asielbesluit. Deze termijn is geen termijn als bepaald in artikel 9, derde lid, van de Opvangrichtlijn. Die bepaling schrijft voor dat de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming met spoed door de rechter moet worden getoetst en dat de lidstaten daarvoor een termijn vaststellen. De termijn daarvoor is neergelegd in artikel 94, vierde en vijfde lid, van de Vw. Verder is in artikel 6, derde lid, van de Vw, anders dan artikel 59b, derde en vierde lid, van de Vw, geen maximale duur voor de vrijheidsontnemende maatregel bepaald. Dat neemt niet weg dat het aan verweerder is om de voortgang van de behandeling van de asielprocedure te bewaken en een doorlopende belangenafweging te maken over de vraag of de bewaring gelet op de duur en de nog te verwachten duur daarvan, al dan niet onevenredig bezwarend moet worden geacht. Eiseres kan de uitkomst van die belangenafweging op elk moment ter toetsing voorleggen aan de bewaringsrechter in een beroep tegen de voortduring van de maatregel. In het geval van eiseres staat het beroep van haar asielprocedure op 3 juni 2025 gepland op zitting. Ten tijde van deze uitspraak bedraagt de termijn van haar grensdetentie ongeveer zeven weken. De duur van de maatregel is in dit geval nog niet zodanig lang, dat alleen al daarom het belang van eiseres zwaarder weegt dan het grensbewakingsbelang dat verweerder heeft bij handhaving van de maatregel. De rechtbank oordeelt dat de duur van de maatregel op dit moment niet zodanig lang is dat daarom het belang van eiseres zwaarder zou wegen dan het grensbewakingsbelang dat verweerder heeft bij voortzetting van de maatregel. De beroepsgrond dat er geen sprake is van zicht op uitzetting, wordt ook niet gevolgd, nu uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een rechtmatige bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Eiseres heeft tegen de afwijzing van de asielaanvraag beroep ingesteld, en de rechtbank moet hier nog een uitspraak over doen. Ook de omstandigheid dat de removal order niet is ondertekend, is dus niet van belang voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, nu sprake is van een maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw en eiseres zich nog in de asielprocedure bevindt. De rechtbank ziet verder geen grond voor het oordeel dat het [bewaringsaccommodatie] niet als een gespecialiseerde inrichting is aan te merken. In de uitspraken van 29 januari 2025 en 26 februari 2025 heeft de hoogste bestuursrechter geoordeeld dat het [bewaringsaccommodatie] als een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is aan te merken. Dit oordeel van de hoogste bestuursrechter ziet op een periode waarin gedetineerde vreemdelingen vanwege het ongebruikelijk hoge aantal asielzoekers waren onderworpen aan meer vrijheidsbeperkingen dan normaal. De rechtbank is niet gebleken dat eiseres aan meer beperkingen is onderworpen dan die door de hoogste bestuursrechter zijn betrokken. De in de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam opgenomen beschrijving van de verrichte schouw geeft evenmin blijk van zodanige verdergaande beperkingen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de uitspraak van het Hof af te wachten in verband met de beantwoording van de prejudiciële vragen. In afwachting van de uitleg van het Hof is de uitleg die de Afdeling aan het Unierecht heeft gegeven leidend. De rechtbank merkt tot slot de gemachtigde van eiseres heeft verzocht om de situatie van haar partner in de beoordeling van deze procedure te betrekken. Daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding, nu de rechtmatigheid van de bewaring voor beiden afzonderlijk moet worden beoordeeld. Ook als haar partner niet binnen veertien dagen zou zijn gehoord, leidt dat niet tot de conclusie dat de maatregel van bewaring jegens eiseres in deze zaak onrechtmatig is. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Bagheri Shirazi, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ECLI:NL:RBDHA:2025:
- ABRvS 28 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- ABRvS 28 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:
- ECLI:NL:RVS:2025:
- ECLI:NL:RVS:2025:789.