← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:26995

Rechtbank den haag Team handel - voorzieningenrechter zaak- / rolnummer: C/09/691954 / KG ZA 25-940 Vonnis in kort geding van 15 oktober 2025 in de zaak van [eiser] wonende te [woonplaats], thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [plaats 1], eiser, advocaat mr. M. Rafik te Amsterdam, tegen: DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag, gedaagde, advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag. Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 26 september 2025, met producties 1 tot en met 7; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 4; - de op 6 oktober 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd. 1.
  2. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op uiterlijk 20 oktober
  3. 2De feiten Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan. 2.
  4. [eiser] verblijft sinds 24 februari 2023 in detentie. Op 14 maart 2023 is [eiser] geplaatst op de Terroristische Afdeling (TA) van de Penitentiaire Inrichting (PI) [plaats 2]. 2.
  5. Bij vonnis van 28 juni 2024 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam [eiser] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. In dit vonnis heeft de rechtbank wettig en overtuigend bewezen verklaard dat [eiser] in de periode van 5 juni 2016 tot en met 1 april 2019 heeft deelgenomen aan de terroristische organisatie Islamitische Staat (IS), een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven. [eiser] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Op dit hoger beroep is nog niet beslist. 2.
  6. De selectiefunctionaris heeft op 28 mei 2025 besloten om [eiser] vanuit de TA van de PI [plaats 2] te plaatsen in het reguliere gevangenisregime van de PI [plaats 1]. [eiser] verblijft sinds 10 juni 2025 in de PI [plaats 1]. Uit de desbetreffende plaatsingsbeslissing volgt dat deze plaatsing werd ingegeven door het feit dat de IND op dat moment nog niet definitief over intrekking van de verblijfsvergunning van [eiser] had besloten (er lag wel een voornemen daartoe) en [eiser] dus op dat moment nog in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. De selectiefunctionaris heeft om die reden het belang van [eiser] bij een gefaseerde terugkeer in de samenleving groter geacht dan het belang dat wordt gediend met het afwachten van het definitieve besluit van de IND over de intrekking van diens verblijfsvergunning. Ook heeft de selectiefunctionaris bij zijn beslissing betrokken dat Reclassering Nederland in een rapport van 23 mei 2024 het risico op recidive en letsel ten aanzien van [eiser] heeft ingeschat als laag. 2.
  7. [eiser] is op 9 juli 2025 in het Operationeel Overleg (hierna: ‘OO’) besproken. In het verslag van dit overleg valt onder meer het volgende te lezen: 2.
  8. De selectiefunctionaris heeft [eiser] op 9 juli 2025 overeenkomstig het advies van het OO geplaatst op de lijst van gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico (hierna: ‘de GVM-lijst’) met het risicoprofiel ‘verhoogd’. De selectiefunctionaris heeft eveneens conform het advies van het OO tot die plaatsing besloten op basis van het criterium D (Radicalisering) als genoemd in artikel 2.1 van de Circulaire Gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico van 8 juli 2021 (hierna: ‘de Circulaire’). De directeur van P.I. [plaats 1] heeft naar aanleiding van deze plaatsing op de GVM-lijst diverse toezichtsmaatregelen aan [eiser] opgelegd. De directeur heeft op 14 juli 2025 mededeling gedaan aan [eiser] van zijn plaatsing op de GVM-lijst en de per die datum aan hem opgelegde toezichtsmaatregelen. In die mededeling valt onder meer het volgende te lezen: 2.
  9. Bij uitspraak van 22 juli 2025 heeft de voorzitter van de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) een verzoek van [eiser] tot schorsing van de met ingang van 14 juli 2025 aan hem opgelegde toezichtsmaatregelen afgewezen. 2.
  10. Bij beschikking van 9 september 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie de aan [eiser] toegekende verblijfsvergunning ingetrokken. Deze beschikking behelst eveneens een terugkeerbesluit. Ook heeft de Minister in de beschikking van 9 september 2025 een inreisverbod aan [eiser] opgelegd voor de duur van twintig jaar. 3Het geschil 3.
  11. [eiser] vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te veroordelen hem onmiddellijk van de GVM-lijst te verwijderen, zulks met veroordeling van de Staat in de proceskosten. 3.
  12. Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt, omdat de selectiefunctionaris in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten om hem op de GVM-lijst te plaatsen. Er bestaat volgens [eiser] ten aanzien van hem geen reden om aan te nemen dat bij hem sprake is van radicaal gedachtegoed dat een gevaar zou kunnen vormen voor de maatschappij en/of de orde, rust en veiligheid in de PI [plaats 1]. Ter onderbouwing van die stelling verwijst [eiser] naar het Duidingsrapport dat ‘Nuance door Training en Advies’ (NTA) op 27 oktober 2023 over hem heeft opgemaakt en het hem betreffende adviesrapport van Reclassering Nederland van 23 mei
  13. Uit beide rapportages blijkt volgens [eiser] dat bij hem geen sprake is van radicaal gedachtegoed. Daarbij wijst [eiser] er tevens op dat hij nog altijd ontkent dat hij het feit waarvoor hij door de rechtbank Rotterdam is veroordeeld heeft gepleegd. Met de opgelegde toezichtsmaatregelen is volgens [eiser] sprake van een verkapte voortzetting van het detentieregime, zoals dat voor hem gold in de TA, terwijl er op basis van zijn gedrag in detentie juist aanleiding werd gezien om hem over te plaatsen naar een inrichting met een regulier detentieregime. [eiser] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat de huidige set opgelegde toezichtmaatregelen hem ernstig beperkt en hiermee een vergaande inbreuk wordt gemaakt op zijn rechten. 3.
  14. De Staat voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken. 4De beoordeling van het geschil Bevoegdheid en ontvankelijkheid 4.
  15. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, om van de vordering van [eiser] kennis te nemen gegeven. [eiser] is in zijn vordering ook ontvankelijk, nu er voor hem geen andere rechtsgang open staat om tegen zijn plaatsing op de GVM-lijst op te komen. Beoordelingskader 4.
  16. Plaatsing van gedetineerden op de GVM-lijst is geregeld in de Circulaire. Uit de Circulaire volgt dat de beslissing om een gedetineerde in een bepaalde categorie op de GVM-lijst te plaatsen namens de Minister wordt genomen door de selectiefunctionaris op basis van een door het OO uitgebracht advies. Het OO is een landelijk samenwerkingsverband van bij het gevangeniswezen betrokken partijen, waaronder de selectiefunctionaris, de directeur van de PI, het GRIP en het Landelijk Parket/OM. Het OO brengt de risico’s ten aanzien van gedetineerden in kaart en adviseert over de categorie van de dreiging: ‘verhoogd’, ‘hoog’ of ‘extreem’. Bij het indelen in de categorieën ‘verhoogd’ en ‘hoog’ geldt dat het OO een inschatting maakt van de kans op en de impact van de dreiging(en) met betrekking tot de in de Circulaire vermelde GVM-criteria. Iedere gedetineerde op de GVM-lijst wordt na zes maanden opnieuw in het OO besproken, of eerder indien daartoe aanleiding bestaat. 4.
  17. De selectiefunctionaris komt bij de beslissing om een gedetineerde in een bepaalde categorie op de GVM-lijst te plaatsen en deze plaatsing te handhaven een grote mate van beoordelingsvrijheid toe. Dit betekent dat die beslissing door de civiele rechter in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst. Slechts wanneer die beslissing onbegrijpelijk is en de selectiefunctionaris dus in redelijkheid niet tot zijn plaatsingsbesluit c.q. zijn besluit om die plaatsing te verlengen, heeft kunnen komen, is er grond voor ingrijpen in kort geding. Inhoudelijke toetsing 4.
  18. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de selectiefunctionaris op 9 juli 2025 in redelijkheid kunnen besluiten om [eiser] op de GVM-lijst te plaatsen met het risicoprofiel ‘verhoogd’ op basis van het criterium D (Radicalisering). Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 4.
  19. [eiser] heeft vanaf 14 maart 2023 tot en met 9 juni 2025 verbleven op de TA van de PI [plaats 2]. Een beslissing tot plaatsing van een gedetineerde op een TA leidt er evenals een plaatsing in de extra beveiligde inrichting (EBI) te [plaats 2] automatisch toe dat de desbetreffende gedetineerde op de GVM-lijst wordt geplaatst met het risicoprofiel ‘extreem’. [eiser] stond dus ten tijde van zijn overplaatsing naar de PI [plaats 1] op de GVM-lijst met het risicoprofiel ‘extreem’. De Staat heeft gewezen op zijn vaste beleid dat verwijdering van de GVM-lijst stapsgewijs plaatsvindt door middel van afschaling van het risicoprofiel. Dit betekent dat zodra een gedetineerde uit de EBI of een TA wordt geplaatst het risicoprofiel in beginsel (eerst) wordt afgeschaald van ‘extreem’ naar ‘hoog’. 4.
  20. Naar de voorzieningenrechter begrijpt stelt [eiser] dat de selectiefunctionaris in zijn geval had moeten besluiten om hem – in afwijking van het hiervoor geschetste vaste beleid – bij het verlaten van de TA en plaatsing in de PI [plaats 1] onmiddellijk, dat wil zeggen zonder afschaling van zijn risicoprofiel, van de GVM-lijst te verwijderen. Die stelling moet worden gepasseerd. [eiser] is door de rechtbank Rotterdam strafrechtelijk veroordeeld vanwege deelname aan IS, een terroristische organisatie die – naar niet ter discussie staat – radicaal gedachtegoed aanhangt. [eiser] heeft weliswaar in deze kortgedingprocedure, net als in de strafprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep, aangevoerd dat van de door de rechtbank Rotterdam bewezenverklaarde deelname aan IS geen sprake is geweest, maar een inhoudelijke beoordeling van die stelling gaat het bestek van deze kortgedingprocedure te buiten en is voorbehouden aan de strafrechter in het nog lopende beroep tegen het vonnis van 28 juni
  21. Dit betekent dat in deze kortgedingprocedure moet worden uitgegaan van (de juistheid van) het vonnis van de strafrechter en meer in het bijzonder van de deelname van [eiser] aan IS, zoals de strafrechter wettig en overtuigend bewezen heeft verklaard. De omstandigheid dat – zoals [eiser] onder verwijzing naar de rapporten van NTA en Reclassering Nederland stelt – er tot op heden gedurende zijn detentie bij hem geen radicaal gedachtegoed is geconstateerd, rechtvaardigt niet de conclusie dat er niet langer een noodzaak bestaat om hem op de GVM-lijst te handhaven. De Staat heeft terecht opgemerkt dat het risico op radicalisering vanwege het hoge niveau van beveiliging en toezicht op de TA van de PI [plaats 2] zeer klein is. [eiser] verblijft nu vier maanden in de PI [plaats 1]. De Staat heeft gemotiveerd toegelicht dat [eiser] in de PI [plaats 1] is onderworpen aan minder (strenge) toezichtsmaatregelen dan gedurende zijn detentie op de TA in de PI [plaats 2]. [eiser] wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat zijn detentie in de PI [plaats 1] als gevolg van zijn plaatsing op de GVM-lijst met het risicoprofiel ‘verhoogd’ in feite een voortzetting is van zijn detentie op de TA in de PI [plaats 2]. Vanwege het feit dat [eiser] in de PI [plaats 1] aan minder strenge toezichtsmaatregelen is onderworpen dan in de PI [plaats 2], is alleszins begrijpelijk dat de selectiefunctionaris op 9 juli 2025 in lijn met het advies van het OO heeft besloten om het gedrag en de communicatie van [eiser] door middel van plaatsing op de GVM-lijst met risicoprofiel ‘verhoogd’ nog enige tijd te monitoren om te bezien of [eiser] ook onder het huidige detentieregime geen radicaal gedachtegoed ontwikkelt. Daarbij tekent de voorzieningenrechter aan dat de selectiefunctionaris wel degelijk oog heeft gehad voor het positieve gedrag dat [eiser] in detentie heeft laten zien. Het risicoprofiel van [eiser] is immers versneld afgeschaald van ‘extreem’ naar ‘verhoogd’ en de Staat heeft in deze procedure bevestigd dat [eiser] vervroegd, dat wil zeggen al in november 2025, opnieuw in het OO zal worden besproken. 4.
  22. Uit het voorgaande volgt dat verwijdering van de GVM-lijst, zoals door [eiser] is gevorderd, op dit moment niet aan de orde is. Die vordering zal dan ook worden afgewezen. 4.
  23. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de Staat worden begroot op: - griffierecht € 714,-- - salaris advocaat € 1.107,-- - nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,-- 4.
  24. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5De beslissing De voorzieningenrechter: 5.
  25. wijst het gevorderde af; 5.
  26. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van de Staat ad € 1.999,--, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,-- extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.
  27. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.
  28. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober
  29. mw

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.