ECLI:NL:RBDHA:2025:27003
Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummers: FA RK 24-7560 (ontbinding) en FA RK 25-2383 (verdeling) Zaaknummers: C/09/674480 (ontbinding) en C/09/682723 (verdeling) Datum beschikking: 23 december 2025 Ontbinding geregistreerd partnerschap met nevenvoorzieningen Beschikking op het op 23 oktober 2024 ingekomen verzoek van: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. P.E. Epping te Rotterdam .
Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. H.H.M. de Vries-Veringa te Lisse.
Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
Op 18 november 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
Na de zitting heeft de rechtbank nog op 19 december 2025 een e-mail van de zijde van de vrouw ontvangen.
Feiten
Verzoek en verweer De vrouw heeft in haar verzoekschrift verzocht tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen met nevenvoorzieningen tot:
De man heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap, de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de (in het verzoekschrift verzochte) kinderalimentatie van € 50,- per kind per maand. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht om de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uit te spreken met nevenvoorzieningen tot:
De vrouw heeft verzocht het verzoek van de man tot uitspreking van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap en het verzoek tot bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de vrouw toe te wijzen. De vrouw heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
Bij F9-formulier van 6 november 2025 heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de kinderalimentatie gewijzigd en verzoekt nu een door de man te betalen kinderalimentatie van € 306,- per kind per maand te bepalen.
De man heeft mondeling verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling Ontbinding geregistreerd partnerschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu het geregistreerd partnerschap in Nederland is aangegaan, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 4, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met betrekking tot het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap rechtsmacht toe.
De rechtbank zal op grond van artikel 10:86 van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht toepassen op het verzoek.
Ontvankelijkheid Bij het indienen van een verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van de kinderen tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap.
Inhoudelijke beoordeling De vrouw heeft gesteld dat het geregistreerd partnerschap duurzaam is ontwricht. De man erkent het voorgaande, zodat het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
Overwegingen rechtbank De man heeft ingestemd met het verzoek van de vrouw tot bepaling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu niet is gebleken dat het belang van de kinderen zich hiertegen verzet.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken Zoals reeds is medegedeeld aan partijen heeft de rechtbank op 27 oktober 2025 van de Raad voor de Kinderbescherming bericht ontvangen dat het rapport van de Raad nog niet gereed is en de Raad daarom uitstel moet vragen. De rechtbank heeft het uitstel verleend. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tot 1 maart 2026 aanhouden.
Kinderalimentatie Rechtsmacht en toepasselijk recht Nu de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Overwegingen rechtbank De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw verzoekt thans om bepaling van een kinderalimentatie van € 306,- per kind per maand. Gelet op het feit dat de man in punt 46 van zijn verweerschrift tevens zelfstandig verzoek zelf heeft aangegeven over een inkomen te beschikken dat minimaal vergelijkbaar is met het inkomen van de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat het op zijn weg had gelegen om te onderbouwen dat de door de vrouw geschatte draagkracht van de man onjuist is (nu de vrouw aan de kant van de man rekent met een lager inkomen dan bij haarzelf). De rechtbank zal daarom een voorlopige kinderalimentatie vaststellen en bij de berekening daarvan aansluiten bij het verzoek van de vrouw, met dien verstande dat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van 5%, (gelet op de huidige zorgregeling tussen de man en de kinderen). De zorgkorting bedraagt dan € 43,- per maand (5% van € 850,-, de behoefte van elk van de kinderen die uit de berekening van de vrouw volgt). De rechtbank zal de voorlopige kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking, 23 december 2025, nu partijen het over deze ingangsdatum eens zijn.
Gelet op het voorgaande is de man gehouden om voorlopig met ingang van 23 december 2025 een bedrag van € 263,- (€ 306,- - € 43,-) per maand per kind aan de vrouw te voldoen aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie aanhouden tot een nader te bepalen zitting waarop ook de verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken worden behandeld. Tijdens die mondelinge behandeling kan dan worden besproken of de voorlopige kinderalimentatie als definitief kan worden vastgesteld of dat van andere cijfers moet worden uitgegaan. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de man zowel aan de vrouw als aan de rechtbank inzage zal geven in zijn inkomenssituatie, zodat met zijn actuele inkomensgegevens kan worden gerekend.
Verdeling partnerschapsgemeenschap Rechtsmacht en toepasselijk recht Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij rechtsgeldige overeenkomst de Nederlandse rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van het verzoek met betrekking tot hun partnerschapsvermogen. Krachtens artikel 6, onder a van de Verordening vermogensrechtelijke gevolgen geregistreerde partnerschappen heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht ten aanzien van het verzoek met betrekking tot hun partnerschapsvermogen, nu partijen op het tijdstip van het aanbrengen van de zaak hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Op grond van artikel 10:71 BW (oud) wordt het partnerschapsvermogen beheerst door het Nederlands recht, aangezien het partnerschap is aangegaan in Nederland en niet gesteld of gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap.
Wettelijke beperkte gemeenschap van goederen Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan op 16 oktober 2018. Niet gesteld of gebleken is dat partijen partnerschapsvoorwaarden hebben gemaakt. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW (in samenhang met artikel 1:80b BW) moet worden aangenomen dat partijen een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen.
De rechtbank overweegt dat nu sprake is van een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) ontbonden partnerschapsgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het geregistreerd partnerschap reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het geregistreerd partnerschap (en voorafgaand aan het verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de geregistreerd partners in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum 23 oktober 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 23 oktober 2024.
Omvang De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen ter beoordeling aangedragen: het woonhuis aan de [adres 1] met de daaraan verbonden hypothecaire geldlening; de inboedel; de bankrekeningen;
Ad a. het woonhuis De vrouw heeft aangegeven dat zij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de vrouw de gelegenheid krijgt om te bezien of zij de man kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. De man heeft hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de vrouw en, in het geval de vrouw daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde.
Vergoedingsrecht vrouw in verband met aanwending privévermogen bij aankoop echtelijke woning en investeringen in de echtelijke woning De vrouw stelt dat zij een vergoedingsrecht op de man heeft van € 74.995,68. In dit kader heeft zij het volgende naar voren gebracht. De vrouw was eigenaar van de woning aan de [adres 2] te [plaats] . De vrouw heeft deze woning gedurende het geregistreerd partnerschap verkocht en de vrijgekomen middelen ingebracht bij de koop van de echtelijke woning.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als aan de vrouw een vergoedingsrecht zou toekomen, omdat hij gedurende het geregistreerd partnerschap geldbedragen (waaronder zijn salaris), op de gezamenlijke rekening heeft gestort waarvan ook de kosten van de echtelijke woning werden betaald.
De vrouw heeft in reactie daarop aangegeven dat het salaris van de man pas vanaf augustus 2021 op de gezamenlijke rekening werd gestort, op welk moment de woning in [plaats] reeds was verkocht. Gedurende de periode dat de woning in [plaats] nog tot het eigendom van de vrouw behoorde, heeft de man af en toe bedragen overgemaakt naar de rekening die zij gezamenlijk gebruikten, maar dit waren – naar de rechtbank begrijpt – geen substantiële geldbedragen en deze zijn ook niet op structurele basis overgemaakt. Hierom is het volgens haar niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat de gehele opbrengst van € 74.995,68 aan haar toekomt.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de woning in [plaats] tot het privévermogen van de vrouw behoorde. De vrouw heeft deze woning gedurende het geregistreerd partnerschap verkocht, waardoor de opbrengst daarvan in beginsel ook tot het privévermogen van de vrouw behoort en buiten de partnerschapsgemeenschap valt. De rechtbank is als gevolg hiervan van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om te onderbouwen dat het door de vrouw gestelde vergoedingsrecht in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De man heeft echter geen stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat hij, gedurende de periode dat de woning in [plaats] in eigendom van de vrouw was, zodanige geldbedragen op de gezamenlijke rekening heeft overgemaakt waardoor het onredelijk zou zijn als de opbrengst van de woning in [plaats] alleen aan de vrouw zou toekomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat het niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid dat de volledige verkoopopbrengst alleen toekomt aan de vrouw. De vrouw heeft dan ook uit hoofde van artikel 1:95, tweede lid, BW het door haar gestelde vergoedingsrecht van € 74.995,68. De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw of een derde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht.
Ad b. de inboedel Volgens de vrouw heeft de man reeds inboedelgoederen meegenomen alsmede inboedelgoederen vernield in de periode dat hij als enige in de echtelijke woning verbleef. De vrouw heeft geen waarde van de inboedel kunnen bepalen en verzoekt de inboedel aan haar toe te bedelen zonder verrekening.
De man ontkent dat hij inboedelgoederen heeft vernield en beraadt zich nog over de inboedel die hij zou willen ontvangen.
Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij zijn laptop wil hebben. De vrouw heeft hiermee ingestemd. De vrouw heeft aangegeven dat de man daarnaast kan komen kijken in de echtelijke woning en dan mag aangeven wat hij van de inboedel wil hebben, mits hij de bedden van de kinderen laat staan. De rechtbank heeft op de zitting besproken dat partijen met elkaar een moment zullen plannen waarop de man in de woning kan kijken en kan bepalen wat hij van de inboedel wil meenemen, waarbij geldt dat de bedden van de kinderen in de echtelijke woning zullen blijven. De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad c. de bankrekeningen Partijen zijn het er op de zitting over eens dat de saldi op de bankrekeningen eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen, [rekeningnummer 2] op naam van de vrouw en [rekeningnummer 3] op naam van partijen, tussen partijen per peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Op de zitting is besproken dat de hypotheeklasten, de premie overlijdensrisicoverzekering en de premie voor de uitvaartverzekering van de man momenteel worden afgeschreven van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van partijen. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze afschrijvingen naar een andere bankrekening zullen overzetten, waarna de gezamenlijke rekeningen na verrekening zullen worden opgeheven. De rechtbank verwacht dat partijen hier beiden hun medewerking aan zullen verlenen.
Het verzoek van de vrouw dat de man een bedrag ad € 8.740,- aan de vrouw dient te voldoen ter zake hetgeen hij van de gemeenschappelijke rekening heeft gehaald, is – naar de rechtbank uit de e-mail van 19 december 2025 begrijpt – ingetrokken.
Met betrekking tot de spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van [minderjarige 2] en de spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van [minderjarige 1] overweegt de rechtbank dat deze bankrekeningen buiten de verdeling vallen, omdat deze toebehoren aan de kinderen. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij geldbedragen van de rekeningen van de kinderen heeft overgemaakt en deze bedragen apart heeft gezet. De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze geldbedragen – voor zover dat nog niet gebeurd is – binnen 14 dagen na de beschikking op de rekeningen van de kinderen zal terugstorten. Dit leent zich echter niet voor opname in het dictum.
Ad d. de auto Op de zitting heeft de vrouw het verzoek ten aanzien van de auto ingetrokken. De rechtbank hoeft op dat verzoek daarom niet meer te beslissen.
Conclusie De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de partnerschapsgemeenschap afwijzen.
Voortgezet gebruik echtelijke woning Partijen zijn het op de zitting erover eens dat het voortgezet gebruik van de echtelijke woning slechts mogelijk is gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand. De vrouw heeft verzocht aldus te bepalen.
De man heeft geen bezwaar tegen het voortgezet gebruik van de echtelijke woning door de vrouw, mits hem een gebruiksvergoeding wordt toegekend.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw verblijft momenteel met de kinderen in de echtelijke woning. Zoals opgenomen in het dictum wordt de vrouw in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden na inschrijving van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap in de registers van de burgerlijke stand te onderzoeken of zij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien blijkt dat de vrouw niet in staat is om de overname van de woning te financieren, acht de rechtbank het redelijk dat zij nog drie maanden in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning voor haarzelf en de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen voor een termijn van zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank als na te melden.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning De man heeft primair verzocht een gebruiksvergoeding vast te stellen gelijk aan de huurwaarde. Subsidiair heeft de man verzocht een gebruiksvergoeding vast te stellen die gebaseerd is op een percentage van zijn aandeel in de overwaarde van de woning. Ook heeft de man verzocht te bepalen, indien en voor zover door toedoen van de vrouw een achterstand ontstaat in de betalingen van de hypotheekrente met betrekking tot de gemeenschappelijke woning, dat de vrouw gehouden zal zijn de achterstallige rente en aflossing aan de beperkte gemeenschap te vergoeden.
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek van de man. Zij heeft gesteld dat zij op dit moment de vaste lasten van de woning betaalt. De vrouw is financieel niet in staat om daarbovenop ook nog een gebruiksvergoeding aan de man te voldoen. Verder heeft de vrouw betwist dat sprake is van een achterstand in de betaling van de hypotheeklasten.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting is gebleken dat de vrouw vanaf 1 januari 2025 zowel de hypotheekaflossing als de rente volledig draagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door de vrouw – na inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand – aan de man te betalen gebruiksvergoeding gelijk te stellen aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning, die de man aan de vrouw verschuldigd is, zodat deze tegen elkaar weggestreept kunnen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan de man toe te kennen. De rechtbank zal aldus beslissen en het meer of anders verzochte te dien aanzien afwijzen.
Proceskosten Nu de rechtbank een beslissing over de zorgregeling en de kinderalimentatie zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.
Beslissing De rechtbank: spreekt uit de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen, aangegaan op 16 oktober 2018 te [plaats] ; bepaalt dat de minderjarigen:
Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 23 december 2025.