← Nederland

ECLI:NL:RBDHA:2025:27165

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: SGR AWB 25/3482 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2025 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: S. Matadin), en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder. Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van verweerder van 8 april
  2. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 18 december 2025 dit besluit heeft ingetrokken en een nieuw besluit op zijn bezwaar heeft genomen. 1.
  3. De rechtbank heeft verweerder op 23 december 2025 in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. 1.
  4. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank
  5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
  6. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. 3.
  7. Op 9 mei 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarin het bezwaar van verzoeker ongegrond is verklaard. Verweerder heeft op 18 december 2025 dit besluit ingetrokken en een nieuw besluit op het bezwaar van verzoeker genomen. Bij dat nieuwe besluit is aan verzoeker de gevraagde VOG wel verleend. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
  8. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten en verweerder moet deze betalen.. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op een bedrag van € 934 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verweerder moet ook het griffierecht vergoeden. Beslissing De rechtbank: wijst het verzoek toe als kennelijk gegrond; veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker; draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoeker te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 januari
  9. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Met toepassing van artikel 8:54 en artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verklaring Omtrent het Gedrag Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.