RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57091 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.C. van Paridon), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Juriaans). Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Zyad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Informatieplicht en voortvarend handelen 1. Eiser betoogt dat verweerder zijn informatieplicht, als bedoeld in de artikelen 8:31 en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden. Daartoe voert eiser enerzijds aan dat verweerder een groot aantal stukken heeft ingebracht die hooguit zijdelings te maken hebben met de inbewaringstelling, en verweerder anderzijds de echt relevante stukken niet heeft toegevoegd. Zo heeft verweerder nagelaten om de rappels, waar in de aanbiedingsbrief van 2 december 2025 naar wordt verwezen, met stukken te onderbouwen. Derhalve kan niet worden gecontroleerd of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Gemachtigde van eiser wijst daarbij op vier zaken waarin de rechter had verzocht de rappels te onderbouwen en waaruit bleek dat dit in die gevallen niet correct was gebeurd. Dit handelen van verweerder levert voorts een schending op van het beginsel van een eerlijk proces. 2. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 8:42 van de Awb volgt dat het aan verweerder is om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hieraan voldaan en beschikt de rechtbank over voldoende informatie en stukken om de rechtmatigheid van de bewaring te kunnen beoordelen en om te kunnen beoordelen of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting. Zo bevinden zich in het dossier de verslagen van twee vertrekgesprekken die na de huidige inbewaringstelling met eiser zijn gevoerd. Daarnaast bevat het dossier de aanbiedingsbrief van 2 december 2025, waarin informatie van de regievoerder is opgenomen over de inbewaringstelling en uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de feitelijke juistheid van deze informatie te twijfelen. De enkele stelling dat in vier andere zaken, waarin de rechter had verzocht de rappels met stukken te onderbouwen en bleek dat daar iets mis mee was gegaan, is onvoldoende aanleiding om te concluderen dat verweerder de rappels in het onderhavige geval ook met stukken had moeten onderbouwen. 2.1. Wat betreft de beoordeling of verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser, overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting op de zevende dag voldoende voortvarend is. Uit het dossier blijkt dat verweerder op de vijfde dag van de inbewaringstelling, op 28 oktober 2025, een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Een verslag daarvan bevindt zich ook in het dossier. Daarnaast volgt uit de aanbiedingsbrief van 2 december 2025 dat verweerder op 27 oktober 2025 en 2 december 2025 de landvertegenwoordiger Marokko heeft gevraagd naar de mogelijkheden om de laissez-passer (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.