Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-3845 Zaaknummer: C/09/685667 Datum beschikking: 24 december 2025 Informele rechtsingang ex artikel 1:377g BW Benoeming bijzondere curator ex artikel 1:250 BW Beschikking naar aanleiding van de op 26 mei 2025 en 2 september 2025 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van: [minderjarige 1] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als belanghebbenden worden aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, advocaat mr. B. Beekman uit Noordwijk, en [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres. Als informant wordt aangemerkt: de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland, gevestigd te Leiden, hierna te noemen de gecertificeerde instelling, Procedure Bij brieven ingekomen op 26 mei 2025 en 2 september 2025 heeft [minderjarige 1] zich tot de rechtbank gewend. [minderjarige 1] heeft op 8 oktober 2025 tijdens een gesprek in raadkamer haar brieven toegelicht. Op 25 november 2025 is op de zitting van deze rechtbank zowel de onderhavige zaak als het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] (C/09/693018 / JE RK 25-1757) gecombineerd behandeld. Op het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is bij afzonderlijke beschikking van 25 november 2025 beslist. De vader heeft in de procedure naar aanleiding van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling documenten toegestuurd, zoals is besproken tijden de zitting. De rechtbank heeft ook in deze procedure kennisgenomen van die stukken. Op de zitting zijn verschenen: - de vader; - de moeder met haar advocaat; - [naam] als vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling. De kinderrechter heeft [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] naar hun mening over het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben hierover op 24 november 2025 in raadkamer een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Omdat de beide procedures gecombineerd zijn behandeld heeft de kinderrechter tijdens de zitting samengevat weergegeven wat [minderjarige 1] en [minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] heeft geen mening gegeven. Feiten - De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. - Zij zijn de ouders van: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ; [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] , [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2016 in [geboorteplaats] . - [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] zijn erkend door de vader. - De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . - Bij beschikking van 19 januari 2021 is de volgende zorgregeling bepaald: - op maandag na school tot woensdagochtend naar school zijn de kinderen bij de moeder; - op woensdag na school tot vrijdag naar school zijn de kinderen bij de vader; - in de even weken zijn de kinderen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de moeder; - in de oneven weken zijn de kinderen van vrijdag na school tot maandag naar school bij de vader. Aanvraag en reacties ouders [minderjarige 1] heeft de kinderrechter in haar brieven en tijdens het gesprek gevraagd om wijziging van de zorgregeling. Zij heeft daarbij gezegd dat zij het liefste helemaal niet meer, maar in ieder geval minder vaak naar haar vader wil toegaan. Dat is de aanleiding voor de onderhavige procedure. De kinderrechter heeft opnieuw met [minderjarige 1] en ook met [minderjarige 3] gesproken in verband met het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Tijdens dit gesprek heeft ook [minderjarige 3] aangegeven dat zij minder vaak naar de vader wil gaan. Tijdens het kindgesprek met [minderjarige 2] dat in november 2024 heeft plaatsgevonden in het kader van het verzoek om een ondertoezichtstelling heeft ook [minderjarige 2] aangegeven dat hij minder vaak bij de vader wil zijn. De moeder steunt de kinderen in hun wens. Ze wil graag dat de kinderen contact hebben met de vader. In dat kader heeft ze eerder ook voorstellen gedaan om het contact tussen de vader en de kinderen overzichtelijk voor hen te houden, maar tegelijkertijd constateert de moeder dat er een aanhoudende wens van de kinderen is om minder/geen contact met de vader te willen hebben. De moeder wil de kinderen steunen in hun wens. Ook wil de moeder graag rust voor de kinderen en wil zij hen niet dwingen tot hulpverlening. De vader heeft steeds gezegd dat het probleem is ontstaan door het ontbreken van emotionele toestemming van de moeder. Ook door het overleggen van stukken heeft de vader willen aantonen dat het probleem zich al voortdoet sinds het uiteengaan van de ouders. De vader vindt het nodig dat er systeemtherapie gaat plaatsvinden en dat de kinderen hulp krijgen. Volgens de vader komt dit niet van de grond door de houding van de moeder. De vader is bang voor het verliezen van contact met de kinderen als er niks verandert aan de situatie en als de zorgregeling wordt aangepast in die zin dat hij de kinderen minder vaak ziet. De vader heeft voorbeelden gegeven van de afwijzing van hem en zijn partner door de kinderen. Zo heeft hij bijvoorbeeld gewezen op een foto van de tekst op de kast van [minderjarige 1] , op hoe de kinderen hun halfzusje noemen en op het feit dat de vader bij zijn voornaam wordt genoemd. Ook heeft de vader erop gewezen dat [minderjarige 3] heeft aangegeven dat zij de achternaam van de moeder wil dragen. Namens de gecertificeerde instelling is op de zitting aangegeven dat het belangrijk is dat er naar de kinderen wordt geluisterd, dat de kinderen centraal moeten worden gezet en dat de ouders zich aan de kinderen moeten aanpassen. Het is intensief dat de kinderen steeds weer met iemand moeten praten zonder dat er iets in hun situatie verandert. De vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling heeft benadrukt dat zij van mening is dat er eerst iets in de situatie moet veranderen en dat daarna moet worden bekeken of hulp nodig is voor de kinderen en/of de ouders of dat moet worden bijgestuurd. Beoordeling De rechtbank overweegt allereerst dat zij aanleiding ziet om in deze procedure te beslissen ten aanzien van zowel [minderjarige 1] als ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De procedure is weliswaar aangevangen door de brieven van [minderjarige 1] , maar de rechtbank ziet aanleiding om deze uit te breiden naar [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nu zij eenzelfde mening kenbaar hebben gemaakt. De kinderen uiten hun wens allemaal op een andere manier, maar de situatie van de kinderen is zodanig verweven dat de rechtbank in haar beslissing vooralsnog geen onderscheid wil maken tussen de kinderen. De rechtbank stelt voorts vast dat sprake is van een ingewikkelde situatie. Er is al geruime tijd sprake van een situatie waarin de kinderen de vader in toenemende mate afwijzen. De ouders duiden deze afwijzing allebei op een verschillende manier en zijn het niet eens over de vraag hoe hiermee moet worden omgegaan. Het is duidelijk dat de ouders niet in staat zijn de situatie voor de kinderen te verbeteren. Ook is duidelijk dat de ondertoezichtstelling nog niet tot verbetering van de situatie van de kinderen heeft geleid. Het is de jeugdbeschermer tot op heden niet gelukt om de dynamiek te veranderen en samen met de ouders een situatie te bereiken waarin de kinderen met beide ouders onbelast contact kunnen hebben. De rechtbank ziet zich in deze ingewikkelde situatie voor de vraag gesteld welke beslissing in het belang van de kinderen is. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat er verschillende belangen spelen die niet met elkaar in overeenstemming zijn. De rechtbank heeft oog voor de verschillende belangen en het feit dat beide ouders ervan overtuigd zijn dat zij handelen in het belang van de kinderen. Die overtuiging heeft echter een situatie veroorzaakt waarin de kinderen het gevoel hebben dat er niet naar hen wordt geluisterd. De rechtbank is van oordeel dat deze situatie moet worden doorbroken en neemt daarbij als uitgangspunt dat een beslissing moet worden genomen waarbij het belang van de kinderen voorop staat. De rechtbank kan op dit moment echter nog niet goed duiden welke beslissing het meest in het belang van de kinderen is. Ingevolge artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De rechtbank kan dit doen als -in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige- de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De rechtbank moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve. De rechtbank zal in het belang van de kinderen ambtshalve een bijzondere curator benoemen, nu naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:250 BW. Uit de stukken en tijdens de gesprekken met de kinderen is gebleken dat de kinderen een bepaalde weerstand ervaren bij de naleving van de zorgregeling met de vader. Het is de rechtbank echter niet geheel duidelijk waar deze weerstand uit voortkomt en wat hieraan ten grondslag ligt. De rechtbank acht het in het belang van de kinderen dat een bijzondere curator wordt benoemd om te onderzoeken wat de oorzaak is van hun weerstand en wat nodig is om de kinderen in deze situatie te ondersteunen. De rechtbank hoopt door de benoeming van de bijzondere curator meer zicht te krijgen op de mening en situatie van de kinderen en beter te kunnen beoordelen of het in het belang van de kinderen noodzakelijk is om ambtshalve een beslissing te nemen over wijziging van de zorgregeling. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank een bijzondere curator over de kinderen benoemen. Deze onafhankelijke persoon zal de kinderen vertegenwoordigen. De rechtbank stelt hierbij vast dat mogelijk sprake is van uiteenlopende rechtsbelangen van de kinderen, nu de positie van elk kind anders zou kunnen zijn. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om hiermee rekening te houden bij het vervullen van haar opdracht. De rechtbank verzoekt de bijzondere curator om – voor zover mogelijk –: te onderzoeken wat de wensen en behoeften van de kinderen ten aanzien van contact met de vader zijn en waar de weerstand tegen contact met de vader vandaan komt; te onderzoeken op welke wijze de kinderen het contact met de vader minder belastend zouden vinden; aan de hand van gesprekken met de kinderen (en de beide ouders en, indien door de bijzondere curator gewenst, ook de jeugdbeschermer) te bezien welke praktische afspraken gemaakt kunnen worden voor de invulling van een zorgregeling met de vader die recht doet aan de belangen van de kinderen; aan de hand van de gesprekken met de kinderen (en de beide ouders) te bezien of er een mogelijkheid bestaat om de visie van de kinderen met de vader te delen en de kinderen daarbij, desgewenst, te begeleiden. Het staat de bijzondere curator vrij om tussen de ouders en de kinderen te bemiddelen en te proberen tot een door alle betrokkenen gedragen oplossing te komen. Van haar bevindingen dient de bijzondere curator eind maart 2026 schriftelijk verslag te doen aan de rechtbank en aan de beide ouders. De bijzondere curator kan zo nodig ook namens de kinderen een (aanvullend) verzoek doen tot wijziging van de zorgregeling. De rechtbank zal in afwachting van dit verslag een beslissing op de aanvraag aanhouden tot 15 april
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.