Rechtbank DEN HAAG Enkelvoudige kamer Rekestnummer: FA RK 25-8802 Zaaknummer: C/09/694965 Datum beschikking: 24 december 2025 Voorlopige voorzieningen Beschikking op het op 20 november 2025 ingekomen verzoek: [de vrouw] , de vrouw, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: mr. M. Braat te ’s-Gravenhage. Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de man] , de man, wonende op een voor de rechtbank bekend adres, advocaat: W.N. Sardjoe te ’s-Gravenhage. Procedure De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder: het verzoekschrift; het verweerschrift met zelfstandige verzoeken; het F9-formulier van 10 december 2025, met bijlage, van de vrouw. Op 11 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en tolk J.M. van der Boom; de man, bijgestaan door zijn advocaat; [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Verzoek en verweer Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij is bepaald dat: - tussen partijen de volgende verdeling van de zorg zal gelden over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] : van maandagochtend tot woensdagochtend heeft de man de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de man en [de minderjarige] op maandag en dinsdag tussen 17.00 en 18.00 uur in de keuken zijn om te koken en te eten; van woensdagmiddag tot vrijdagochtend naar school heeft de vrouw de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de vrouw en [de minderjarige] op woensdag tussen 17.00 uur en 18.00 uur in de keuken zijn om te koken en eten en op donderdag tussen 17.30 en 18.30 uur; de weekenden in week 1 en 3 heeft de vrouw de zorg voor [de minderjarige] , waarbij de man in het weekend in week 1 niet in de echtelijke woning verblijft en in week 3 zijn de vrouw en [de minderjarige] tussen 17.00 uur en 18.00 uur in de keuken om te koken en te eten; in de weekenden in week 2 en 4 heeft de man de zorg voor [de minderjarige] ; gedurende de zomervakantie is [de minderjarige] in week 1 en 2 samen met de vrouw in de echtelijke woning, de man verblijft elders; gedurende de zomervakantie geldt in week 3 en 6 de reguliere zorgregeling zoals hierboven omschreven; gedurende de zomervakantie heeft de man de zorg voor [de minderjarige] in week 4 en 5. De vrouw verzoekt voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu bepaalt dat: [de minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd; er sprake zal zijn van een zorgregeling, inhoudende dat: [de minderjarige] bij de man zal zijn: wekelijks van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school en in de weekenden in week 2 en 4 van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn: wekelijks van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school en in de weekenden in week 1 en 3 van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; de man een voorlopige kinderalimentatie zal voldoen van € 600,- per maand; de man een voorlopige partneralimentatie zal voldoen van € 3.536,- bruto per maand, dan wel subsidiair van tenminste € 1.864,- bruto per maand, kosten rechtens. De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt de man zelfstandig om voormelde beschikking te wijzigen in die zin dat de rechtbank nu bepaalt dat: het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de man wordt toegewezen; primair: [de minderjarige] aan de man toevertrouwd; subsidiair: er een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld zoals deze thans loopt op grond van het co-ouderschap, waarbij de man [de minderjarige] bij zich zal hebben van vrijdag tot en met woensdag in de ene week en van maandag tot en met woensdag in de andere week, en de helft van de vakanties en feestdagen, althans een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank redelijk acht; uiterst subsidiair: de voorlopige kinderalimentatie wordt vastgesteld op grond van een co-ouderschap, op € 131,-- per maand, althans een bedrag vast te stellen dat de rechtbank redelijk acht, uitvoerbaar bij voorraad. Beoordeling Uitsluitend gebruik echtelijke woning Naar de rechtbank begrijpt, verzoekt de man om het uitsluitend gebruik van de woning voor de duur van het geding aan hem toe te wijzen. Nu de vrouw hiertegen geen verweer heeft gevoerd en inmiddels al een nieuwe woning heeft gevonden en daar ook ingeschreven staat, zal de rechtbank het verzoek van de man als onweersproken toewijzen. Toevertrouwing [de minderjarige] Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek ten aanzien van de toevertrouwing van [de minderjarige] ingetrokken, nu de man heeft toegezegd dat hij ermee akkoord is dat [de minderjarige] op het adres bij de vrouw ingeschreven staat en dat de vrouw de toeslagen voor [de minderjarige] ontvangt. Naar de rechtbank begrijpt, trekt de man zijn verzoek om [de minderjarige] aan hem toe te vertrouwen, ook in. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank op de over en weer gedane verzoeken tot toevertrouwing geen beslissing meer nemen. (Voorlopige) zorgregeling Ontvankelijkheid Op grond van artikel 824 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking inhoudende voorlopige voorzieningen worden gewijzigd of ingetrokken indien de omstandigheden na het geven van de beschikking zijn gewijzigd of indien bij het geven van de beschikking in zodanige mate van onjuiste of onvolledige is uitgegaan dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorlopige voorziening niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft bij beschikking van 16 juli 2025 een voorlopige verdeling van de zorg voor [de minderjarige] vastgesteld. De rechtbank neemt gewijzigde omstandigheden aan, omdat de woonsituatie ten opzichte van voornoemde beschikking veranderd is. Destijds woonden partijen nog samen in de echtelijke woning. Inmiddels is de vrouw verhuisd naar een andere woning. De rechtbank zal partijen daarom ontvangen in hun verzoeken. Inhoudelijke beoordeling Partijen zijn het eens over de voorlopige zorgregeling. De rechtbank zal deze regeling vaststellen in het dictum van de beschikking. Kinderalimentatie De vrouw verzoekt een voorlopige kinderalimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van dit verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken. Behoefte Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen. Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van ieder van partijen tijdens hun huwelijk worden bepaald. Partijen zijn het niet eens over het NBI van de vrouw, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De vrouw stelt dat er voor haar NBI tijdens het huwelijk moet worden uitgegaan van een inkomen van € 1.606,- per maand. Ter onderbouwing hiervan voert zij aan dat zij de eerste jaren van het huwelijk niet heeft gewerkt, maar dat zij, met zicht op de scheiding, vanaf november 2024 wel is gaan werken, en het afgelopen jaar € 1.606,- per maand heeft verdiend. Vervolgens hebben partijen nog ongeveer een jaar samengeleefd, wat maakt dat het gezinsinkomen – door het inkomen van de vrouw – het afgelopen jaar een stuk hoger is geweest. De man stelt op zijn beurt dat er bij de berekening van de behoefte van [de minderjarige] niet moet worden uitgegaan van inkomsten aan de zijde van de vrouw, nu zij pas in november van het jaar 2024 is gaan werken en er dus bijna het hele jaar voorafgaand aan het jaar van de scheiding
(2024)sprake van één inkomen, zijnde het inkomen van de man. De rechtbank zal voor het NBI van de vrouw niet uitgaan van een inkomen aan haar zijde. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat de welstand van het gezin gedurende vrijwel het hele huwelijk werd bepaald door het inkomen van de man, en de vrouw, naar zij zelf ook heeft aangegeven, pas met het zicht op de scheiding is begonnen met werken. Daarom vindt de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de situatie zoals die vrijwel het hele huwelijk was. Hieruit volgt dat haar NBI op het moment van het huwelijk (in 2024) € 0,- was. Partijen zijn het ook niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat ook zal berekenen. De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van een ondernemer als uitgangspunt de gemiddelde winst van de voorafgaande drie kalenderjaren, nu op deze wijze de (incidenteel) hoge en lage winsten worden gecompenseerd en een reëel beeld van de behaalde winst wordt gegeven. De rechtbank zal uitgaan van een gemiddeld resultaat over de jaren 2022, 2023 en
- Van het jaar 2025 zijn nog geen cijfers bekend. Wel vindt de rechtbank het redelijk om aan te sluiten bij de prognose van
- De man heeft deze prognose zelf opgesteld en overgelegd aan de vrouw, en heeft niet inhoudelijk weersproken dat de cijfers uit zijn prognose onjuist zijn. De rechtbank acht deze prognose daarom representatief. Zoals hierna zal blijken, wijkt het gemiddelde resultaat van voornoemde jaren ook niet ver af van het bedrag waar de man zelf mee rekent, zijnde de winst uit onderneming in 2023 van € 119.686,-. De rechtbank gaat uit van een winst uit onderneming in 2022 van € 91.922,-, van een winst uit onderneming in 2023 van € 119.686,-, en van de geprognosticeerde winst uit onderneming in 2024 van € 153.459,-. De gemiddelde winst uit onderneming van 2022, 2023 en 2024 bedraagt dan € 121.689,-. De man stelt er een bedrag van € 5.000,- aan pensioenafdracht in mindering dient te worden gebracht op zijn winst uit onderneming. De vrouw betwist dit, nu de man niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk een bedrag aan pensioen opzij zet. De rechtbank zal geen rekening houden met het door de man genoemde bedrag van € 5.000,- aan pensioenopbouw, omdat de man niet met nadere stukken heeft aangetoond dat hij jaarlijks € 5.000,- reserveert voor zijn pensioen. Verder houdt de rechtbank ook rekening met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI op € 6.209,- per maand. Gelet op het feit dat de rechtbank hiervoor uitgaat van de financiële situatie van partijen zoals die was in 2024, zal zij de behoefte van [de minderjarige] vaststellen naar het jaar 2024 (en niet naar het jaar 2025 waarin partijen feitelijke uit elkaar zijn gegaan). Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2024, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 880,- per maand voor [de minderjarige] in
- Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 937,- per maand. De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld. Draagkracht vrouw De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de man dat voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit. Zoals reeds eerder overwogen, wordt in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor het beoordelen van de verdiencapaciteit. Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 1.607,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank gaat hierbij, gelet op het feit dat de vrouw thans ziek thuis zit, uit van het periodesalaris zoals dat volgt uit de loonstroken van de vrouw van augustus, september en oktober van het jaar
- Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens. De rechtbank houdt verder rekening met de pensioenpremie van € 46,- per maand. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank haar NBI in 2025 op € 2.181,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de vrouw hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] gebruiken. De draagkracht van de vrouw bedraagt dan 70% x [NBI – (654 + 1.310)] = € 152,- per maand. De vrouw heeft op zitting nog aangevoerd dat zij substantieel hogere woonlasten heeft dan het woonbudget. Gelet op het verweer van de man ziet de rechtbank in het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure echter geen aanleiding om hiermee rekening te houden, ook omdat de vrouw voorafgaand aan de zitting hier (in haar verzoekschrift en berekeningen) geen beroep op heeft gedaan en zij de rechtbank ook geen inzicht heeft gegeven in de exacte hoogte van deze (huur)kosten. Draagkracht man Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde inkomensgegevens als bij de behoefteberekening, dus van de gemiddelde winst uit onderneming van 2022, 2023 en 2024, zijnde € 121.689,-. De man stelt dat voor de bepaling van zijn draagkracht rekening moet worden gehouden met de aflossing van zijn schulden. Hij heeft twee schulden bij de Belastingdienst, één van ongeveer € 45.000,-, waar hij nog niet op aflost, en één schuld van ongeveer € 30.000,- waar hij al wel € 590,- per maand op aflost. Op de zitting heeft de man toegelicht dat deze schuld voortkomt uit de Covid periode, en hij hiervoor uitstel van betaling heeft gekregen. De man is van oordeel dat deze laatste schuld een huwelijke schuld is, welke hij niet had kunnen vermijden en waar hij zich niet van kan bevrijden. De vrouw is van mening dat er geen rekening moet worden gehouden met de man zijn schulden. Ten eerste omdat er slechts één aflossingsafschrijving uit juni 2025 is overgelegd, en het niet duidelijk is of de man hedendaags nog steeds aflost. Daarnaast betwist de vrouw dat dit een vermijdbare en verwijtbare schuld is. De rechtbank overweegt als volgt. Enerzijds is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de man maandelijks € 590,- per maand aflost op zijn schuld. Anderzijds heeft de man geen inzicht gegeven in cijfers waaruit zou kunnen blijken of hij in staat is om de schuld af te lossen met zijn liquide middelen, waardoor de rechtbank niet goed kan beoordelen of er sprake is van een vermijdbare schuld. De rechtbank zal daarom in redelijkheid bepalen dat de helft van het bedrag van de maandelijkse aflossing van € 590,- in mindering zal worden gebracht op zijn draagkracht. Voor de andere helft gaat de rechtbank ervan uit dat de man deze uit zijn vrije ruimte zal voldoen. Verder voert de man aan dat er rekening gehouden moet worden gehouden met de leasevergoeding van zijn autokosten. De vrouw betwist dit, nu deze kosten al verdisconteerd zijn bij het bepalen van zijn winst. De rechtbank zal geen rekening houden met de leasevergoeding van de autokosten van de man. Uit de door man verstrekte prognose over zijn inkomen in 2024 blijkt dat de kosten die de man maakt voor zijn auto, al zijn meegenomen bij het berekenen van zijn winst uit onderneming. Wel houdt de rechtbank rekening met de alimentatieverplichting van de man voor zijn twee anderen kinderen, met de zelfstandigenaftrek en met de MKB-winstvrijstelling. Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen en toeslagen, berekent de rechtbank zijn NBI in 2025 op € 6.201,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,-, zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,- + € 295,-)] gebruiken. Hieruit volgt dan: 70% x [6.201 – (1.860 + 1.310 + 295 )] = € 1.915,- per maand. Hierop wordt het bedrag van € 400,-, zijnde de bijdrage voor de andere twee kinderen van de man, in mindering gebracht. Op basis van het voorgaande bedraagt de draagkracht van de man dan € 1.515,- (1.915 - 400). Draagkrachtvergelijking De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 1.667,- per maand (152 + 1.515). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.515 : 1.667 x 937 = € 852,- Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 152 : 1.667 x 937 = € 85,- ______ samen € 937,- Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 852,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 85,- komt voor rekening van de vrouw. Zorgkorting Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een zorgkortingspercentage van € 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 328,- per maand (35% van € 937,-). Aandeel man De zorgkorting strekt in mindering op het hiervoor berekende aandeel. De door de man te betalen bijdrage bedraagt dan € 524,- per maand (852 - 328). Ingangsdatum De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking – 24 december 2025 – als ingangsdatum te hanteren. Conclusie Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 december 2025, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] van € 524,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige kinderalimentatie afwijzen. Partneralimentatie De vrouw verzoekt primair om een partneralimentatie van € 3.536,- bruto per maand en subsidiair van tenminste € 1.864,- bruto per maand. De man stelt dat hij niet voldoende draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te kunnen voldoen. De rechtbank zal daarom zelf een berekening maken. Behoefte De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. De rechtbank heeft het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk – in 2024 – bij de berekening van de voorlopige kinderalimentatie al berekend op € € 6.209 per maand. Hiervan moeten de kosten van [de minderjarige] worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 5.329,- per maand (6.209 -/- 880) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 3.197,- netto per maand (60% van € 5.329,- per maand) in
- Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 3.405,- netto per maand. Aanvullende behoefte De rechtbank zal nu beoordelen in hoeverre de vrouw tijdens de echtscheidingsprocedure redelijkerwijs zelf in haar behoefte kan voorzien. Zoals eerder overwogen, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van de man dat voor de vrouw rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit, omdat in de voorlopige voorzieningenprocedure zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie van partijen, waarin geen plaats is voor het beoordelen van de verdiencapaciteit. Voor het NBI van de vrouw in 2025 zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 2.181,-. Hierop wordt het door de vrouw te ontvangen KGB in mindering gebracht. Het NBI van de vrouw ten behoeve van de partneralimentatie bedraagt dan € 1.690,-. Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 3.197,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen wordt gedekt door het door de vrouw te ontvangen KGB, dus dit wordt er niet bij opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 1.715,- (€ 3.405 -/- 1.690) netto per maand. Gebruteerd is dat € 3.099,- per maand. Draagkracht man Ten aanzien van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van dezelfde gegevens als bij de voorlopige kinderalimentatie en dus van een NBI van € 6.201,- per maand. Ook hier houdt de rechtbank weer rekening met de helft van het bedrag van de maandelijkse aflossing op de schulden (€ 295,-) en de bijdrage voor de andere twee kinderen van de man (€ 400,-). Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 1.242,- per maand (60% x [6.201– (0,3 x 6.201 + 1310 + 295) - 400]). Hierop wordt het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] van € 852,- per maand in mindering gebracht. De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van €390,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 623,- per maand. Ingangsdatum De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking – 24 december 2025 – als ingangsdatum te hanteren. Conclusie Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw, met ingang van 24 december 2025, voorlopig een partneralimentatie van € 623,- bruto per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie afwijzen. Proceskosten Omdat het hier een kwestie van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld. Beslissing De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 16 juli 2025 – : * bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te en beveelt mitsdien dat de vrouw die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden; * stelt een voorlopige zorgregeling vast, waarbij de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] , bij de man zal zijn: wekelijks van maandagmiddag uit school tot woensdagochtend naar school; om de week (in week 2 en 4) van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; de helft van de vakanties en feestdagen; en [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn: wekelijks van woensdagmiddag uit school tot vrijdagochtend naar school; om de week (in week 1 en 3) van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend naar school; de helft van de vakanties en feestdagen; * bepaalt dat de man aan vrouw, met ingang van heden, voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] van € 524,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van heden voorlopig een partneralimentatie van € 623,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen; * verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; * bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt; * wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mr. L.L. Benink, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 december
- !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER! !NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS! Partij Man Zaak Man / Vrouw Berekening Behoefte Tarieven 2024-2 Datum uitdraai 23-12-2025 Box 1 Inkomen uit werk en woning Winst uit onderneming (65-75) 65 Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) € 121.689 70 Winst uit onderneming € 121.689 Ondernemersaftrek 71/ 72 Zelfstandigenaftrek - € 3.750 - Zelfstandigenaftrek € 3.750 MKB Winstvrijstelling - € 15.698 75 Belastbare winst uit onderneming € 102.241 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 102.241 - Schijf 1a, 36,97% (19,07%) over € 0 t/m € 38.097 (€ 40.020) € 14.084 - Schijf 1b, 36,97% over € 38.098 (€ 40.021) t/m € 75.517 € 13.834 - Schijf 2, 49,5% over € 75.518 of meer € 13.228 Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken) € 2.437 95 Inkomensheffing box 1 € 43.583 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 121.689 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 43.583 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 212 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 43.371 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 78.318 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 0 jaar Arbeidskorting € 212 jaar 117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW Winst uit onderneming € 102.241 Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd € 102.241 Maximum bijdrage loon € 71.628 Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd € 71.628 Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd € 71.628 Percentage Zvw % 5,32 Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 3.811 Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - € 3.811 120 Besteedbaar inkomen € 74.507 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 74.507 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 6.209 Partij Vrouw Zaak Man / Vrouw Berekening Behoefte Tarieven 2024-2 Datum uitdraai 23-12-2025 Besteedbaar inkomen (113-120) 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 3.362 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 3.362 jaar NBGI voor scheiding Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding NBI voor scheiding Man € 6.209 Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding € 6.209 Eigen aandeel kosten kinderen Eigen aandeel kosten kinderen Ouders hebben in gezinsverband geleefd ja NBGI voor scheiding € 6.209 Tabel aantal kinderen 1 Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel € 880 # Indexeren ja Startjaar 2024 Eindjaar 2025 Eigen aandeel ouders geïndexeerd € 937 Behoefte obv 60% norm Netto Behoefte Netto gezinsinkomen € 6.209 Af: kosten van de kinderen - € 880 Saldo € 5.329 Netto behoefte obv 60% € 3.197 Netto behoefte € 3.197 # Indexeren ja Startjaar 2024 Eindjaar 2025 Netto behoefte geïndexeerd € 3.405 Partij Man Zaak Man / Vrouw Berekening Draagkracht Tarieven 2025-2 Datum uitdraai 23-12-2025 Box 1 Inkomen uit werk en woning Winst uit onderneming (65-75) 65 Winst uit onderneming (voor ondernemersaftrek) € 121.689 70 Winst uit onderneming € 121.689 Ondernemersaftrek 71/ 72 Zelfstandigenaftrek - € 2.470 - Zelfstandigenaftrek € 2.470 MKB Winstvrijstelling - € 15.141 75 Belastbare winst uit onderneming € 104.078 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 104.078 - Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) € 13.769 - Schijf 2, 37,48% over € 38.441 (€ 40.502) t/m € 76.817 € 14.383 - Schijf 3, 49,5% over € 76.818 of meer € 13.494 Correctie aftrek toptarief (ondernemersaftrekken en persoonlijke aftrekken) € 2.117 95 Inkomensheffing box 1 € 43.763 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 121.689 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 43.763 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 481 117 Verschuldigde inkomensheffing - € 43.282 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 78.407 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 0 jaar Arbeidskorting € 481 jaar 117a Op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW Winst uit onderneming € 104.078 Totaal inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd € 104.078 Maximum bijdrage loon € 75.864 Maximum inkomen waarover bijdrage is verschuldigd € 75.864 Inkomen waarover op aanslag een bijdrage ZVW is verschuldigd € 75.864 Percentage Zvw % 5,26 Totaal inkomensafhankelijke bijdrage ZVW € 3.990 Saldo verschuldigde bijdrage inkomensafhankelijke bijdrage ZVW - € 3.990 120 Besteedbaar inkomen € 74.417 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 74.417 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 6.201 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) € 74.417 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) € 6.201 Draagkracht tbv kinderalimentatie Draagkracht tbv kinderalimentatie 120a Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie € 6.201 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122a Kosten van levensonderhoud € 1.310 123a Woonbudget € 1.860 134a Extra lasten opnemen € 295 135a Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie € 3.465 136a Draagkrachtruimte € 2.736 137a Draagkrachtpercentage % 70 Beschikbaar € 1.915 138a Af: Bijdrage aan andere kinderen - € 400 140a Draagkracht tbv kinderalimentatie € 1.515 Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie 120b Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie € 6.201 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122b Kosten van levensonderhoud € 1.310 123b Woonbudget € 1.860 134b Extra lasten opnemen € 295 135b Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie € 3.465 136b Draagkrachtruimte € 2.736 Draagkracht tbv partneralimentatie 136b Draagkrachtruimte € 2.736 137b Draagkrachtpercentage % 60 Draagkracht tbv partneralimentatie € 1.642 138b Af: Bijdrage aan andere kinderen - € 400 140 Beschikbaar € 1.242 Partneralimentatie (141-144) 141 Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting) - € 852 Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie - € 0 Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) - € 852 142 Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen € 0 Berekende ruimte voor partneralimentatie € 390 143 Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel € 390 144 Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie) € 623 Specificaties voor post: 144 Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 4.680 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van: € 104.078 jaar In de schijf van 37,48% valt € 4.680, € 4.680 x ( 100 / (100 - 37,48)) = € 7.486 jaar In de schijf van 37,48% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 37,48)) = € 0 jaar In de schijf van 35,82% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,82)) = € 0 jaar Het resultaat van de brutering is per jaar € 7.486 jaar Of per maand € 623 maand Partij Vrouw Zaak Man / Vrouw Berekening Draagkracht Tarieven 2025-2 Datum uitdraai 23-12-2025 Box 1 Inkomen uit werk en woning Loon (41-50) 41 Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking € 19.284 44 Vakantietoeslag € 1.543 Bruto inkomsten € 20.827 Premies (51-59) Pensioenpremie 51 Ingehouden pensioenpremie - € 552 54 Loon voor de premies werknemersverzekeringen € 20.275 59 Inkomsten € 20.275 Belastbaar loon (61-64) 64 Belastbaar loon € 20.275 Heffing box 1 (94-95) 94 Belastbaar inkomen uit werk en woning € 20.275 - Schijf 1, 35,82% (17,92%) over € 0 t/m € 38.440 (€ 40.501) € 7.262 95 Inkomensheffing box 1 € 7.262 Besteedbaar inkomen (113-120) 113 Inkomen voor aftrek inkomensheffing € 20.275 114 Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3 € 7.262 115/116 Heffingskorting en standaard heffingskorting - € 8.101 Inkomen na aftrek inkomensheffing € 20.275 Specificaties voor post: 115/116 Algemene Heffingskorting € 3.068 jaar Arbeidskorting € 3.415 jaar Combinatiekorting € 1.618 jaar Bij: Kindgebonden budget € 5.900 120 Besteedbaar inkomen € 26.175 120a Netto besteedbaar inkomen (per jaar) € 26.175 120a Netto besteedbaar inkomen (per maand) € 2.181 120b Af: correctie kindgebonden budget - € 5.900 Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar) € 20.275 120b Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand) € 1.690 Draagkracht tbv kinderalimentatie Draagkracht tbv kinderalimentatie 120a Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie € 2.181 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule 122a Kosten van levensonderhoud € 1.310 123a Woonbudget € 654 135a Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie € 1.964 136a Draagkrachtruimte € 217 137a Draagkrachtpercentage % 70 Beschikbaar € 152 140a Draagkracht tbv kinderalimentatie € 152 Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie 120b Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie € 1.690 Draagkracht wordt berekend op basis van Formule Afwijken van de tabel? nee 122b Kosten van levensonderhoud € 1.310 123b Woonbudget € 507 135b Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie € 1.817 136b Draagkrachtruimte € -127 Draagkracht tbv partneralimentatie 136b Draagkrachtruimte € -127 137b Draagkrachtpercentage % 60 Partneralimentatie (141-144) 141 Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting) - € 0 Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie - € 0 Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting) - € 0 142 Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen € 0 Berekende ruimte voor partneralimentatie € 0 143 Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel € 0 144 Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie) € 0 Specificaties voor post: 144 Omdat de verschuldigde belasting lager is dan de heffingskortingen bestaat er geen ficaal voordeel. Resteert voor partneralimentatie per jaar € 0 jaar Of per maand € 0 maand Bruto aanvullende behoefte Netto Behoefte Netto behoefte € 3.405 Berekening Bruto aanvullende Behoefte Netto behoefte aan inkomen € 3.405 Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit) € 1.690 Af: Post 119a kindgebonden budget - € 492 Restant: € -492 Kosten kinderen uit eigen inkomen € 0 Zelf beschikbaar netto inkomen - € 1.690 Netto aanvullende behoefte € 1.715 Bruto aanvullende behoefte € 3.099